Tekst: Werkgroep pastores GGZ bij de Broeders van Liefde. Dit artikel verscheen eerder in Pastorale Perspectieven nummer 151.
De introductie van het elektronisch patiëntendossier (EPD) als communicatiemiddel ter ondersteuning van de interdisciplinaire samenwerking in de voorzieningen geestelijke gezondheidszorg stelt alle zorgverleners voor de uitdaging van een passende, ethisch verantwoorde omgang met dit medium. Deze invoering doet onder andere ook de vraag rijzen naar het al dan niet deelnemen van pastores aan de communicatie via dit EPD.
Gedurende het werkjaar 2009-2010 heeft de werkgroep pastores uit de voorzieningen Geestelijke Gezondheidszorg bij de Broeders van Liefde zich uitvoerig over deze laatste vraag gebogen. Het gesprek hierover bracht uiteenlopende bedenkingen en zorgen aan de oppervlakte. Met betrekking tot deze thematiek zochten we naar een consensus. Het werd een moeizame evenwichtsoefening.
Deze concrete vraag naar het al dan niet communiceren met andere hulpverleners via dit medium bracht de werkgroep immers onvermijdelijk terug bij het meer fundamentele gesprek over een aantal voorafgaande en onderliggende vragen[1]:
Dit gesprek bracht de werkgroep op zijn beurt terug bij het klassieke pastorale spanningsveld tussen vrijplaats en integratie. Een in discussies onder pastores telkens weer terugkerend spanningsveld waarin de zoektocht aan de orde is naar een evenwicht tussen[2]:
Dit gesprek deed de werkgroep tegelijk ook weer reflecteren over het hier niet los van staand spanningsveld tussen de twee fundamentele rollen die Jos Corveleyn in een ondertussen klassiek geworden artikel[3] toekent aan pastores in de geestelijke gezondheidszorg:
Na uitvoerig deze spanningsvelden doorlopen te hebben en in voortgezette dialoog gezocht te hebben hoe pastores zich hierin vandaag binnen een snel veranderende cultuur en zorgcontext best positioneren, hebben we als werkgroep pastores een fundamentele keuze gemaakt. We hebben ervoor geopteerd om in deze spanningsvelden meer dan voorheen de kaart te trekken van de integratie.
Geconfronteerd met de levensbeschouwelijk enorm evoluerende cultuur waarin we leven, met het organisatorisch snel veranderende zorglandschap waarbinnen we actief zijn en met de in de zorgrelatie toenemende vraag naar aandacht voor zinbeleving en betekenisgeving kiezen we ervoor om meer dan voorheen het accent te leggen op integratie van en samenwerking in de zorg voor zingeving als een gedeelde opdracht.
Balancerend tussen de diverse posities binnen de genoemde spanningsvelden opteren we meer bepaald voor een overwogen samenwerkingsintegratie[4] waarbij de pastor weliswaar geen lid is van het interdisciplinaire team, maar als lid van het interne, interdisciplinaire netwerk rond de cliënt met dat team samenwerkt en dus ook communiceert – zonder daarbij de eigenheid en vertrouwelijkheid van het pastorale gesprek in het gedrang te brengen.
Die keuze voor een overwogen samenwerkingsintegratie maken we vanuit de overtuiging dat op deze manier de zorg voor zinbeleving en betekenisgeving, voor existentiële en spirituele vragen bij de cliënten het best gediend zal zijn. We maken die keuze vanuit de overtuiging dat zij naar de toekomst toe de meeste garanties biedt voor een zo breed mogelijk gedragen en zo kwaliteitsvol mogelijke behartiging van deze belangrijke dimensie van de totaalzorg.
In deze keuze om meer de kaart te trekken van de integratie van de pastorale zorg en hierover dus ook systematischer te communiceren met het interdisciplinaire team willen we tegelijk de vertrouwelijkheid en intimiteit van wat zich in een pastorale begeleiding aandient en de vertrouwensrelatie die hierin van oudsher het fundament vormt, zo goed mogelijk blijven garanderen en behoeden.
De recente nota van de Begeleidingscommissie ethiek in de geestelijke gezondheidszorg bij de Broeders van Liefde over het uitwisselen van informatie bij het samenwerken in de geestelijke gezondheidszorg lijkt ons hiertoe de nodige kapstokken te bieden[5]. We verwijzen hierbij onder andere naar het accent dat deze nota legt op zorgvuldigheid en transparantie bij het uitwisselen van informatie. Meer bepaald herinneren we hier graag aan:
Omdat dit behoeden van vertrouwelijkheid en vertrouwen vanuit een pastoraal perspectief zo wezenlijk is, geven we hierbij aanvullend vanuit dit perspectief graag ook de zeven richtlijnen mee die Martin Walton vanuit het overleg binnen een groep Nederlandse geestelijk verzorgers op een rijtje gezet heeft met betrekking tot het gebruik van het EPD door geestelijk verzorgers[6]. We geven deze zeven richtlijnen hieronder beknopt mee:
We zijn er van overtuigd dat deze beide adviezen pastores voldoende kapstokken bieden om binnen de optie om meer geïntegreerd aan pastorale zorg te doen en in de samenwerking hieromtrent informatie uit te wisselen met het interdisciplinaire team, toch voldoende zorg te dragen voor de vertrouwelijkheid van wat in het pastorale gesprek aan bod komt en voor het vertrouwen dat het fundament vormt van elke pastorale begeleidingsrelatie.
Met het oog op een passende aandacht voor de dimensie van zingeving en bestaansvragen in de totaalzorg, in het licht van de fundamentele keuze vanuit pastorale hoek voor een weloverwogen samenwerkingsintegratie en vanuit de aangehaalde overwegingen over het zorgzaam omgaan met het uitwisselen van informatie adviseert de werkgroep om in het EPD structureel ruimte te voorzien voor het delen van relevante informatie tussen pastores en het behandelend team.
Concreet adviseert de werkgroep hierbij een getrapte manier van werken met dit medium:
Aan deze adviezen die te maken hebben met het structureel voorzien van de mogelijkheid om via het EPD informatie te delen, koppelt de werkgroep het advies om bij het gebruik hiervan en in het concrete lezen en schrijven in het EPD ethisch en pastoraal verantwoord met deze mogelijkheid om te gaan. De hierboven onder punt 4 aangehaalde overwegingen en – heel in het bijzonder – de transparantie hierover naar de cliënt dienen hierbij steeds als criterium voor het al dan niet gebruiken van deze mogelijkheid gehanteerd te worden.
De werkgroep beseft dat het voorgaande een accentverschuiving inhoudt die bij een te snelle of ongenuanceerde lezing als een koersbreuk zou kunnen overkomen. In continuïteit met het verleden beklemtoont de werkgroep daarom haar blijvende zorg voor het zo veel mogelijk behoeden van de vrijplaatsfunctie van het pastorale gesprek. Tegelijk onderstreept zij dat voor haar in het veranderende zorglandschap de hierboven beschreven keuzes noodzakelijk zijn met het oog op een blijvende kwaliteitsvolle pastorale zorg als belangrijk onderdeel van een werkelijk integrale zorg die naam waardig.
De werkgroep beseft dat met het voorgaande niet het laatste woord gezegd is over deze materie. Nu begint, zowel voor de pastores als voor hun gesprekspartners, de periode van het leren werken met dit medium en – vooral – van het samen aftasten hoe men met dit medium omgaat, welke informatie men kan delen, in welke mate dit mogelijk is en onder welke bewoordingen men dat doet. Een proces van tasten en zoeken dat de nodige ruimte moet krijgen en ongetwijfeld tot een verfijning van het bovenstaande zal leiden.
Opgemaakt september 2010
De auteurs: Casteur, Lut; Cornette, Katrien; De Coninck, Rik; Devos, Wouter; Dehoperé, Paul; de Waele, Mieke; Doll, Peter; Hooft, Dirk; Kerckhof, Rita; Lecluyse, Dries; Maenhaut, Luc; Malfliet, Paul; Minnaert, Koen; Smets, Guido; Van Capellen, Greet; Vandebroek, Karen; Vanden Thoren, Jean; Van Hilst, Leen; Van Kerckhove, Jozef; Vermeren, Sylvie; Verrelst, Marijke; De Fruyt, Koen (voorzitter en eindredacteur)