Mijn domein of ons domein? Over coöperatie en complementariteit tussen pastores en psychologen

Auteur: Anne Vandenhoeck. Bron: Pastorale Perspectieven nummer 151, juni 2011, p. 19-29.

Vind hier de pdf-versie van dit artikel.

Inleiding

We geven eerst een korte schets van een aantal ingrijpende veranderingen waardoor de vraag naar de relatie tussen pastores en psychologen actueel is[1]. Een eerste maatschappelijke verandering betreft de belangrijke verschuivingen op levensbeschouwelijk vlak in de laatste decennia. Steeds minder Vlamingen identificeren zich met een levensbeschouwelijke organisatie, zij het de katholieke of protestantse kerk of het humanistisch verbond. Er is een grote groep zinzoekers, men schat ze rond de 40 procent, die voornamelijk uit de christelijke traditie komen en die vaak individueel proberen vorm te geven aan hun spiritualiteit en levensbeschouwing. De vraag stelt zich dan wie voor de spirituele dimensie van deze mensen zorg kan dragen? Er zijn meer en meer psychologen die zeggen dit te doen. Maar ook pastores komen al decennialang in contact met mensen die niet praktiserend zijn of vaag christelijk of uit een christelijke traditie komen, maar deze hebben losgelaten.

Een tweede ingrijpende verandering situeert zich op het vlak van algemene en universitaire ziekenhuizen. Door het kankerplan van minister Onkelinx (2008) zijn psychologen toegevoegd aan de interdisciplinaire teams op oncologische afdelingen. Vanuit de praktijk klinken stemmen door die getuigen van zowel een coöperatief model als van een competitief model tussen pastores en psychologen. De komst van zoveel extra psychologen vraagt een hertekening van de benaderingen in een interdisciplinair team. Vóór 2008 werd vaak door pastores, verpleegkundigen en sociaal assistenten zorg gedragen voor de emotionele of psychische dimensie van de patiënt. Naast de pastor zijn er dus nog andere beroepen die uitgedaagd worden.

Een derde maatschappelijke verandering is de vernieuwde interesse van psychologie en psychiatrie voor zinbeleving. Een recent artikel van professor van Praag in het tijdschrift voor psychiatrie gaat over zingeving en zindeficiëntie en stelt onder meer de volgende vraag: ‘Liggen er binnen het raam van de religieuze spiritualiteit revaliderende mogelijkheden en zo ja, waar eindigt de rol van de psychiater en begint die van de pastor?’[2] Dit is een duidelijke verwoording van een hernieuwde interesse. Toch vallen er vandaag ook nog resten te bekennen van de zeer oude spanning tussen psychiatrie, psychologie en religie. Toen de psychologie zich ontvoogde van de filosofie en de religie, nam ze afstand van het religieuze gedachtengoed, net zoals de psychiatrie dit deed onder invloed van Freud. Die vervreemding speelde lang een rol waarbij in de context van psychiatrie religieuze belevingen bijna per definitie als pathologisch werden bekeken.

Vanuit de kant van de religie werd al eens toenadering gezocht omdat men de kennis van de mens, die voortkwam uit de psychologie, wilde integreren in het eigen denken en doen. Hier ontstond bijvoorbeeld het psychotherapeutisch model voor pastorale zorg, sterk geïnspireerd door Carl Rogers, of de pastorale psychologie die een integratie van psychologie en theologie beoogt. Ganzevoort beschrijft vier manieren om met de spanning tussen theologie en psychologie/psychiatrie om te gaan: distanciëring en afwijzing van de ander, de ander helemaal als leidraad nemen, de ander gebruiken voor de eigen kennis en gelijkwaardige samenwerking[3]. Vooraleer de weg van de samenwerking te verkennen, stellen we de problematiek nog even scherp. Voor wie is spirituele zorg? Voor pastores of voor psychologen of kunnen beide hierin samenwerken?

Een bijkomend aspect van het probleem is - zoals vaker - de verwoording van de identiteit van de pastor. Kennen andere beroepen voldoende de professionaliteit en competenties van de pastor en worden deze niet louter bekeken door een persoonlijke, levensbeschouwelijke bril in plaats van door een interdisciplinaire bril? We willen niet vervallen in een slachtofferrol voor pastores en zien het gebrek aan kennis als een breder probleem in een interdisciplinaire context. Weten we van elkaar wat we doen? Vanuit welk perspectief kijken we naar elkaar? Zijn we vertrouwd met elkaars werkwijze?

Verkenning van een aantal wegen

Vanuit het scherp stellen van de problematiek en onze voorkeur voor een samenwerkingsmodel, willen we een aantal wegen verkennen.

Een eerste weg: een hertekening van beroepen

Het hertekenen van beroepen binnen een interdisciplinaire werking biedt kansen tot groter wederzijds begrip en efficiëntere samenwerking. Met hertekening bedoelen we het opnieuw in kaart brengen en op elkaar afstemmen van de verschillende benaderingen in een interdisciplinair team. Daarvoor zijn er minstens twee voorwaarden nodig.

Voorwaarde 1

Een eerste voorwaarde is dat men dan het eigene van de betrokken disciplines leert onderscheiden. Wat doen psychologen en wat doen pastores? Dat blijkt niet eenvoudig te zijn. In het expertisenetwerk bleken de pastores een ongenuanceerd beeld te hebben van de psychologen en de psychologen bleken geen greep te hebben op de inhoud van het beroep van pastor. Er kunnen zeker ook vooroordelen zijn langs beide kanten. Een gekend vooroordeel tegenover pastores is dat ze volledig te vereenzelvigen zijn met het instituut kerk en zich louter bezig houden met rituelen rond het begin en het einde van het leven. Mooren probeert het onderscheid tussen psychologen en pastores op twee manieren te verwoorden: door het beschrijven van hun referentiekaders en door het omschrijven van hun perspectief, focus en methodiek[4]. We richten ons hier alleen op het beschrijven van de primaire en secundaire referentiekaders van psychologen en pastores.

Een primair referentiekader bepaalt de professionele identiteit en is dus essentieel voor het uitoefenen van het beroep. Het is het geheel van inzichten en opvattingen die de beroepsidentiteit bepalen. Een secundair referentiekader bevat inzichten en opvattingen die niet fundamenteel de beroepsidentiteit bepalen. Mooren stelt dat het primair referentiekader voor pastores de eigen levensbeschouwing is en de wetenschappelijke doordenking daarvan. Dit is voor psychologen eerder een secundair referentiekader. Psychologische kennis is voor pastores een secundair referentiekader terwijl voor psychologen dit natuurlijk het primaire vormt. Een psycholoog zou dus in principe, volgens Mooren, het eigene van zijn of haar beroep kunnen uitoefenen zonder kennis van zingeving en spiritualiteit. Maar we stellen ons dan de vraag wat dit betekent voor de kwaliteit van het geleverde werk? Hetzelfde kan bevraagd worden voor pastores[5].

Het leren kennen van de referentiekaders van de ander is een uitdaging. Pastores hebben het altijd al moeilijk gevonden om hun identiteit te communiceren. Niet omdat ze die niet hebben, wel omdat het moeilijk is deze in een medische, psychologische of economische taal te vertalen. Er ontsnapt dan altijd iets fundamenteels, of zoals pastores zeggen ‘Iemand’ , in de vertaling. Als een pastor antwoordt op de vraag naar haar bijdrage met een ‘ik ga mee op weg met een patiënt’ dan wordt de toehoorder hier niet veel wijzer van. Bovendien komt het wollig, vaag of amateuristisch over, hoewel het past in de geloofstaal van de pastor. Vandaar dat pastores soms liever wegkruipen binnen de eigen niche en weinig zichtbaar zijn in de organisatie. Het is immers niet altijd evident om hiervoor op te komen. Nochtans zijn communicatie, dialoog en afstemming essentieel voor de eigen professionaliteit. Als anderen die niet zien, is het moeilijk erkend te worden. Ook pastores hebben de taak om transparant te zijn, inzicht te geven in hun werk en zo bij te dragen tot optimale kwaliteit van zorg[6]. Pastores kunnen beschouwd worden als zingevingsdeskundigen. Zij zijn gespecialiseerd in hermeneutische vragen rond de betekenis en functie van levensbeschouwing en hebben zich verdiept in de eigen levensbeschouwelijke biografie zodat ze deze kunnen hanteren als instrument in functie van patiënten. Ze handelen en communiceren vanuit authenticiteit en professionele competenties. Pastores werken minder evidence based en pogen zowel presentie als interventies te integreren in hun bijdrage[7].

Voorwaarde 2

Een tweede voorwaarde is dat men het perspectief van terreinafbakening kan loslaten en het gemeenschappelijke tussen psychologen en pastores kan erkennen. Er zijn namelijk inderdaad overlappingen - en maar goed ook want ze zijn wezenlijk. De overlappingen zijn basisconcepten! Beide beroepen zien de mens als een geheel van verschillende dimensies. Het vierdelig concept vanuit palliatieve zorgen wordt door psychologen en pastores aanvaard. Pastores en psychologen delen ook hetzelfde perspectief: we zorgen beter voor de mens als we rekening houden met alle dimensies. Psychologen en pastores delen ook een hermeneutische benadering: ze luisteren naar wat de mens aanbrengt en pogen hem/haar zoveel mogelijk te verstaan, in zijn of haar verhaal te komen.

Overlappingen ontstaan niet alleen door het werken vanuit dezelfde concepten maar ook door de eigenheid van de inbreng van patiënten. Mensen vertellen een verhaal waarin relaties, fysieke pijn, emotionele pijn en zinbeleving door elkaar lopen. Soms moeten pastores eerst door een laag van gevoelens vooraleer ze bij de zinbeleving of zindeficiëntie komen. Omgekeerd zijn er psychologen die de poort van de zingeving gebruiken om te komen tot bij gevoelens en copingsmechanismen. Het geestelijke en psychische moeten niet gezien worden als gescheiden gebieden. Wel zijn ze van elkaar te onderscheiden.

De gemeenschappelijke grond is er dus door de visie op zorg en mens en door het feit dat de mens zelf zich niet in vakjes presenteert. Er is recent nog een derde reden bijgekomen waarom we voelen dat psychologen en pastores dichter bij elkaar gekomen zijn. Nicolette Hijweege verwoordt dat aanvoelen met de uitspraak dat de psychologische kennis of de gevoelstaal gaan deel uitmaken is van het primaire referentiekader van de pastor[8]. De stelling van Mooren is dat pastores en psychologen werken vanuit een primair referentiekader en dat hun samenwerking bepaald wordt door het gebruik van hun secundair referentiekader. Het secundair referentiekader van pastores bevat psychologische kennis. Omdat spiritualiteit vandaag echter voor een groep mensen (patiënten én personeel) verder afstaat van de traditionele religieuze taal, stelt Hijweege dat pastores genoodzaakt zijn om ook in hun primair referentiekader een eerder psychologische taal toe te laten. Want nieuwe vormen van spiritualiteit, die eerder horizontaal dan verticaal zijn, gebruiken een taalveld dat doorspekt is van psychische thematieken. Toch blijven pastores de eigen focus behouden: de gerichtheid op de levensbeschouwelijke, spirituele en religieuze aspecten van het bestaan. Ze worden geen psychologen, alleen moeten ze meer gebruik maken van een horizontale taal.

Maar geldt ook niet het omgekeerde? Hebben psychologen niet omwille van een vernieuwde belangstelling voor zingeving aspecten van hun secundaire referentiekader in hun primaire referentiekader opgenomen? De aandacht van pastores voor psychologie en de aandacht van psychologen voor zingeving kan bekeken worden als vruchtbare grond tot samenwerking.

Een bijkomende vraag is met welke basisattitude we naar elkaar kijken. Met welke blik kijken we naar elkaar? Is de pastor/psycholoog iemand die ons pad ongelukkigerwijze doorkruist? Is het iemand die ons werk doet zonder dat wij het weten? Is het iemand wiens professionaliteit we niet kennen en dus niet waarderen of rekening mee houden? Of is het niet veeleer een kwestie van onbekend is onbemind? Het lijkt ons een eerste wezenlijke stap in de richting van samenwerking: hoe kijk ik naar jou, met welke vooroordelen, informatie, ervaring? We drukken hierbij een fundamentele zorg uit. Het moderne ziekenhuis draait op teamwerking, maar de competentie om in een interdisciplinair team te werken is onderbelicht in opleidingen en vorming.

Een tweede weg: Het beter op elkaar afstemmen van eerstelijns en tweedelijns spirituele zorg

Wanneer, hoe en op basis waarvan verwijzen we door naar elkaar? Samenwerking kan alleen maar als er een betere afstemming is tussen eerstelijns- en tweedelijnszorg. Het gaat bijvoorbeeld niet op om de pastor alleen op aanvraag te laten werken en vervolgens geen enkele screening of vorming in te bouwen waarmee zorgverleners in staat zijn spirituele noden te dedecteren en door te verwijzen. Internationale studies tonen aan dat de tijd lang voorbij is om het belang van de spirituele dimensie in de zorg aan te tonen. Het uitgangspunt in vele van die studies is dat elk teamlid een eerstelijns verantwoordelijkheid voor de spirituele zorg heeft (een interprofessioneel model van spirituele zorg), net zoals elk teamlid een verantwoordelijkheid heeft voor de psychische dimensie en andere dimensies van het mens-zijn. De pastor is dan de getrainde en gevormde expert in het team die de tweedelijnszorg opneemt. In de beste omstandigheden stemmen alle professionals, incluis de pastor, in met het opnemen van de spirituele zorg in de totaalzorg.

De onvermijdelijke vraag is dan wat andere zorgverleners nodig hebben om spirituele competenties te krijgen? Van Leeuwen en Cusveller, in hun onderzoek naar spirituele competenties voor verpleegkundigen, integreren het uitbouwen van een eerste- en tweedelijnszorg[9]. Volgens hen moeten zorgverleners aan de volgende competenties voldoen om in die eerstelijnszorg te kunnen voorzien: De eigen spiritualiteit kennen, kunnen communiceren over spiritualiteit (taal), diagnosticeren van de spirituele dimensie, eerstelijnszorg en doorverwijzen, integreren van de zorg voor de spirituele dimensie. Eerstelijnszorg houdt in dat men de zorg kan afstemmen op de spirituele noden en vragen van de zorgvrager en het eigen aandeel hierin kan omschrijven en uitvoeren. De zorgverlener moet tevens kunnen oordelen wanneer een doorverwijzing naar de pastor gewenst en noodzakelijk is. De volgende stap is de samenwerking met de pastor rond de spirituele noden van de patiënt. In geval van andere levensbeschouwingen moet de zorgverlener ook kunnen doorverwijzen naar personen die andere levensbeschouwingen vertegenwoordigen. Doorverwijzen naar de pastor impliceert dat de zorgverlener op de hoogte is van de eigen benadering van de pastor en ruimte kan geven aan diens professionaliteit.

Concreet model

Het zal al duidelijk zijn dat we een pleidooi houden voor samenwerking en complementariteit tussen psychologen en pastores. Hoe kan een coöperatief-complementair model eruitzien? Als we het bovenstaande ernstig nemen dan moeten pastores op een juiste manier communiceren over wat ze doen zodat anderen weten wanneer door te verwijzen. Juist rond die communicatie zijn er intern verschillende meningen en spanningen bij pastores. Die verschillen en spanningen situeren zich vooral rond de begrippen vrijplaats, biechtgeheim en beroepsgeheim[10]. Als pastores communiceren met andere zorgverleners geven ze dan niet hun vrijplaats en manier van omgaan met het beroepsgeheim prijs?

De vrijplaats is een begrip uit de kerkelijke geschiedenis, dat in oorsprong verwijst naar het vinden van asiel in kerkgebouwen door misdadigers of vervolgden. Vandaag wordt het concept gebruikt om de aard van de relatie te omschrijven die de pastor aanbiedt aan de patiënt. De patiënt kan bij de pastor een vrije, veilige ruimte vinden om zich in vertrouwen uit te spreken zonder dat dit impact heeft op de behandeling en zorg. Volgens de visie van prof. Corveleyn is de vrijplaats van de pastor hier uitdrukkelijk verbonden met haar religieus referentiefiguur zijn. De religieuze traditie benadrukt het belang van een veilige, vrije plaats om over geloof te praten, omdat het religieuze nu eenmaal van een andere orde is dan het seculiere. De vrijplaats van de pastor vloeit ook voort uit haar dubbele loyaliteit. Aan de ene kant is ze aangenomen door de voorziening, aan de andere kant is ze gezonden door de plaatselijke bisschop. De gebondenheid aan geheimhouding in de pastorale relatie wordt vanuit seculiere hoek benadrukt. in de Ministeriële Omzendbrief over de morele, godsdienstige en filosofische bijstand aan gehospitaliseerde patiënten.

Vertrouwelijkheid is niet alleen eigen aan de aard van de pastorale relatie, maar wordt door prof. Corveleyn ook verbonden met de pastor als een excentrische vertrouwenspersoon. De pastor is niet alleen een religieuze referentiefiguur, maar ook een excentrische vertrouwenspersoon voor levens- en geloofszaken. Patiënten wenden zich vaak tot de pastor, omdat die niet tot de kern van het team behoort. Aldus geven de vrijplaats, de traditie van het biechtgeheim, het niet behoren tot het centrum van het team, het verschil tussen de religieuze en seculiere orde het nodige vertrouwen aan de patiënt om bij de pastor aan te kloppen. Vanuit deze fundamentele bouwstenen van het pastoraat kan de pastor het beroepsgeheim slechts in uitzonderlijke omstandigheden doorbreken (en al helemaal niet bij biechtgeheim). Communicatie aan derden over de inhoud van de relatie met de patiënt kan alleen na overleg en met toestemming van de patiënt. Persoonlijk denk ik dat er een verschil is tussen functionele en inhoudelijke communicatie en tussen de praktijk van communicatie met andere zorgverleners in een algemeen ziekenhuis en in een psychiatrisch ziekenhuis. Het volgende citaat van een pastor verduidelijkt dit:

Ik ondervind dat er in het algemeen ziekenhuis waar ik werk een vlottere, nauwere samenwerking is met de psychologen en dat er meer informatie gedeeld wordt dan in het psychiatrisch ziekenhuis. Pastores hebben er inzage in het verpleegdossier, worden verondersteld te noteren op het multidisciplinair blad, zitten mee aan tafel tijdens patiëntenbesprekingen (overdrachten, palliatief supportteam, oncologisch supportteam, geriatrisch supportteam…). In het psychiatrisch ziekenhuis is er haast geen overleg met andere therapeuten en/ of met psychologen. Dat is soms een voordeel (patiënten hebben echt het gevoel dat ze een gesprek hebben van mens tot mens, weg van de therapie, in vertrouwen, zonder dat iemand hun problematiek of levensgeschiedenis reeds kent…), maar vaak ook een nadeel (andere zorgverleners weten helemaal niet waar wij ons mee 'bezig houden', er wordt dus ook heel weinig doorverwezen tenzij voor rituelen (gebed, kaars aansteken…), zin- en levensvragen zijn op sommige afdelingen een blinde vlek in de zorg, (omdat de pastorale zorg niet op de agenda staat).

Zoals het citaat aangeeft en zoals ook duidelijk werd in het expertisenetwerk, wordt de waarde van de vrijplaats momenteel meer afgewogen in relatie tot de waarde van integratie en communicatie. We pleiten voor een functionele communicatie waarbij de pastor de nadruk legt op de eigenheid van haar aanpak en niet op de inhoud. De spanning rond ‘wat zeg ik en schrijf ik over patiënten’ is ook niet vreemd aan psychologen.

Terugkerend naar de samenwerking tussen pyschologen en pastores zouden we enkele modellen willen schetsen waarbij we een duidelijke voorkeur hebben voor een coöperatief-complementair model.

In een coöperatief – complementair model is het mogelijk dat psychologen en pastores dezelfde patiënten zien. Ze kunnen ook naar elkaar doorverwijzen. Ze hebben een vorm van overleg waarin de eigen aanpak duidelijker wordt. De achterliggende visie van dit model is dat zowel pastor als psycholoog de competentie hebben om te werken in team. Dit veronderstelt dat de pastor kan en wil communiceren over de eigenheid van haar bijdrage en dat de psycholoog spirituele competenties heeft. Het vraagt tegelijk zorgvuldigheid om in dit samenwerkingsmodel op een gepaste ruimte met beroepsgeheim en met de ‘vrijplaats’ die de pastor in zekere zin wil bieden, om te gaan. Een coöperatief-complementair model includeert dat er een gemeenschappelijk deel is in het werk van een pastor en psycholoog. Je kan gelukkig bij een patiënt niet zomaar het vakje emoties en coping opendoen of het vakje zingeving zonder een verhaal te horen. In dat verhaal zijn gevoelens, relaties en zingeving vaak met elkaar verweven. Vandaar dat psychologen soms met zingeving moeten bezig zijn en pastores met gevoelens. Dat gemeenschappelijk domein kan alleen maar verrijken. Natuurlijk zal bij de patiënt de titel pastor iets anders oproepen dan de titel psycholoog. Mensen zullen wel eens, niet altijd, andere accenten leggen in hetzelfde verhaal of andere vensters openen op hun innerlijk. Is het bezoek aan een patiënt ook geen momentopname? En is het niet des te beter, in het proces van zorg, dat verschillende momentopnames worden samengelegd? Of anders gezegd: is het niet beter om een multidimensionaal beeld van de patiënt te krijgen waarin zowel het perspectief van de verpleegkundige, de pastor, de sociaal assistente en de psycholoog samengelegd worden? Dit model vooronderstelt communicatie over de interventies en dialoog over de eigenheid.

Er zijn natuurlijk nog manieren waarop psychologen en pastores in eenzelfde voorziening samenwerken. We denken aan een coöperatief-uitsluitend model waarin pastor en psycholoog naar elkaar doorverwijzen wanneer ze dedecteren dat de patiënt baat zou kunnen hebben bij de bijdrage van de ander. Er is een erkenning van de deskundigheid van de ander. Onderling spreken ze af dat de ene dan de begeleiding stopt en de andere het overneemt. Er wordt niet noodzakelijk verder gecommuniceerd over de patiënt tussen beide. Er is geen visie dat de ene deskundigheid de andere aanvult, het is of het ene of het andere. In dit uitsluitingsperspectief kan het ene door het andere vervangen worden. Of zoals die ene sociale assistente lang geleden zei tegen die ene pastor: we doen toch hetzelfde, laten we de patiënten verdelen.

Een exclusief model is er één waarin psychologen en pastores zelden dezelfde patiënten zien en doorverwijzing uitzonderlijk voorkomt. Er wordt weinig rekening gehouden met de deskundigheid van de ander. Gelijkwaardigheid is niet bewust aanwezig en de wederzijdse communicatie is laag. De neiging van pastores om minder op oncologie te komen omwille van de hoge concentratie van zorgverleners rond de patiënt is hier een gevolg van. Hier is geen sprake meer van samenwerking of complementariteit. Eigenlijk gebeurt hier een boedelscheiding: wij werken hier, jullie daar, wij werken overdag, jullie ’s nachts en weekends.

In een competitief model is er zeker geen plaats voor coöperatie, waardering voor elkaars deskundigheid of een perspectief van aanvulling. Hier wordt met argusogen gekeken naar wat de ander doet bij ‘mijn patiënt’. Terreinafbakening is het uitgangspunt. Men beschuldigt de ander van zijn grenzen over te gaan en een deel van het werk van de ander te doen. Men ziet een gemeenschappelijkheid maar in negatieve zin (jij doet wat ik moet doen). Het terrein van de pastor wordt hier bijvoorbeeld verengd door de ander tot het rituele en het expliciet katholieke. Het competitief model is in zekere zin een conflictmodel.

Modellen zijn één bepaalde manier om naar de werkelijkheid te kijken: ze proberen de werkelijkheid te analyseren en te vatten. Maar de werkelijkheid kan complexer zijn en het is dus best mogelijk dat één pastor en één psycholoog verschillende modellen gebruiken in hun samenwerking naargelang de omstandigheden.

Conclusie

Samenwerking begint met elkaar als deskundig te beschouwen. Met andere woorden, elkaars professionaliteit te zien en te waarderen. Een tweede zaak die we bepleiten is dat de coöperatie gebeurt vanuit complementariteit: de ander vult mijn benadering aan. Het is belangrijk dat die complementariteit stoelt op het principe van gelijkwaardigheid. Soms worden bijdragen als complementair maar niet als gelijkwaardig beschouwd. Gelijkwaardigheid wil concreet zeggen dat de plaats van pastor en psycholoog (net zoals van andere beroepen) gelijkwaardig is in het interdisciplinaire team, maar niet gelijk.

Communicatie over de gemeenschappelijkheid en de eigenheid, zij het door een casusbespreking of door wederzijdse presentaties, lijkt een aangewezen middel om tot meer efficiënte samenwerking te komen. Concurrentie staat immers voor een verlies aan energie en samenwerking vanuit complementariteit geeft het meest winst. De ontwikkelingen in gezondheidszorg en levensbeschouwingen zullen waarschijnlijk maken dat de discussie over de relatie tussen psychologen en pastores regelmatig zal blijven opduiken.

Over de auteur

Anne Vandenhoeck is wetenschappelijk medewerker en supervisor aan het Academisch Centrum voor Praktische Theologie te Leuven en stafmedewerker vicariaat Caritas te Brugge. E-mail: Anna.Vandenhoeck@theo.kuleuven.be

  • [1] De maatschappelijke veranderingen werden concreet verwoord in stellingen tijdens de eerste samenkomst van het expertisenetwerk pastores en psychologen. De stellingen kunnen geconsulteerd worden op de Elisabeth website (www.pastoralezorg.be).
  • [2] H.M.VAN PRAAG, Zinverlies, een verwaarloosd onderwerp in de psychiatrie, in Tijdschrift voor Psychiatrie 52 (2010/10), p. 712.
  • [3] R.R.GANZEVOORT, Wat zit er in de linzensoep, in Psyche en Geloof 9(1998/2), 68-82. Zie ook http://www.ruardganzevoort.nl/pdf/1998_Linzensoep.pdf
  • [4] J.H.M. MOOREN, Geestelijke verzorging en psychotherapie, 3de druk, de Graaff, Utrecht, 2008.
  • [5] Om de tweede weg van Mooren te kennen, verwijzen we naar de lezing gegeven door Dr. Anne Vandenhoeck tijdens de studiedag van 7 april 2011, terug te vinden op de Elisabeth site (www.pastoralezorg.be).
  • [6] Tijdens de lezing werd gebruik gemaakt van volgende omschrijving van het pastoraat: De hoofdtaak van pastores in ziekenhuizen is het bezoeken van patiënten en familieleden. Dit gebeurt op verwijzing (van andere zorgverleners), op aanvraag (door patiënt of familie) en door eigen selectie van de pastor. In het contact luistert de pastor doorheen de beleving en verhalen van de patiënten naar wat zich beweegt op het vlak van zingeving, spiritualiteit en geloof. Met die inhoud wordt door de pastor gewerkt waarbij hij/zij gebruik maakt van de eigen spiritualiteit en de wetenschappelijke doordenking daarvan. Regelmatig wordt dit werken vertaald in gebed, rituelen of sacramenten. Er wordt ook aandacht aan gegeven in de context van zingevingsgroepen in een psychiatrisch ziekenhuis.
  • [7] N. HIJWEEGE, 'Wat betekent dat' en 'Waar staat dat voor'?, in Psyche&Geloof 21(2010/3) 196-212.
  • [8] N. HIJWEEGE, 'Wat betekent dat' en 'Waar staat dat voor'?, in Psyche&Geloof 21(2010/3), p. 209.
  • [9] R. VAN LEEUWEN & B. CUSVELLER, Verpleegkundige zorg en spiritualiteit. Professionele aandacht voor levensbeschouwing, religie en zingeving, Lemma, Boom, 2005.
  • [10] Er zijn verschillende strekkingen onder pastores rond het begrip vrijplaats en er is vaak een verschil in het denken over en toepassen van de vrijplaats tussen algemene en psychiatrische ziekenhuizen.

naar boven