Elisabethblog

Ik voel me een clown

ZotjesAf en toe moet je eens miswijn drinken in de sacristie. Daar zweren we bij. ‘We’, dat zijn een bevriende pastor en ik. Beiden zijn we starters in het pastorale veld en wonen we niet zo ver van elkaar vandaan. Waar we eerder niet veel met elkaar te doen hadden, vinden we gelijkgezindheid bij trial-and-error-maaltijden en veelvuldige anekdotes.

Veel pastores staan er alleen voor. Ze vormen bij momenten een paria in de zorgvoorziening. “Een clown!” roept mijn vriendin-pastor uit – laten we haar vanaf dit moment maar Clare noemen. “We zijn de clown in het geheel van de zorg!” We gniffelen. “Maar we hebben recht van bestaan! Wat ik doe, dat is GEEN ANIMATIE!” Clare verheft haar stem en ik hef mijn glas.

Hoe vaak gebeurt het niet dat je als pastor je positie moet verdedigen, verhelderen en herbevestigen? Waar haal je steeds je kracht vandaan als je als enige pastor werkzaam bent in een voorziening? Hoe leg je dat uit en hoe zorg je dat men begrijpt wat je doet en waar je voor staat?

Ooit werd ik geconfronteerd met een verpleegkundige die bedden kwam opmaken en mijn aanwezigheid in de kamer in vraag stelde. “Hé, wie zijde gij?” zei ze, met toegeknepen ogen vol wantrouwen en de dienstnota van de zorgvoorziening in het achterhoofd waar in niet mis te verstane bewoordingen in stond dat men aandachtig moest zijn voor rare types. Ik flashte mijn badge, met foto en de bewoordingen “Pastorale Dienst” in haar richting, maar ik moest uitleggen wat ik nou deed in die kamer als ‘pastorale’ hé. Mijn patiënte bekeek het allemaal geamuseerd. Ik kwam bij mevrouw om haar te ondersteunen bij haar pijn en verdriet om het overlijden van haar man naast het dragen van haar terminale borstkankerdiagnose, maar dat vertel je niet zomaar voort. Ik mompelde iets over aanwezigheid, opvolging van de mensen, een beetje liturgie hier en daar,  – de patiënte luisterde met gespitste oren en de verpleegkundige onderdrukte een diep gesnuif. Uiteindelijk was het bed schitterend opgemaakt en verliet de verpleegkundige in kwestie de kamer, maar niet zonder mij achter te laten met de overtuiging dat ik maar wat geks deed.

Clare gniffelt als ik mijn verhaal doe. “Wat wil je dan? Moet ik in aanwezigheid van mijn rouw-ontkennende patiënt zeggen dat ik  aan rouw-en stervensbegeleiding doe?”, foeter ik en neem een slok wijn. Ik voel me een clown.

“De clown is de leider van het circus, hij relativeert alles een beetje,” horen Clare en ik de echo van onze universitaire studies. “Hij maakt het enge van de trapezekunstenaars een beetje minder eng, hij maakt van het verdriet van de wereld dat hij op zijn gezicht plaastert met overdadige make-up een farce waarin mensen zich even kunnen herkennen.” De clown die wij kennen, de clown die wij zijn, is een heel andere clown bij momenten. De clown van de spot, het gegier, het gelach, het gegniffel. Een raar type. Angstaanjagend bij momenten.

“Soms is het goed dat we wat raar zijn.”

“Uhuh.”

Even is het stil.

“Wij mogen tenminste wijn drinken onder onze uren.”

En de twee clowns lachen de nacht tegemoet.

Geplaatst in Leven | Een reactie plaatsen

Gaat u niet op vakantie?

“Gaat u niet op vakantie?” vraagt mevrouw B. aan me, haar blik lostrekkend van haar echtgenoot die zwaar ziek in bed ligt. Hij ligt hier al enkele weken en er is geen verbetering merkbaar. Mevrouw komt alle dagen op bezoek en ik merk dat de dagen zwaar beginnen te wegen op haar. Toch had ik deze vraag niet verwacht.

“Op vakantie?”

“Ja, of heeft u geen kinderen?”

Ah, de paasvakantie, denk ik. “Nee, ik heb nog geen kinderen,” glimlach ik.

In mijn hoofd doorloop ik mogelijke gespreksonderwerpen – waar zou ik het over kunnen hebben? Hoe kan ik het onderwerp ‘vakantie’ buigen naar iets diepers, iets pastoraals? Oh, wacht, misschien voelt mevrouw de nood aan vakantie, er even uit te zijn. Tevreden over mijn inval, wil ik het woord nemen, maar dan bedenk ik dat het niet zo evident is om na te vragen of ze inderdaad een keer rustig in het zonnetje wil liggen. Wat als ik er helemaal naast zit?

Mevrouw B. kijkt liefdevol naar haar man. Ik herinner me dat hij in de eerste weken steeds in de lucht zocht naar de troost van haar hand. Nu doet hij dat niet meer. Een teken dat hij niet meer bang is, of een teken dat die beweging voor hem nu ook even te veel is? We lijken allebei te mijmeren aan zijn ziekbed. “Goh vakantie,” zeg ik na een tijdje zacht en mevrouw wendt haar hoofd lichtjes, bijna onmerkbaar, naar me toe. “Ik ga volgende maand op vakantie.”

vakantie“Waar ga je naartoe?” vraagt ze, haar gezicht nu helemaal naar me toe gewend. Ze glimlacht, grijpt dit moment aan om even verstrooid te zijn, even weg van dit alles. Ik voel het appèl dat op mij wordt gedaan en vertel haar over mijn reisplannen – ver weg, warm, 24 uur vliegen, palmbomen en witte stranden, boeddhistische tempels. Ze luistert en lacht. Dit gesprek is niet pastoraaaaaal, roept het kleine stemmetje in mijn hoofd en ik zwak mijn stem af, laat mijn relaas in de lucht hangen en uitdoven. Even is mevrouw B. stil en ze werpt nogmaals een blik op haar man. Er ligt een gloed over haar gezicht, een herinnering die herleefd wordt.

“Drie jaar geleden ben ik naar Thailand gegaan voor twee weken,” vertelt ze. Ik kijk een beetje verbaasd op en vraag haar met wie ze ging. Ze zegt niets, maar wijst met haar vinger liefdevol naar haar man. Ze vertelt hoe hij altijd al naar Thailand had willen gaan zodra ze op pensioen waren. Hoe hun zoon het geregeld had, zeggende dat ze niet moesten dralen, dat ze het moesten doen zolang ze beiden nog goed waren. Deze zoon wist waarover hij het had… De stammen die ze zagen, het eten, de standbeelden van boeddha, tempels met veel bloemen, de gewoontes en gebruiken die zo anders waren. Ze kan niet stoppen met vertellen en ik voel hoe gelukkig zij is dat ze dat nog hebben kunnen meemaken.

“U heeft er vast heel veel mooie herinneringen aan overgehouden,” zeg ik na een tijdje. “Oh ja,” knikt ze en streelt de hand van haar man. Ze zijn een steun in donkere dagen.

Geplaatst in Leven | Een reactie plaatsen

Op de universiteit leer je niks

TweegesprekOp de universiteit leer je niks, zegt ze. Ik zit in de stoel recht tegenover haar en buig mijn hoofd, een glimlach onderdrukkend. Zij is 93 jaar oud en zit warm ingeduffeld in haar blauwe kamerjas naar me te staren.

Je weet toch wel wat over de Bijbel, polst ze. Ik knik en gluur tussen mijn neerhangende haren naar haar gezicht. Ze heeft haar ogen toegeknepen, niet zeker of ze me gelooft.

Van het leven moet je het leren, gij zijt nog veel te jong, kind, bezweert ze me. Ik open mijn mond in protest, maar een strenge blik die me doet denken aan de actrice Maggie Smith, brengt me tot zwijgen. Luister naar mijn verhaal, hopelijk leert ge er iets van.

Ik luister twee uur geboeid naar mevrouw.

De sociaal werkster van oncologie wandelt voorbij en gniffelt in haar papieren. Ik vermoed dat zij eenzelfde historie heeft meegemaakt met dit kranige, oude dametje dat kaarsrecht in haar stoel zit en mij in geuren en kleuren vertelt over de orde van de Jezuïeten en haar blijdschap over paus Franciscus. Het enige verschil is dat ik langer kan blijven zitten bij mevrouw en zij kan vertellen tot haar vat vol verhalen leeg is.

Verstrooid kijkt ze me aan als het middagmaal wordt binnengebracht. Nou… Dat was een heel verhaal, zegt ze verwonderd. Ik knik en zeg haar dat ik er graag naar geluisterd heb. Leren moet je doen, niet luisteren! zegt ze me met de glimlach. ‘Ik zal eruit leren,’ stel ik haar gerust en ze knipoogt naar me. Ik zet haar eten voor haar klaar, ‘we moeten de hongerigen spijzen,’ pareer ik haar protest en giechelend laat ze me doen.

Wat mevrouw me vertelt, is waar. Je leert aardig wat dingen op de universiteit, maar de school van het leven komt pas later als je theorie in de praktijk brengt. Soms moet ik vergeten wat ik heb geleerd, om echt authentiek een kamer binnen te kunnen stappen. Soms duiken de dingen die ik heb geleerd tijdens een gesprek op in mijn hoofd. Ik leer te zitten en blijven luisteren naar de mensen die zoveel te vertellen hebben, maar die geen toehoorders meer om zich heen vinden. Ik leer geduld te hebben met mensen die mijmerend voor een venster staan – op het moment dat ik wil weggaan, spreken ze. Ik leer directe vragen te stellen aan een stervende vrouw – als u terugkijkt op uw leven, heeft u dan spijt van bepaalde dingen? – en leer dat iedere situatie om een andere aanpak vraagt.

Dit kan de universiteit mij niet leren, maar wat ik daar wél geleerd heb, is het beeld van het Laatste Oordeel, zo levendig voorgesteld en gevreesd door de generaties voor ons, te herkennen en te verzoenen met een genadige, liefdevolle God. De woorden om dit te doen, die moet ik nog leren,  maar als een stervende vrouw me zegt dat ze bang is om voor de Schepper te staan, dan weet ik diep vanbinnen wel wat ik moet ‘doen’. Hakkelend, proberend, tracht ik het te doen, tracht ik woorden op te diepen uit de stilte die me overvalt, en blijf ik enige tijd biddend waken.

Hier voel ik hoe de ervaring me vormt, hier vind ik een spoor van mijn pastorale grondslagen terug.  Ik zoek, ik vind, ik bid – en ik leer.

Geplaatst in Leven | Een reactie plaatsen

Een nieuwe zon, een nieuwe uitdaging, ook voor Lieve

Na mijn eerste maanden op de afdelingen revalidatie en heelkunde, word ik uitgedaagd om onder meer op oncologie aan de slag te gaan. Een heel andere pastorale wereld waar ik zelf even mijn weg in moet zoeken. Weer voel ik mezelf twijfelen aan de grote keus van deuren waar ik binnen zou kunnen gaan – zou ik hier, of zou ik daar…? Ik voel me een stagiaire, niet zeker of ik wel mag, niet zeker of ik hier wel thuishoor, mezelf afvragend of ik niet beter de plantjes in de kapel water geef en Onze Lieve Vrouw een beetje oppoets. De verpleging bekijkt me de eerste dag met een grote dosis scepsis in de ogen en ik voel de moed in mijn hooggehakte laarzen zakken.

Met heimwee denk ik terug aan de tijd toen de afdelingen revalidatie het grote monopolie over mijn agenda hadden. Ik denk aan de banden die ik gesmeed heb met de patiënten, de brandjes die ik heb mogen blussen, de vrede die ik heb proberen te sluiten tussen een verscheidenheid aan leefwerelden, bekende deuren, verpleging die me ondertussen wijst waar ik heen kan gaan. Nu moet ik mijn tijd verdelen tussen hen en een hele reeks nieuwe afdelingen, moet ik terug in mijn beginnersschoenen gaan staan.

“Wat kan jij voor ons betekenen?”, is de vraag van de hoofdverpleegkundige. Ik sta even met mijn mond vol tanden. Had niet gedacht dat ik nog even moest uitleggen wat ik doe – en hoe leg je dat uit aan een hoofdverpleegkundige die opsomt dat de psychologen en vrijwilligers heel regelmatig ‘hunnen toer doen’ op de afdeling? Hoe pas ik daartussen? Ik ratel een verhaaltje af over aanwezigheid, kalmeren van mensen, zingevingsvragen maar voel me alsof ik vlak voor een niet nader genoemde prof zit en willekeurige zinnen uit cursussen theologie opdiep in de hoop dat ik hiermee nog een voldoende in de wacht kan slepen.

“Wete wa”, zeg ik na een tijdje en wapper met mijn handen in de richting van die onbekende deuren, “ge zult wel zien wat ik doe.” De hoofdverpleegkundige lacht, “jaja, we zullen zien of we u wel zien.”

En twee dagen later zit ik aan het bed van een stille man die plotseling in huilen uitbarst als hij het heeft over zijn buitenverblijf. Ik zit, zwijg en luister. Karretjes ratelen door de gang. Ratel, ratel doorheen machteloosheid, onzekerheid en woede: “Moet een mens van 82 nu nog kanker krijgen ook?” Daar zijn natuurlijk geen antwoorden op. En een half uur later sta ik met een patiënte, die op weekend mag gaan na het verlossende akkoord van de ‘kanker-dokter’, luidop te lachen over kleinkinderen en achterkleinkinderen en de flauwigheid van mensen die het geslacht van hun ongeboren kinderen voor zich houden. De hoofdverpleegkundige houdt me in de gaten als ik haar kamer uitstap en knikt me goedkeurend toe als ik haar kant uitkijk. “Dag Lieve!”

Met een zucht van opluchting – de deuren komen me al bekender voor – begin ik aan mijn nieuwe etappe als ziekenhuispastor.

Geplaatst in Leven | 1 reactie

Er is een tijd om te leven en een tijd om te sterven

ToekomstEen wijsheid die ik als kind opgepikt hebt en waar ik ergens in bleef geloven, tot ik begon te werken als ziekenhuispastor. Als jonge ziekenhuispastor sta ik met beide voeten in het leven, tel ik de jaren op, en start ik met het uitbouwen van iets. Mijn patiënten zijn net bezig met de afbouw van hun leven, met aftellen: zoveel jaren hebben ze nog voor zich. Hun kleinkinderen zijn ofwel even oud als ik, of nog ouder! Heel soms zijn ze jonger.

Ik heb de tijd in overvloed, ik ben er vandaag, morgen, volgende week, volgende maand – ik vlieg door de gangen tot overvloedige verzuchtingen van het revaliderende publiek in de kamers. Wat gaan uw jonge benen toch zo snel.

Zo snel gaan ze, dat ze voor ik het goed en wel besef stoppen bij de kamer waar een man gelaten, met veel geduld, op zijn dood wacht. De sociale dienst krabt zich in de haren: wat moeten ze met een meneer die vindt dat zijn tijd gekomen is? Finito, zegt hij. Het is genoeg geweest. De verpleging, de pastorale collega, de psychologen, de dokter die tijd te kort komt, allemaal weten ze zich geen raad met meneer die vindt dat aan zijn tijd niet meer gesleuteld mag worden. Gedaan. Foert. De boom in allemaal, ik heb mijn leven geleefd, lazer op! Meneer sluit de ogen en neemt zijn tijd om weg te glippen naar een plaats waar wij hem nog niet kunnen volgen.

Een oproep van de verpleging. Of ik bij een mevrouw kan langsgaan, ze is bang voor de revalidatie, de pijn. En weg zoef ik, ik, die alle tijd van de wereld heb en elk moment doorleefd wil zien. Als ik terugkom, is meneer nog altijd overtuigd van zijn tijdsbeperking. Als ik naar mijn appartement wandel, weigert meneer nog steevast zijn behandelingen.

Een vriendin van me bevalt. Ik huppel rond met nieuw leven, denk aan mijn vriend, zoef door supermarkten en koffiebars, toast op een huwelijk, het leven is op gang, we gaan met die banaan!

Het klinkt alsof ik na mijn uren op een roetsjbaan door het leven ga en binnen mijn werkuren tegen een muur van eindigheid stoot. Als pastor moet ik grenzen stellen tussen wat er binnen de muren van het ziekenhuis gebeurt en wat er daarbuiten plaatsvindt. Ik heb mijn leven, de patiënten het hunne. Mijn leven wordt gefinancierd door mijn werk – het bijstaan van mensen in hun omgang met hun leven. Vooral dan op spiritueel vlak. Ook op het vlak van ‘djoeme toch’-momenten. Vooral daar. Ook daar waar mensen vinden dat het leven stopt.

“Gij hebt nog alles voor u,” zeiden ze weleens, met de glimlach, een licht hoofdgeschud. In het begin van mijn tijd als pastor klonk het als een verwijt in mijn oren – maar nu als een zegen. Laat ik maar van hen leren hoe zij omgaan met de tijd, laat mij mijn tijd intens doorleven met hun ervaringen en mijn snelle benen. Laat ons er zijn voor elkaar – in de tijd van het leven en de tijd van het sterven.

Geplaatst in Leven | Een reactie plaatsen

Is dit nu later?

Boom met hartjesDe stem van Stef Bos vult de hoeken van mijn kantoor op weer eens een druilerig moment. Naast mij ligt een verfrommelde krant, een overblijfsel van de radeloosheid van een oude vrouw. Ik voel haar hand nog om mijn arm, hoe ik naar beneden word getrokken tot ik oog in oog met haar sta.

“Mijn man denkt dat ik de krant wegbreng.”
‘Zo.’
“Ik wou met u praten. Maar heel efkes he.”
‘Ik heb alle tijd, dat weet u.’

Een doordringende blik. Haar andere hand kreukelt het bleekbruine papier.

“U sprak over de toekomst van mijn man.”
‘Ja.’
“U ziet het he.”

Ze gebaart naar de kamerdeur, een eindje verderop. Ik weet wat ik daar meermaals aantref. Meneer is dement, torent hoog boven mevrouw uit en ze begrijpen elkaar elke dag steeds een beetje  minder. Hij loopt weg, vergeet dat zijn heup niet meer de oude is, valt, mevrouw hobbelt er paniekerig achteraan. Geen kinderen die kunnen helpen. Altijd samen geweest. Ook in dit ziekenhuis. Het trof me als mens.

“Ik heb een lijst met rusthuizen, maar ik weet nog niet de welke ik moet kiezen.”

Haar ogen vullen zich met tranen, haar greep op mijn arm verstrakt. Mijn rug trekt scheef, maar ik wil me niet rechten, blijf op haar hoogte. De verpleging manoeuvreert om ons heen, twee stenen in een stroom van gezondheidszorg.

“Hij mag het niet weten.”

Ik knik. Ik zeg haar dat de beslissing geen gemakkelijke is, dat ik ook graag zou willen dat ze altijd samen kunnen blijven. Maar het gaat niet meer. Dat zegt zij, in fluisteringen, in tranen, in een hoopje verwrongen krantenpapier.

“Ik moet nu gaan. Hij gaat denken dat ik niet meer terugkom.”

Ik neem het hoopje verwrongen krantenpapier aan en verberg het onder mijn cardigan. Als ik de kamerdeur passeer kijkt meneer me aan en ik zwaai. Mevrouw staat in de deuropening en glimlacht, de tranen weggeveegd, terug bij haar man.

Is dit nu later, zingt Stef Bos en ik vraag het me oprecht af. Is dit nu later?

Geplaatst in Leven | 1 reactie

De moed om te dienen…

VoetwassingOlie is als een balsem
en het beetje alcohol in de wijn
zuivert de wonden.
Geef het beste van jezelf.

Voorzichtig mag je troosten
En alle smet en schuld wegnemen.
Zo ontsmet je alle wonden
en breng je zachtheid in plaats van geweld.

Dan dien je
de uitgestotenen van de wereld.
De moed om te dienen
is de deemoed.

Deze tekst lees ik terwijl de sneeuw neerdwarrelt ver achter mijn raam in het warmgestookte kantoor. Het is bijna donker, mijn werkdag als pastor zit er bijna op. Mijn tas wacht op me, de pyxis is weggeborgen, de lijst met te bezoeken mensen staat klaar, de mailbox is leeg, klaar voor vandaag. Maar is dat wel zo? Stopt mijn roeping als pastor om vijf uur in de namiddag?

Geef het beste van jezelf lees ik in de tekst. Vanaf negen uur als mijn thee of caffè latte opgedronken is? Of vanaf een punt heel lang in mijn persoonlijke geschiedenis? Daar denk ik aan als ik diep in de donkerte van de winter, met mijn handen diep in mijn zakken en mijn neus in mijn sjaal, door het park bij het ziekenhuis loop en een dakloze zie bibberen onder ontelbare lagen kledij. Daar denk ik aan als ik op de gang een praatje sla met een oudere vrouw, verloren in de tijd. Dit gebeuren stopt toch niet?

Nee.

Dit gaat voort. In eeuwigheid, alle dagen. In mij, mijn collega’s, mijn vrienden, mijn kennissen, in iedereen. Ook zij die het ontvangen, geven het. Die liefde, die aandacht voor de ander. In hen leeft het ook, maar net als voor ons geldt dat je er de moed voor moet hebben. De moed om te dienen. Om het naar boven te laten komen, om in te gaan op de vele momenten waarop je iets voor iemand kan betekenen, hoe miniem het ook maar is.

Neem dit met je mee als je begint aan je werk of studiedag. Breng de moed op om te dienen. Wees deemoedig. Geef het beste van jezelf. Begin gisteren in plaats van vandaag. Maar drink gerust eerst nog een kop thee.

Liefs,
Lieve

Geplaatst in Leven | 1 reactie

Het vuur staat op, maar de pot is leeg

ChaotischVijf na drie in het bejaardentehuis waar mijn grootmoeder verblijft. Ze heeft Alzheimer en kent mijn naam niet meer. Toch gaat ze met me mee als ik vertel dat ik naar de mis ga. Stil zit ze voor zich uit te kijken. De stoelen zijn zacht en breed, maar piepen en schuiven met een hels kabaal. Ik vraag me af of ze nog wel weet waar de mis om gaat. Ze spreekt amper. Haar twee zoons zitten plechtig naast haar. Af en toe kijkt ze naar hen, maar ook ik weet dat ze niet meer weet wie ze zijn.

Als pastor voor dementerende ouderen zorgen is heel anders dan wanneer je moet zorgen voor je eigen dementerende familielid. Het vuur staat op, maar de pot is leeg, omschreef ik mijn grootmoeder eens. Ze is niet meer de vrouw die ik kende, maar een hele nieuwe persoon. De zaal is gevuld met allerlei oudere mensen, al dan niet vergezeld door familieleden en kennissen. De priester laat op zich wachten. Mijn grootmoeder schuift in haar stoel en staat op.

“De mis is nog niet begonnen,” zeg ik haar. Ze staart naar me. Haar zoon trekt haar zachtjes terug op de stoel. Ze tuurt naar voren, waar het altaar staat. Het wordt tien na drie. Ik zit klaar met mijn papieren, vandaag geef ik de preek als een onderdeel van de preektraining. Mijn grootmoeder heeft niets door. En dan begint het, de priester en de zuster komen binnen. Na de evangelielezing kom ik naar voren en vertel met knikkende knieën mijn preek.

Na afloop brengen we mijn grootmoeder terug naar haar afdeling. Mensen zeggen dag, complimenteren de preek – leuk, het eens horen van iemand anders dan meneer pastoor – of geven opbouwende kritiek – de volgende keer wat luider spreken, maar mijn grootmoeder zegt geen woord. Op de afdeling gaat ze meteen naar de keuken, zet zich neer en tuurt naar haar tafelgenoten. De verpleegster van dienst komt dichterbij. Ze houdt haar tegen. Ze wijst naar mij en vraagt de verpleegster of ze weet wie ik ben. Ik wil zeggen dat ik haar kleinkind ben, maar mijn grootmoeder is me voor: “Dat is mevrouw pastoor!”

En dan vind ik het plots heel erg mooi dat ik ervoor gekozen heb om pastoraal werker te worden.

Geplaatst in Leven | 2 Reacties

Do not stand at my grave and weep

Met het vallen van de bladeren herdenken we degenen die ons zijn voorgegaan in de dood (hoe zou het met hen zijn? Zien ze ons?). Er zijn heel veel boeken geschreven, gedichten neergepend en films gedraaid over het onderwerp dat ons het diepst verbindt met onze menselijkheid, onze eindigheid. Ik kan hier een heel relaas neerpennen, maar in deze kouder wordende nachten is het fijn om een gedicht te lezen en herlezen tot je alle woorden tot in je vingertoppen kan voelen. Lees en denk maar mee met Mary Elizabeth Frye:

Do not stand at my grave and weep,
I am not there, I do not sleep.
I am in a thousand winds that blow,Regenboog
I am the softly falling snow.
I am the gentle showers of rain,
I am the fields of ripening grain.
I am in the morning hush,
I am in the graceful rush
Of beautiful birds in circling flight,
I am the starshine of the night.
I am in the flowers that bloom,
I am in a quiet room.
I am in the birds that sing,
I am in each lovely thing.
Do not stand at my grave bereft
I am not there. I have not left.

Mary Elizabeth Frye

Geplaatst in Leven | 2 Reacties

Het Leven

Vandaag wil ik het met jullie hebben over het Leven.

Het Leven is van onbepaalde leeftijd. Sommigen zeggen dat het leven al miljoenen jaren oud is, anderen zeggen dat het leven een milliseconde betreft – je vindt ‘Het’ in de lach van een kleine baby, maar anderen zeggen dat het Leven je op de hoek staat op te wachten, klaar om je overhoop te lopen en gaten in je kousen te bezorgen. En dan zijn er mensen die beweren dat het Leven een boek heeft waar Hij of Zij nauwkeurig bijhoudt wat jij van plan bent. Het Leven ziet er wat verfomfaaid uit volgens een bepaalde groep mensen, terwijl anderen bij hoog en laag beweren dat het Leven zich altijd naar de laatste mode kleedt.

Niemand weet eigenlijk wat of wie het Leven is en wat Hij of Zij met jou, met ons, met mij voorheeft. Ikzelf vind het Leven van onschatbare waarde, maar het Leven heeft ongetwijfeld een paar losse vijzen – waarom regent het alleen als ik geen paraplu bij heb? En waarom is de koffiebar gesloten als ik echt nog wakker moet worden? Waarom is de band van mijn fiets plat als ik hem dringend nodig heb? Waarom werkt de elektriciteit niet als ik om acht uur ‘s morgens catechese moet geven in putje winter? Waarom zit er plots een gat in mijn favoriete jurk?

Ik had veel gesprekken met het Leven. De ene keer was het Leven een oude man in een ziekenhuisbed, klein tussen de witte lakens. De andere keer was Het een vermoeide gitaarspelende jongeling op een afdeling waar hij al een half jaar verbleef. Het Leven was een te vroeg geboren kind, een stiefmoeder die huilde om het zware ongeluk dat haar stiefkind overkomen was, een knuffel achtergelaten bij een beeld van Maria, een klein oud omaatje met een grote stereospeler en grote angstogen, een twaalfjarig meisje met grote en kleine vragen in de catechese… Het Leven heeft het best zwaar, maar het Leven is ook licht en mooi: La Vita e bella…

Het Leven is mooi, klinkt een beetje als een cliché, want tegelijkertijd is het ook onberekenbaar en onverwacht en soms verre van wat we onder ‘mooi’ verstaan. Maar het Leven is in ieder geval ook het licht van de kaarsen en de achtergelaten wensen op het glasraam van een kapel. Het is het bezoek dat een ziekenhuiskamer verwarmt. Het is een extra toetje op de afdeling, binnengesmokkeld door een studente Theologie – als ik hierop aangesproken word, ben ik Oost-Indisch doof. Het is een ontmoeting met mensen die net zoveel op hebben met het Leven als jijzelf.

Als ik denk aan het Leven, denk ik heel hard aan de music video van Sigur Rós – Hoppípolla. Daarmee wil ik deze blog afsluiten en jullie aanzetten om elke dag een beetje rebels te beleven, want een dag niet geLeefd, is een dag verloren. Stampen in die plassen, zou ik zeggen!

https://vimeo.com/3986821

Veel kijkplezier en liefs,

Lieve.

Geplaatst in Leven | Een reactie plaatsen