Verslag studiedag Ontsluitende zorg (17 februari 2011)

Op 17 februari 2011 vond de studiedag 'Ontsluitende zorg. De toekomst van het pastorale beroep' plaats vanuit de vzw UCSIA in samenwerking met onder meer Caritas Antwerpen, DNGW en Kerk onder stroom. Elisabeth was aanwezig en schreef een verslag van de voormiddag.

Inleiding Mgr. Luc Van Looy (bisschop Gent)
Mgr. Van Looy, bisschop-referendaris voor de caritas-sector, leidde de studiedag in. Hij wees erop dat binnen het pastorale beroep de professionaliteit voorop staat. Hij wees dan onder meer op de noodzaak van een empathische houding bij de pastor en het willen klaar staan voor de zorgbehoevende . “Bij pastorale zorg staat de integrale mens centraal en staat de integriteit in de benadering voorop.” Voor Mgr. Van Looy is ook de identiteit van de pastor een belangrijk gegeven. Voor hem is een pastor een “gezonde christen” die Jezus Christus als prototype heeft. “Een pastor is iemand die hoop kan bieden en getuige is van de woorden van het evangelie. Hij brengt barmhartigheid tot leven.” Volgens Mgr. Van Looy staat een pastor ook open op gemeenschap, doelend hier op de band tussen zorg en samenleving en tussen zorg en kerk-zijn. Tot slot haalde hij ook  de profetische en corrigerende functie van de pastor aan: “Een pastor is een medebestuurder van de instelling, die garant staat voor de christelijke identiteit, meewerkt aan verandering binnen de voorziening en op die manier corrigerend kan te werk gaan binnen het project van de instelling.”
Dominiek Lootens (Verantwoordelijke Caritas-Antwerpen en DNGW)
Dominiek Lootens startte zijn uiteenzetting met een omschrijving van wat professionals zijn: “Professionals zijn vakmensen met een behoorlijke zelfstandigheid en een stevige opleiding. Hij omschreef de pastor als professional (binnen een specialisme), de pastor als medemens (geïnspireerd op het presentiepastoraat van Andries Baart) en de pastor als ambtsdrager (representant van de kerkgemeenschap, religieuze referentiepersoon). Volgens hem ligt de uitdaging erin om deze drie rollen in evenwicht te houden. Hij ging vooral dieper in op de professionalisering van het pastor zijn. Dat de context professionaliseert schrijft hij toe aan verschillende elementen zoals: de integrale zorg, het specialisatieaspect, de interdisciplinaire samenwerking, werken binnen een pluralistische context, het deel uitmaken van het management en de vermarkting (het effectiviteitsdenken dat ook zijn weg gevonden heeft binnen het pastoraat: hebben we tevreden klanten? Ook het feit dat de vraag gesteld wordt: ‘Kunnen wij ons handelen verantwoorden”, wijst volgens hem op professionalisering. “Professionalisering houdt het steeds willen groeien binnen de instelling in, het opnemen van verschillende taken binnen de organisatie.” Verder wees hij er nog op dat de professionele cultuur ook zijn weerslag vindt in het ontwikkelen van modellen en praktijktheorieën als toetssteen van het eigen functioneren. Bekende modellen zijn het conceptuele model, het narratieve model, het multidimensionale model en het presentiemodel.
Axel Liégeois (K.U.Leuven)
Prof. Axel Liégeois is coördinator van de onderzoekseenheid pastoraaltheologie van de K.U.Leuven en werkt als ethicus bij de Broeders van Liefde. Hij is sterk begaan met de ethische aspecten van pastoraat in de gezondheidszorg.
Axel Liégeois’ discours bouwt zich op rond het spanningsveld identiteit-pluraliteit. Volgens hem heeft er binnen de zorg de laatste decennia een kanteling plaatsgevonden van aanbodgestuurd naar vraaggestuurd werken en moet dit gegeven dan ook geïmplementeerd worden binnen de pastorale zorg. Dit houdt in: “Vertrekkend vanuit zinbeleving van zorgontvanger”. Deze fundamentele visie is opgebouwd rond wat hij noemt: de integrale zorg, de spirituele zorg en de pastorale zorg. Hieruit ontwaart hij vijf uitdagingen voor het pastoraat van vandaag:
1.      Hoe geef je binnen de integrale zorg voor de mens vorm aan de identiteit van de pastorale zorg?
2.      Hoe geef je binnen de geïntegreerde zorg (vb. samenwerking tussen beroepsgroepen) vorm aan de identiteit van de pastorale zorg?
3.      Hoe geef je binnen de ontwikkeling van management binnen de zorg (invloed van profit-management op not for profit-zorgvoorzieningen) vorm aan de identiteit van de pastorale zorg?
4.      Hoe geef je binnen de levensbeschouwelijke pluraliteit (de-traditionalisering en de-institutionalisering van levensbeschouwingen) vorm aan de identiteit van de pastorale zorg?
5.      Hoe geef je binnen de ontwikkeling naar pluraliteit in spirituele zorg (veelheid van erkende levensbeschouwingen en erediensten) vorm aan de identiteit van de pastorale zorg?
 
Hij wijst erop dat door de wending van homogeniteit naar pluraliteit (overheid erkent acht erediensten), vooral de professionele verantwoording centraal komt te staan, eerder dan de ambtelijke verantwoording, die vooral in de binnencirkel geldt. De consequenties stapelen zich op: (1) de pluraliteit moet erkend en geïntegreerd worden. (2) Er treedt daarnaast minder identificatie op met kerk en ambt. (3) Het pastor-zijn vraagt ten derde om meer professionele samenwerking en verantwoording. En ten vierde vindt er op het vlak van zinbeleving een herfocussen plaats op het empowerment van de zorgontvanger (mensen die zinvragen hebben, hebben meestal ook zinantwoorden en volgens Liégeois is het aan de pastor om dit te exploreren). Wat het pluraliteitsgegeven betreft pleit hij ook voor een “brede doelgroep” : “pastorale zorg voor alle zorgontvangers, ongeacht levensbeschouwelijke of religieuze overtuiging”. In deze visie is de katholieke identiteit de geprivilegieerde positie is van de pastorale zorg (ten opzichte van bijvoorbeeld humanistische geestelijke verzorging).  
 
Liégeois vervolgt met vast te stellen dat de pastor geen monopolie heeft op het vlak van zingeving. Hij duidt dit met te zeggen dat bijvoorbeeld een arts zin kan geven aan het lijden door een ziekte te benoemen, of een psycholoog die zin geeft aan iemand psychische problemen door hem op te nemen in zijn instelling etc. Maar hij verduidelijkt dat de positie van pastor als religieuze referentiepersoon andere vragen ontlokt naar zinbeleving die een ander antwoord impliceren dan de vragen aan een arts of een verpleegkundige.  Liégeois geeft vier vlakken aan waarop zinbeleving kan plaatsvinden:
·         Lichamelijk-fysiek-somatisch (vb. sport)
·         Sociaal-contextueel (vb. werk, collega’s, vrienden, familie etc.)
·         Psychisch (vb. goede geestelijke gezondheid)
·         Spiritueel-existentieel (vb. spiritueel referentiekader dat zin geeft)
·         Het voorgaande leidt tot de volgende definitie van pastorale zorg:
 
“Het is een professionele en versterkende zorg voor (intuïtieve en geduide) zinbeleving van de zorgontvanger,ongeacht de levensbeschouwelijke overtuiging van zorgontvanger, dit vanuit een christelijk referentiekader van de pastor, met openheid voor andere spirituele referentiekaders.” De identiteitsbepalende elementen binnen deze omschrijving situeren zich op het vlak van de persoon (vanuit de christelijke spiritualiteit), op het vlak van de professionaliteit (met kennis van christelijke en spirituele referentiekaders) en op het vlak van het ambt (in verbondenheid met christelijke gemeenschap).
 
Tot slot benadrukt Liégeois nog het onderscheid tussen het primaire en secundaire referentiekader binnen een interdisciplinaire samenwerking. Zo staat binnen de zorg de integrale mens zowel centraal voor een arts als voor een pastor, maar het primaire en secundaire referentiekader verschilt wel. Pastores hebben primair het christelijke en andere spirituele referentiekaders en bezitten psychosociale gespreksvaardigheden. Hun secundaire referentiekaders zijn de lichamelijke, psychische en contextuele kaders. Andere zorgverleners hebben als primair referentiekaders het lichamelijke, psychische of contextuele kader en secundair de spirituele referentiekaders. “Interdisciplinaire samenwerking ziet er dan ook zo uit dat elke beroepsgroep zorgt draagt vanuit het eigen primair referentiekader en de vertrouwdheid met secundaire referentiekaders.” Bij zorg vanuit secundaire referentiekaders moet men bij incompetentie doorverwijzen.
 
Dit verslag beslaat een groot stuk van prof. Axel Liégeois’ uiteenzetting. Voor de volledigheid verwijzen we ook naar zijn powerpoint, die vindt u hier. (binnen enkele weken ook ontsloten binnen Elisabeth).
 
Carlo Leget (Tilburg)
 
Universitair hoofddocent Carlo Leget is als ethicus verbonden aan de universiteit van Tilburg. Zijn focus ligt op morele vragen rond het levenseinde, levenskunst & stervenskunst en spiritualiteit in de palliatieve zorg.
 
Carlo Leget vat aan met een overzicht te geven van veranderingen in de zorg (Grit/Dolfsma 2002). Je ziet duidelijk een verschuiving van zorg die georganiseerd wordt vanuit een specifieke levensbeschouwing (eerste helft 20e eeuw) naar een medicalisering van de zorg (vanaf jaren vijftig), tot in de jaren tachtig waar zorg plaatsvindt binnen een economisch-politiek taalspel. Leget merkt op dat je hierdoor te maken krijgt met botsende logica’s. Vandaag is de politiek-bestuurlijke logica dominant, die doorspekt is van economisch marktdenken. Hierbinnen moet de pastor zijn of haar eigen logica proberen binnen te brengen. Leget stelt de vraag hoe je hierbinnen kan zorgen dat je als pastor niet weggedrukt wordt. Met Harry Kunneman onderscheidt Leget drie vormen van kennis: (1) academisch objectiverende kennis, (2) praktisch toegepaste kennis en (3) kennis uit drie vragen rond de brandpunten: eindigheid en verlies, geweld, macht, onmacht, uitsluiting en onvervuld verlangen (niet te stillen door geld). De derde vorm van kennis heeft volgens Leget de grootste kans om overboord gegooid te worden, “maar net dit mag niet weggegooid worden, want het onderscheidt ons als pastores. We mogen ons niet laten meetrekken door de snelle oplossende tendens”. Hij merkt ook op dat wat men noemt de ‘evidence based medicine’ zelf ook een mix is van verschillende soorten kennis, wat volgens Leget openingen kan creëren om het gesprek aan te gaan met mensen die telkens die term hanteren.
 
Leget lanceerde ook de volgende stelling: “De pastor heeft een unieke positie in de gezondheidszorg. Maar de (onderscheidende) eigenheid die het bestaansrecht garandeert is tegelijkertijd een bron van spanningen. Er is in onze tijd geen comfortabele positie meer. Het is de kunst (en uitdaging) om de spanningen vruchtbaar te gebruiken zodat er een meerwaarde zichtbaar blijft.” Het eigene van de pastor ligt volgens Leget op drie vlakken: de inhoud, de werkwijze en de positie. Inhoudelijk meent hij dat de pastor eerder gericht is op het begrijpen dan op het verklaren en dat het niet zozeer gericht is op het kennen van het transcendente, maar om het erin geloven, erop te vertrouwen. Qua werkwijze benoemt hij een gelaagde taal ipv een eenduidige taal, het ritueel niet als oplossing, maar als beleving en het aanwezig-zijn eerder als presentie dan als interventie. De positie van de pastor bestaat ook uit een drieluik: een vrijplaats zonder een eiland te zijn, de focus op zowel patiënt alszorgverlener en zowel deeluitmakend als los van organisatie (onderdeel en tegenover).
 
Leget put enorm veel inspiratie uit bruggenbouwers, mensen die zowel kaas gegeten hebben van het pastor-zijn als van bijvoorbeeld het arts-zijn (vb. broeder-arts).
 
Hij vraag zich ook af of het format van een richtlijn past bij spirituele zorg. Hij haalt zowel positieve als negatieve aspecten aan (zie ook: www.pallialine.nl).
·         Nee
o    Knieval voor medische model
o   Wanneer kwalitatieve zorg voor een persoon voorop staat, valt dit moeilijk te rijmen met een richtlijn.
·         Ja
o   Om een plek te winnen moet je benoembaar en zichtbaar zijn, je ruimte claimen.
o   Op die manier heb je een soort basistekst met vertrekpunten (waarmee je naar een manager kan stappen om bijvoorbeeld ‘uren’ te claimen.)
·         Leget geeft ook een omschrijving van wat spiritualiteit volgens hem is. Ze luidt als volgt: Spiritualiteit is de dynamische dimensie van het menselijke leven die verband houdt met de wijze waarop personen (individu en gemeenschap) betekenis, doel en transcendentie ervaren, tot uitdrukking brengen, en/of zoeken en de wijze waarop zij in verbinding staan met het moment, met zichzelf, met anderen, met de natuur, met datgene wat betekenisvol en/of heilig is. Komende bij het punt hoe concreet zo een richtlijn dan wel moet zijn, onderscheidt hij drie elementen:
1.      Er moet aandacht zijn voor verschillende betekenislagen
2.      De pastor moet omgaan met vragen waarop geen antwoorden te geven zijn (presentie)
3.      De pastor moet aandacht hebben voor het spirituele proces (van normale worsteling tot crisis)
 
Het hebben van gerichte aandacht vorm voor hem de basis van het pastoraal handelen. Het luisteren gebeurt volgens hem in verschillende laagjes:
1.      Beschrijving van de werkelijkheid (somatisch)
2.      Ervaring en emoties (psycho-aspect)
3.      Verbinding met levensverhaal en identiteit (sociaal)
4.      Wat zijn de krachtbronnen, de inspiratie… (spiritueel)
 
De positie van spiritualiteit bevindt zich volgens Leget te midden van de andere elementen (psycho-aspect, fysieke en sociale aspect). Als voorbeeld spreekt hij over rouwen, dat zowel psycho-aspecten (verdriet, angst, agressie, schuld, machteloosheid, verwardheid, gespannenheid, concentratieverlies) als fysieke (slaapproblemen, eetlust, hoofdpijn, energie verlies) als sociale aspecten (teruggetrokkenheid, vermijden situaties, eenzaamheid), die uiteindelijk samen mee bepalen hoe de situatie spiritueel vertaald wordt (spiritualiteit die optreedt na verlies van een persoon met wie een betekenisvolle relatie bestond.)
 
Onderstaand schema van Leget geeft weer wie er allemaal met spiritualiteit moet bezig zijn en hoe de beroepen zich tot elkaar verhouden:
 
 
De eigen werkwijze van de pastor presentie plaatst hij in contrast met interventie:
 

Interventie
Presentie
 
“Oplossingsgericht
handelen”
 
“Aanwezig zijn”
Probleem analyseren en
reduceren (=onteigenen)
Aandachtige betrekking
 
Band met grote vragen
(functioneel) doorsnijden
 
Hele leefwereld
meenemen
 
Tragiek valt buiten de
verantwoordelijkheid
 
Tragiek blijft in beeld
 

 
Zijn visie is dat we spirituele zorg moeten waarmaken:
·         door evidence: het realiseren van systematische kennisontwikkeling op het gebied van spirituele zorg. Randvoorwaarden: afstemming en zo mogelijk samenwerking tussen universiteiten, hogescholen, onderzoeksinstituten etc. om te komen tot een samenhangend onderzoeksplan voor onderwerpen op het gebied van spirituele zorg.
·         door praktijkvoorbeelden: het realiseren van zorgpraktijken waarin interdisciplinaire spirituele zorg structureel ingebed is in de palliatieve zorg. Randvoorwaarden: het bij elkaar brengen en ondersteunen van organisaties en zorgverleners die werk willen maken van zorg waarin de aandacht voor levensvragen integraal deel uitmaakt.
·         door het toepasbaar te maken: het ontwikkelen van competenties bij zorgprofessionals en vrijwilligers voor het verlenen van spirituele zorg. Randvoorwaarden: erkenning en herkenning door betrokken beroepsgroepen en vrijwilligers dat spirituele zorg een integraal onderdeel uitmaakt van hun werk en dat daar specifieke, deels trainbare, competenties voor nodig zijn. Voortrekkers binnen die zorgverlenergroepen moeten ondersteuning kunnen krijgen bij het vertalen van algemene competenties naar hun specifieke achterban.
·         door het meetbaar te maken: opname van spirituele zorg als kwaliteitsindicator in kwaliteitszorgsystemen van zorgorganisaties. Randvoorwaarden: overzicht van relevante kwaliteitszorgsystemen en de plaats die aandacht voor levensvragen daarin inneemt. Vervolgens kan van hieruit spirituele zorg een integraal onderdeel van kwaliteitszorg worden.
 
Iemand die met spiritualiteit bezig is, zoals een pastor, moet volgens Leget kunnen “schakelen” tussen religie, ethiek (handelen) en mensbeeld (vaak van mensbeeld terugkoppelen naar religie of naar ethiek). Tot slot geeft hij nog belangrijke opgaven voor de toekomst mee: legitimering (kerk-wetenschap) en imago
 
Dit verslag beslaat een groot stuk van prof. Carlo Legets uiteenzetting. Voor de volledigheid verwijzen we ook naar zijn powerpoint, die vindt u hier. (binnen enkele weken ook ontsloten binnen Elisabeth).
 
Doris Nauer
 
Prof. Doris Nauer is arts en pastoraaltheoloog en als professor verbonden aan de theologische faculteit van de Philosophisch-Theologische Hochschule Vallendar (Duitsland) waar zij vooral werkt rond pastoraat in de gezondheidszorg.
 
Volgens Nauer kan pastorale zorg enkel geloofwaardig zijn wanneer het ten diepste verbonden is met het christelijke Gods- en mensbeeld.  Doris Nauer opteert niet voor de term pastor, maar wel voor ‘zielzorger’. Ze ziet de mens als een ‘levende ziel’, een door God gewild wezen, een zielwezen. Hierbij probeert ze elk dualistisch denken (onderscheid ziel/lichaam) te overstijgen. “We moeten ons lichaam als tempel van de Heilige Geest verzorgen.” Voor haar mogen we de termen psyche en geest ook niet met elkaar verwarren. Psyche heeft volgens haar te maken met meetbare vaardigheden. (IQ, EQ, gedragsvaardigheden). Geest gaat dan om niet-meetbare vaardigheden. De spiritus noemt ze de transcendentale openheid van mensen, hun geloofsvermogen. De mens heeft volgens haar spirituele antenen, droomvleugels. “De meeste mensen weten niet eens dat ze droomvleugels hebben, het is aan de pastor dit te exploreren.” Een zielwezen is voor haar een totaalbegrip dat bestaat uit lichaam, geest en psyche. De taak van de pastor bestaat erin de hele mens als zielwezen serieus te nemen. Ze zegt ook overtuigend dat iedereen beeld van God is, wat voor ieder een verantwoordelijkheid met zich meebrengt om de wereld leefbaar te maken. Ze vergeet hierbij niet de gebrokenheid bij ieder te vermelden en de rol van het christendom hierbinnen. “De kernboodschap van het christendom is de verlosser, Jezus Christus, die iedereen verlost heeft, waardoor iedereen diep van binnen een geheim in zich draagt (het zit in de mens als zielwezen).
 
De aspecten van het pastor-zijn situeren zich volgens haar rond:
·         het spiritueel-mystagogische: samen met mensen sporen van Gods geheim ontdekken in hun leven. Mensen  helpen een taal te vinden om dat te verwoorden. (vb. droomvleugels laten ontdekken, verlossingsboodschap laten voelen als missionaire kracht van het christendom.) Mensen ook met zonden leren omgaan…
·         het heilzame: de juiste verhouding tussen nabijheid en distantie. Het voorzichtig omgaan met mensen. Soms ook humor gebruiken, speelsheid. Mensen vinden zin, samen met de pastor. Dus niet pastor als enige zingever, een pastor is ook een zinvinder, het is een gezamenlijk gebeuren. Onder dit aspect vermeldt ze ook: het vreemd-zijn van de andere uithouden en mensen aanmoedigen om goed voor zichzelf te zorgen als zielwezens.
·         het diaconische: zorg aan mensen en aan structuren. Centraal hierbij staat de vraag: blijft de waardigheid van de mens overeind en niet de efficiëntie van de structuren.
 
Voor Nauer is pastorale zorg een zorg die kijkt hoe systemen kunnen bijdragen tot menswaardigheid en kritiek kan leveren als systemen dat niet doen. Daarnaast wijst ze er ook op dat pastorale zorg de taak heeft de christelijke identiteit van het geheel naar buiten te dragen (belangrijke rol om te laten zien wat christelijk zijn betekent.) In die zin is iedere pastor ook profeet, maar ook niet uitsluitend dat. Ze gebruikt hierbij het beeld van een pastor als jongleerder. De pastor als teamspeler die moet zorgen dat verschillende ballen rondgespeeld raken.
 
Professor Nauer stelt de powerpoint van haar uiteenzetting enkel ter beschikking van de deelnemers aan de studiedag en kiest er daarom voor om haar presentatie niet op een publiek toegankelijke website te plaatsen. Deelnemers die de powerpoint willen ontvangen, mailen naar Liesbeth.Pulinckx@theo.kuleuven.be
 
 
Vind hier de link naar de spirituele checklist (een van de werkwinkels op de studiedag Ontsluitende zorg)