Af en toe moet je eens miswijn drinken in de sacristie. Daar zweren we bij. ‘We’, dat zijn een bevriende pastor en ik. Beiden zijn we starters in het pastorale veld en wonen we niet zo ver van elkaar vandaan. Waar we eerder niet veel met elkaar te doen hadden, vinden we gelijkgezindheid bij trial-and-error-maaltijden en veelvuldige anekdotes.
Veel pastores staan er alleen voor. Ze vormen bij momenten een paria in de zorgvoorziening. “Een clown!” roept mijn vriendin-pastor uit – laten we haar vanaf dit moment maar Clare noemen. “We zijn de clown in het geheel van de zorg!” We gniffelen. “Maar we hebben recht van bestaan! Wat ik doe, dat is GEEN ANIMATIE!” Clare verheft haar stem en ik hef mijn glas.
Hoe vaak gebeurt het niet dat je als pastor je positie moet verdedigen, verhelderen en herbevestigen? Waar haal je steeds je kracht vandaan als je als enige pastor werkzaam bent in een voorziening? Hoe leg je dat uit en hoe zorg je dat men begrijpt wat je doet en waar je voor staat?
Ooit werd ik geconfronteerd met een verpleegkundige die bedden kwam opmaken en mijn aanwezigheid in de kamer in vraag stelde. “Hé, wie zijde gij?” zei ze, met toegeknepen ogen vol wantrouwen en de dienstnota van de zorgvoorziening in het achterhoofd waar in niet mis te verstane bewoordingen in stond dat men aandachtig moest zijn voor rare types. Ik flashte mijn badge, met foto en de bewoordingen “Pastorale Dienst” in haar richting, maar ik moest uitleggen wat ik nou deed in die kamer als ‘pastorale’ hé. Mijn patiënte bekeek het allemaal geamuseerd. Ik kwam bij mevrouw om haar te ondersteunen bij haar pijn en verdriet om het overlijden van haar man naast het dragen van haar terminale borstkankerdiagnose, maar dat vertel je niet zomaar voort. Ik mompelde iets over aanwezigheid, opvolging van de mensen, een beetje liturgie hier en daar, – de patiënte luisterde met gespitste oren en de verpleegkundige onderdrukte een diep gesnuif. Uiteindelijk was het bed schitterend opgemaakt en verliet de verpleegkundige in kwestie de kamer, maar niet zonder mij achter te laten met de overtuiging dat ik maar wat geks deed.
Clare gniffelt als ik mijn verhaal doe. “Wat wil je dan? Moet ik in aanwezigheid van mijn rouw-ontkennende patiënt zeggen dat ik aan rouw-en stervensbegeleiding doe?”, foeter ik en neem een slok wijn. Ik voel me een clown.
“De clown is de leider van het circus, hij relativeert alles een beetje,” horen Clare en ik de echo van onze universitaire studies. “Hij maakt het enge van de trapezekunstenaars een beetje minder eng, hij maakt van het verdriet van de wereld dat hij op zijn gezicht plaastert met overdadige make-up een farce waarin mensen zich even kunnen herkennen.” De clown die wij kennen, de clown die wij zijn, is een heel andere clown bij momenten. De clown van de spot, het gegier, het gelach, het gegniffel. Een raar type. Angstaanjagend bij momenten.
“Soms is het goed dat we wat raar zijn.”
“Uhuh.”
Even is het stil.
“Wij mogen tenminste wijn drinken onder onze uren.”
En de twee clowns lachen de nacht tegemoet.













