In het najaar lanceerde Katrien Cornette de website Gensterzorg, waarin zij haar vormingsinitiatieven heeft gebundeld rond zingeving en spiritualiteit. Sinds jaar en dag begeleidt zij professionelen en vrijwilligers in de zorg creatief en spitsvondig in diverse workshops, opleidingen en verdiepende vormingstrajecten. Maar ook het bredere publiek kan op haar veelzijdige inspiratie beroep doen via lezingen en workshops. Haar ervaringen als zorgpastor in de psychiatrie, maar ook haar veelkleurige kijk op leven en spiritualiteit leveren haar boeiende ervaringen op, die zij in haar vormingsinitiatieven verwerkt.

Geraakt door de rode draad doorheen haar website –  zin in zorg door zorg voor zin – treffen we haar online voor een boeiend gesprek over de gensters in haar leven.

Interview door Frieda Boeykens

Katrien, op jouw nieuwe website omschrijf je ‘genster’ als volgt: een vanuit het gedoofd vuur opspringend vuurfonkeltje. Elders heb je ‘spiritualiteit’ verwoord als datgene wat iemands ogen doet fonkelen. Wat heeft in de voorbije week jouw ogen doen fonkelen?

"Een bijzonder mooi moment in de Sint-Petrus- en-Paulus-kerk in Oostende. Het is de eerste kerk die je passeert als je van het station richting zee wandelt. Ik ben er binnengestapt tijdens een uitwaaidag aan zee. Haast alle stoelen zijn daar weggenomen, je waant je in de Middeleeuwen. Een mooie, overweldigende leegte, zo voelde het voor mij aan. Maar in die leegte hoorde ik een zuiver gezang. Een buitenaards schoon geschenk dat zo maar naar mij toekwam om stil naar te luisteren. Bleek dat een echtpaar, verscholen achter een pilaar, een lied ten beste gaf. Als afsluiter van ons gesprek boden ze mij een tweede lied aan: May the Road Rise to Meet You. Een lied dat bij mij verdriet en vreugde aanblies, want het werd gezongen op de begrafenis van mijn vader en op de huwelijken in onze familie. Toen ik de schoonheid van deze ontmoeting deelde in één van de zingroepen die ik begeleid, merkte een deelnemer mijn ontroering op. Een ander sloot daarbij aan met de opmerking: “Je kan wenen van geluk”. Toen werd het stil in de groep. Een moment waarop je voelt “C’est l’ange qui passe”… Een moment waarop je als mensen samen voelt hoe vreugde en verdriet nauw met elkaar verweven zijn, een gedeelde ervaring die geen woorden behoeft, maar waarin de stilte sprekend is en inspireert. Want ook dat is het geschenk: hoe een patiënt uit zo’n gedeelde ervaring in al zijn kwetsbaarheid de moed verzamelt om met alle geldende maatregelen ook de trein naar zee te nemen om daar te gaan uitwaaien".

"Een tweede sterke ervaring. Soms zet ik me neer in het bushokje aan het domein van de voorziening waarin ik werk. Ik wacht. Laatst zag ik hoe een patiënt van de bus stapte en een oude vrouw hielp met uitstappen. Een patiënt met de spreekwoordelijke rugzak en een levensgeschiedenis die al eens in een negatief daglicht wordt opgerakeld. Zo’n moment grijp ik aan om hem te waarderen en zo de grootsheid van zijn eenvoudig gebaar te zegenen. Dan merk je hoe deze man, die vaak met neergebogen hoofd rondloopt, nu weggaat met het hoofd rechtop". 

Om zo te kunnen zien, luisteren en zegenen, vraagt toch om verworteling in bepaalde grondhoudingen?

"O ja, neem nu dat bushok-momentje. Alleen al de tijd nemen om daar te zitten en te wachten. We kunnen als pastor onze agenda probleemloos volplannen met zingroepen, commissies, vergaderen, projecten. Het bushok-moment daarentegen is een tijd van bewust zitten en - zoals het Mariabeeld van Opgrimbie met haar uitgestrekte armen - je leeg en ontvankelijk openstellen voor wat zich aandient. Door zo te onthaasten en te verlangzamen, komen je zintuigen op scherp te staan, word je wakker en waakzaam voor de zegening in de eenvoudige ontmoetingen. Vertrouw dan op je fingerspitzengefühl om aan te voelen wat nodig is: stilte of een woord. Maar het hoeft niet altijd een woord te zijn dat je moet teruggeven, zeker in de context waarin ik werk. Er wordt al zoveel gepraat. Een plots en kortstondig oogcontact met een psychotisch iemand, na wekenlang wartaal aangehoord te hebben, vraagt in het hier en nu om woordeloze eerbied. Voel je je gezegend – en weet je, ik voel me heel gezegend als pastor – dan kan je ook in kleine momenten de zegen herkennen en bekrachtigen die de ander is. Zo kan de ander ‘groeien’. Een werkwoord waar ik veel van houd!

Ik kijk rond in mijn leven en blijf hangen bij wat mijn ogen en die van anderen doet fonkelen. Daar schrijf ik mijn verhalen over, die ik nu bundel via mijn blogs op mijn website. Dat zijn de gensters die voorhanden zijn, maar wel vragen om aangeblazen te worden. Als het genstert in jezelf, kan je ook de gensters opmerken bij anderen. Door ze aan te blazen gaan ze gloeien, ook in een uitgedoofd vuur. Ik heb het eens meegemaakt op kamp. We waren gaan slapen in de overtuiging dat het kampvuur  was uitgedoofd. Maar bij het ochtendgloren was het weer in brand geschoten. Er lagen dus nog gensters te smeulen die op één of andere manier werden aangeblazen. Zo groeit vuur. Zo groeien mensen ook. Soms vraagt dit om geduldig wachten en verlangen".

In wat je nu vertelt, proef ik een paradox. Immers, groei kan je niet afdwingen. Je kan aan het gras niet trekken om het te laten groeien. Maar groei kan je wel stimuleren, je kan het gras wel bemesten. 

"Je haalt een belangrijk woord aan. Alles wat met authentieke spiritualiteit te maken heeft, kan niet zonder paradoxen. Echter, als westerse mens zijn we niet gewend om met paradoxen om te gaan. Dat merk ik goed in de trainingen die ik aan zorgverleners geef. Neem nu het model van spirituele zorg van Carlo Leget, het diamantmodel. Ik merk hoe verpleegkundigen worstelen met de spanningsvelden in dit model. Ze worden getraind om in hokjes te denken: het is A of B. Maar een mens is niet A of B. Hij schuift op dan weer richting A, dan weer richting B. “Goh Katrien, wat is het nu?” vragen ze me dan. Het is een en-en verhaal. De innerlijke ruimte, het centrale beeld in het model, vraagt om de grondhouding van ontvankelijkheid, maar tegelijk komt datgene wat je ontvangt uit een andere bron. Nog zo’n paradox. 

Om in spiritualiteit, met alle paradoxen haar eigen, gevormd te worden heb je een langer durend traject nodig. Zo’n traject bouw ik op met tools en methodieken én met bokkesprongen. Ik laat bijvoorbeeld deelnemers luisteren naar een stukje Vlaamse polyfonie en maak ze aandachtig voor de dissonante klanken die in hun samenklank juist de rijkdom van het gezang uitmaken". 

Graag zoom ik nu in op één van jouw tools, met name de spirituele stoel. Je hebt er een prachtig stukje over geschreven in één van jouw blogs . Het biedt aan mensen de kans om te verkennen hoe hun spiritualiteit vorm krijgt en wat nodig is om hierin verder open te bloeien. Hoe ziet jouw spirituele stoel eruit? 

"Deze tool is ontwikkeld vanuit wetenschappelijk onderzoek over bronnen van spiritualiteit en zingeving: ontmoetingen, natuur, cultuur en cultus. De concrete vormgeving is verschillend al naargelang de cultuur waarin je opgroeit, of je man of vrouw bent, je leeftijd… Hoe je zingeving beleeft, is een dynamisch gegeven en wat ik je nu vertel is dus een momentopname, een foto van hoe mijn stoel er nú uitziet. 

Ik werd daar trouwens nog toe aangespoord afgelopen zomer. Een patiënte vroeg me om stoelen voor haar en haar medepatiënten te zoeken, n.a.v. een sessie waarin ik met hen hun spiritualiteit had verkend. Ze hebben hun stoel afgeschuurd, bewerkt, bekleed, zelfs de poten – die symbool staan voor de vier spirituele bronnen – op de passende lengtes afgezaagd. Zij is ondertussen vertrokken met haar stoel, haar ‘altaartje’, zoals ze het zelf benoemde. “Als ik er naar kijk”, vertelde ze, “dan voel ik mij geroepen om verder te werken aan mijn binnenkant. Dat zal mij helpen om het uit te houden in deze moeilijke coronatijd.” Patiënten verrassen mij vaak met hun kunstzinnig aanvoelen en zelfs meer, ze doen mij nadenken over hoe ikzelf mijn stoel zou aankleden.

Ik denk dat ontmoetingen een dikke poot aan mijn stoel vormen. Dit gesprek bijvoorbeeld startte al met een verhaal over een ontmoeting in een kerk. Als ik om me heen kijk, voel ik mij heel vaak gezegend: door mijn man, mijn familie, mijn vrienden, de patiënten die ik dagelijks mag ontmoeten. Zij zijn de bron van mijn werk. Ik ben als een accu die inplugt bij de mensen en op die manier zichzelf oplaadt. Ik ontmoet God dagdagelijks in de kwetsbare mensen op mijn pad en ik voel me dankbaar dat ik ook nu in deze bijzondere tijd op alle (gesloten) afdelingen mensen mag blijven bezoeken. 

De natuurpoot hangt voor mij samen met het pelgrim zijn. Elk jaar leg ik een stuk af van de tocht naar Santiago de Compostella. Stappen in stilte, het getik van m’n wandelstok, de weg die me leidt, het loskomen van plannen, God ontdekken in de wondermooie natuur die me omringt. Was het niet Augustinus die zei dat de natuur na de bijbel het tweede heilig boek van God is?  Daar bovenop is er de schoonheid van eeuwenoude gebedsoorden onderweg én de ontmoetingen met mensen die spontaan hun binnenwereld met je delen. Wie ben ik toch dat ik hun verhaal mag aanhoren? Door covid heb ik dit jaar gewandeld als pelgrim in eigen streek, de Jacobsschelp vastgespeld op mijn  kleine rugzak. Heel vreemd, maar ook op de wegen dichtbij mijn thuis, mocht ik sterk ervaren ‘gedragen’ te zijn. Ja, pelgrim-zijn omvat zowat alle poten van m’n stoel. 

Kijk ik naar de cultuurpoot, dan zie ik in eerste instantie vele mooie zinnen gebeiteld staan. Als kind hield ik al schriftjes bij waarin ik mooie zinnen overschreef. Regelmatig bladerde ik die dan door, en zat stil voor me uit te glimlachen. Thuis durven ze al eens morren, want ik zet het huis vol met spreuken en gezegden. Wacht, luister eens naar deze huwelijksaankondiging die hier op mijn bureau ligt, met die prachtige zin van Kris Gelaude: “Welk vuur, welke hand houdt hen samen, als niet een teder geheim zich gehuisvest heeft in hun namen?” Van elk woord van deze zin kun je toch eten en drinken? Het beeld van het vuur is me dierbaar en staat centraal in mijn website, het genstervuur. Het verwijst naar de houtblok die genstert en knispert, worstelt met het vuur, maar uiteindelijk één wordt met het vuur. Twee worden één, een verwijzing ook naar het bijbels geheim van de omvorming. 

De laatste poot, de cultuspoot hangt voor mij sterk samen met stilte. ’s Morgens begint de dag voor mij met de zonnegroet en de bede dat het licht mag binnenbreken. Hier in de voorziening loop ik regelmatig met mensen de grote kapel binnen. We steken een kaars aan en verwijlen in de stilte, elk op ons eigen voorkeur-plekje. In een oud Romaans kerkje de stilte op me laten afkomen, is iets wat me heel dicht bij God kan brengen".

Is dit een uitpuring?

"Ja, inderdaad. De stilte vermag met een mens te doen, wat een kunstenaar als Michelangelo doet met marmer: hij kapt het overtollige weg tot er een puur beeld staat. Zo ontdek ik stilaan de diepgang van een spirituele meester als Meister Eckhardt, wanneer hij het bijvoorbeeld heeft over gelassenheit. In vormingen spreek ik vaak over het loslatend handelen. In de zorg zijn er veel bezige bijen, drukdoende met veel to do’s. Kijk opnieuw naar het houtblok in het vuur: omvorming is iets dat aan jou gebeurt. Dat vraagt ‘laten’ en niet zozeer veel doen. Als we echt naar God verlangen, hebben we veel te leren in die gelassenheit. God is zo anders dan wij mensen dromen".

Zorg voor je eigen en andermans zingeving is een kwestie van persoonlijke groei en uitdaging. Maar als pastor en zorgverlener werken we ook in een voorziening. Hoort de zorg voor zin ook geen uitdaging te zijn op het niveau van de voorziening?

"Deze vraag maakt veel los bij me. Kijk naar de matroesjka’s. Het kleinste poppetje is de mens om wie het in de zorg draait. Deze mens wordt gedragen door de eerstelijns zorg. Wie draagt deze zorg? Dan komen het middenkader en de directie met hun beleid in het vizier. Maar ook de keuzes die op breder samenlevingsniveau worden gemaakt. Wordt er voldoende personeel en vorming voorzien? Krijgen pastores voldoende werkingsmiddelen en letterlijk ruimte zodat zij mensen kunnen onthalen in gesprekslokalen? De vraag die ik me hierbij stel, is in welk poppetje we als pastor precies passen. Liefst dicht bij de patiënten en op onze beurt ook weer omringd. Ook een pastor verdient het om als een matroesjka omringd te worden door een andere matroesjka, een aanspreekpersoon die met jou meekijkt naar jouw werk, je uitdagingen en welbevinden en pastorale zorg mee faciliteert. 

Als vormingswerker in spirituele zorg heb ik die cirkelvormige omkadering trouwens ook nodig. Jarenlange ervaring heeft me geleerd dat een vormingsaanbod dat niet van onderuit en van bovenaf wordt gedragen, niet landt op de werkvloer. Als vormingswerker heb ik nood aan mandaat en mede-eigenaarschap, telkens op de juiste niveaus. Als bv. een hoofdverpleegkundige deelneemt aan één van mijn vormingstrajecten en vanuit haar ervaringen een werkgroep opricht in haar team, hierin gesteund door haar oversten, dan maak ik als vormingswerker veel kans om een vruchtbaar traject uit te kunnen stippelen. Wat ik nodig heb, of beter wat vorming inzake eerstelijns spirituele zorg nodig heeft, is een strategie op lange termijn om iedereen mee in het bad te krijgen".

Katrien, een laatste vraag. We beleven nu de advent, een tijd van verlangen. Wat verlang jij voor de pastores en alle zorgverleners?

"Wat ik vurig wens, is een lange adem om het in deze coronatijd vol te houden. Het beeld van de adem is gelaagd. Ik denk nu aan Ruach, de Geest Gods, die adem en geestkracht geeft. Dat we openkomen om deze Adem te ontvangen, zodat we elk op onze manier de gensters in en rond ons kunnen blijven aanblazen".

Een pinksterige Kerst! Wat een prachtige wens. Dankjewel Katrien voor dit gesprek en geluk gewenst met je website, je spirituele zorg en je vormingswerk.