Een gewone werkdag. Ik zet m’n fiets gezwind in het rek, en kijk even verbaasd. Op het bagagerek van de fiets naast me ligt een duif dood te wezen. Kopje naar beneden, lijfje op het rekje.
Alsof ie net uit de boom is gevallen. Of gesprongen, gevlogen? Was de heilige Geest het beu op onze faculteit en heeft ie ‘de geest gegeven’? Of was het een flauwe studentengrap dat beestje daar te deponeren? Was het de duif van de dramatische falende goochelaar in Toon Hermans’ “Tuif is toot menehr?”
Ik aarzelde, en nam dan voorzichtig – met een zakdoekje uiteraard, want met duiven weet je nooit – de duif op. Zo ‘duif-onwaardig’ lag ie erbij vond ik. Vreemd, zo’n pakje nog warme veertjes, zo’n frêle lichaampje. Ik legde ‘m onder de haag, dicht bij wat bladeren. Daar lag ie rustig.
De volgende dagen parkeerde ik weer gezwind m’n fiets. Zou m’n duif er nog zijn?
Ze lag er nog. Enigszins verbaasd was ik…
Alsof ik verwachtte dat een vriendelijke zwarte tuinman – à la ‘Morgan Freeman’ – na z’n uren het beestje zou zien, en vol compassie zou begraven, als het kon nog met een wit kruisje erbij. Alsof ik dat wel een taak vond voor God… voor een tuinman… voor een ‘Jezus na z’n uren’.
Van dan af parkeerde ik me elke dag, hoe gek het ook klinkt, zo dicht mogelijk bij ‘m’n duif’.
Tot de dag dat ze weg was…
En maar tegen beter weten in, hopen dat het toch Jezus na z’n uren was…