Preventie van zelfdoding

Nummer 150 van Pastorale Perspectieven is gewijd aan suïcide. Het kwam eind maart, begin april 2011 uit. Hieronder vind u uit deze PP een artikel van Grieke Forceville en een reactie daarop van Maaike Verbruggen. 

Preventie van zelfdoding. Wat kan een pastor betekenen?

GRIEKE FORCEVILLE studeerde Godsdienstwetenschappen en Toegepaste Ethiek aan de KU Leuven en volgde enkele jaren later de opleiding Management in de Welzijns- en Gezondheidssector aan Ehsal, Brussel. Toen zij in 1998 haar licentiaatsverhandeling over zelfdoding bij jongeren schreef, kwam zij voor informatie terecht op het Centrum ter Preventie van Zelfdoding (CPZ), waar zij in 1999 als vrijwilliger startte. In 2000 werkte zij in het CPZ aan een onderzoek naar de zorgbehoeften van nabestaanden na zelfdoding. Sinds 2002 is zij directrice van het CPZ.

In 2008 stierven in Vlaanderen 1027 personen door zelfdoding (Agentschap Zorg en Gezondheid, 2008). Dagelijks plegen in Vlaanderen drie personen zelfdoding. Het aantal suïcidepogingen ligt veel hoger, een meervoud van tien tot vijftien maal het aantal zelfdodingen. Uit de Belgische Gezondheidsenquête 2008 blijkt dat 12% van de bevolking van 15 jaar en ouder minstens eenmaal tijdens het leven ernstig aan zelfdoding denkt.

Wanneer iemand zelfdoding pleegt, zoekt de omgeving naar een antwoord op het waarom. Al te vaak wordt een ‘schuldige’ gezocht. Maar zelfdoding is een complex probleem en er is nooit één oorzaak of verklaring. De diepe levenspijn die mensen kunnen ervaren, laat zich niet verklaren door een slechte ervaring of een kwaad woord. Evenmin zijn er simpele manieren om zelfdoding te voorkomen.

Wil dit zeggen dat we machteloos moeten toekijken wanneer mensen in wanhoop een eind aan hun leven willen maken? Neen, dankzij jarenlang wetenschappelijk onderzoek en decennialange ervaringen van hulpverlening hebben we voldoende kennis over de risicofactoren (wat verhoogt het risico op zelfdoding?) en beschermende factoren (wat kan mensen mogelijk tegenhouden?). Zo kunnen ook pastores, pastoraal werkers en ziekenhuispastors een belangrijke rol spelen in het voorkomen van zelfdoding. Ze kunnen enerzijds de ontwikkeling van bepaalde risicofactoren verhinderen. Anderzijds kunnen zij belangrijke beschermende factoren bevorderen. Bovendien kunnen ze signalen leren herkennen om zo tijdig in te grijpen wanneer suïcidaal gedrag voorkomt. We willen in dit artikel vooral de preventie van zelfdoding toelichten en aangeven welke houding en vaardigheden daarbij van pas komen. Maar eerst zullen we kort stilstaan bij wat zelfdodingsgedrag inhoudt en wat mogelijke verklaringen voor dit gedrag zijn.

Verklaringen voor zelfdodingsgedrag

Suïcidaal gedrag ontstaat wanneer er sprake is van een gelijktijdige aanwezigheid van risicofactoren en afwezigheid van beschermende factoren. Risicofactoren vormen de draaglast die een persoon moet dragen. Beschermende factoren kunnen de draagkracht versterken. Het voorkomen van risicofactoren en het versterken van beschermende factoren zijn beide essentieel voor de preventie van zelfdoding. Globaal genomen kunnen de risicofactoren voor zelfdoding worden onderverdeeld in biologische, psychologische, sociale en psychiatrische factoren.

Risicofactoren

Biologische risicofactoren

Onder biologische factoren verstaan we het genetisch kwetsbaar zijn voor suïcidaal gedrag. Het is (alsnog) niet duidelijk of er zoiets als een ‘zelfmoord-gen’ bestaat. Wel is het duidelijk dat genen een rol kunnen spelen in de ontwikkeling van suïcidaal gedrag. Zo kan je genetisch kwetsbaar zijn voor een depressie, de grootste risicofactor voor zelfdoding. Ook los van andere psychiatrische aandoeningen, kunnen mensen kwetsbaar zijn om suïcidaal gedrag te ontwikkelen.

Er zijn verschillende onderzoekspistes, de meest gekende is die van de disfunctie van het serotonerge systeem. Serotonine is een stof in de hersenen die invloed heeft op belangrijke functies: stemming, slaap, emoties, seksuele activiteit en eetlust. Bij heel wat depressieve mensen en mensen die aan zelfdoding denken, is het serotoninegehalte verlaagd, vandaar ook de typische symptomen zoals de sombere stemming, verminderde eetlust, slecht slapen,.... Oorzaken van een verminderd serotoninegehalte kunnen een aanleg bij de geboorte zijn, maar ook vroege levensgebeurtenissen (misbruik, ...), ziektes (dementie, Parkinson, CVA, ...), medicatie en een mentale beperking kunnen een rol spelen. Belangrijk is dat het serotoninegehalte beïnvloed kan worden met behulp van medicatie, zoals antidepressiva. Sinds kort wordt ook meer onderzoek gedaan naar de invloed van genen op psychische factoren.

Het is niet omdat je vader of moeder zelfdoding heeft gepleegd, dat je zelf ook aan zelfdoding zal denken of ertoe zal overgaan. Genen kunnen een rol spelen, maar ook het 'kopieergedrag' en een stressvolle situatie (die nog eens extra wordt belast door de zelfdoding van de naaste) zijn belangrijke factoren die ertoe kunnen bijdragen dat zelfdoding meermaals in dezelfde omgeving voorkomt. Daarnaast speelt het ontbreken van beschermende factoren hierbij een grote rol (zie verder).

Psychische factoren

Ieder mens ontwikkelt een eigen karakter, persoonlijkheid en manier van denken. Sommige persoonlijkheidsfactoren kunnen het risico op suïcidaal gedrag mee verhogen. Impulsiviteit, vooral wanneer deze samen voorkomt met agressiviteit, is een bekende risicofactor.

Suïcidale personen maken ook makkelijker denkfouten. Ze denken bijvoorbeeld meer 'zwart-wit' (bijv. “of ze komt terug of ik pleeg zelfmoord”), maken veralgemeningen van hun negatieve ervaringen (bijv. “ik ben ontslagen dus ik ben niets waard”), of denken meer rigide (“ik heb mijn problemen altijd alleen opgelost, ook dit zal ik wel zelf oplossen”). Ze hebben de neiging te tobben en hebben vaak een laag zelfbeeld en zijn meer perfectionistisch. Belangrijker nog is hun gebrek aan probleemoplossend vermogen. Hun coping of probleemoplossend gedrag is vaak meer emotiegericht, meer passief (afwachtend) en ze kunnen door een gebrekkig autobiografisch geheugen minder teruggrijpen naar oplossingen die ze in het verleden wel succesvol hebben toegepast. ‏

Beperkt copinggedrag kan leiden tot een gevoel van hopeloosheid. Men heeft het gevoel 'gevangen' te zitten en heeft geen enkele hoop meer dat de situatie en de pijn ooit zullen beteren. Integendeel, men is ervan overtuigd dat de situatie en de emotionele pijn enkel nog zullen verergeren… Deze hopeloosheid is een typisch kenmerk van suïcidale personen.

Denkfouten en een gebrekkig probleemoplossend vermogen zijn niet onomkeerbaar. In therapie (bijv. cognitieve gedragstherapie) wordt de cliënt geconfronteerd met zijn of haar denkfouten en aangemoedigd om tot meer genuanceerde uitspraken en oplossingen te komen.

Sociale factoren

Genen en persoonlijkheid bepalen iemands kwetsbaarheid voor de ontwikkeling van een psychiatrische stoornis en suïcidaal gedrag. Tijdelijke uitlokkers die het suïcidaal gedrag of een psychiatrische stoornis tot ontwikkeling kunnen brengen, zijn vaak sociale factoren zoals gezinsproblemen, misbruik, problemen op school of op het werk, een verlieservaring, … Al te vaak wordt zelfdoding gezien als een ‘logisch vervolg’ van zo’n uitlokker, terwijl de uitlokkende factor veelal enkel een laatste ‘druppel’ is.

Psychiatrische factoren

Uit onderzoek blijkt dat meer dan 90% van de mensen die overleden zijn door zelfdoding aan een psychiatrische stoornis leed. De psychiatrische diagnoses die het meest met zelfdoding worden geassocieerd zijn stemmingsstoornissen (vooral depressie), schizofrenie, middelengebruik en persoonlijkheidsstoornissen (borderline en antisociale persoonlijkheidsstoornis).

Beschermende factoren

Behalve risicofactoren, zijn ook de beschermende factoren in de preventie van zelfdoding van groot belang. Psychologische buffers als zelfwaarde, levensvreugde en optimisme verkleinen de kans op gevoelens van hopeloosheid. Deze houdingen stimuleren het gebruik van gezonde copingstrategieën, zoals het direct aanpakken van problemen, zich inspannen om oncontroleerbare situaties te keren, pogingen ondernemen om ongunstige gebeurtenissen aan te pakken en doorzettingsvermogen om de vooropgestelde doelen te bereiken. Daarnaast is het hebben van vaardigheden zoals sociale vaardigheden en in het bijzonder ‘hulp vragen’ beschermend.

Geld op zich maakt misschien niet gelukkig, maar het ontbreken van een basiswelvaart of leven in armoede is wel een sociale risicofactor. Een minimum aan welvaart en het hebben van een job, werken beschermend. Sociale steun is een sleutelfactor in de preventie van zelfdoding. Het hebben van een sociaal netwerk én vangnet (ook als het slecht gaat kan je rekenen op je omgeving) kunnen suïcidale personen van hun zelfdoding weerhouden. Ook het zich ‘verbonden’ voelen met anderen werkt beschermend. Een gevoel van verbondenheid versterkt het verantwoordelijkheidsgevoel ten aanzien van de ander. Verbondenheid en verantwoordelijkheid dragen bij tot de zingeving van een persoon.

Zingeving hebben of het hebben van een ‘spiritueel’ doel werkt ook beschermend. Mensen met een kwetsbare persoonlijkheid hebben het moeilijk om voor zichzelf een ‘zin’ te ontwikkelen, zeker als zij er niet in slagen om aan het gangbare beeld van een ‘geslaagd leven’ (diploma, relatie, kinderen, …) te beantwoorden.

Culturele en maatschappelijke factoren

Culturele waarden, gewoontes en tradities spelen een rol in de preventie van zelfdoding. Een goede kennis van en een positieve houding ten aanzien van geestelijke gezondheid(szorg) bijvoorbeeld hebben een positieve invloed. Het afwijzen of net verheerlijken van zelfdoding kunnen beide een negatieve invloed uitoefenen. De tolerantie ten aanzien van zelfdoding als oplossingsgedrag bijvoorbeeld kan een bezwarende factor zijn omdat jongeren die al te permissief ten opzichte van zelfdoding staan, ook zelf sneller naar suïcidaal gedrag als coping zullen grijpen.

Een sterke religieuze traditie kan beschermend werken, evenals een religie die als ‘troostend’ wordt ervaren. Ook een godsdienst die zelfdoding 'verbiedt', kan voorkomen dat mensen effectief de stap tot zelfdoding zetten. Religie kan echter ook drempelverlagend voor zelfdoding werken, nl. wanneer de godheid eerder als een straffende instantie wordt ervaren of wanneer er vooral een godsdienstcultuur van schaamte en schuld heerst.

De cultuur van een land of groep zal op zich niet aanzetten tot of weerhouden van zelfdoding, maar het is duidelijk dat de invloed van een cultuur of samenleving en dus ook haar mogelijke preventieve krachten niet mogen worden onderschat.

Betekenis en ambivalentie van de doodswens

Uit het voorgaande blijkt dat mensen niet de dood op zich willen, maar het leven dat ze nu leiden niet meer aankunnen. Of met andere woorden: “Mensen die suïcidaal zijn, lijden vaak aan een pijnlijk probleem, dat ze ervaren als ondraaglijk, onoplosbaar en oneindig…” (Jan Mokkenstorm).

Zelfdoding is dan eerder een manier om rust te vinden, om te laten zien dat je het moeilijk hebt, om je pijn te uiten, om je problemen op te lossen, of om erger te voorkomen, ... .

Door de intentie te kennen, kan men op zoek gaan naar alternatieven om dit doel te bereiken. Voor preventie is de intentie, het doel of de betekenis van zelfdoding daarom minstens even belangrijk als de ‘reden’ (oorzaak of aanleiding).

Suïcidale personen willen dus veelal blijven leven als hun probleem opgelost zou zijn en/of de pijn weg (of draaglijk) zou zijn. De doodswens is ‘ambivalent’, dat wil zeggen dat ze willen leven en toch willen sterven, willen sterven en toch willen leven… .

Suïcidaal proces

Elk gedrag gaat vooraf door de gedachte eraan en de wens en het plan om de handeling effectief uit te voeren. Iemand die overgaat tot suïcidaal gedrag (poging of zelfdoding), heeft reeds een proces van suïcidale gedachten doorlopen. Eerder zeldzame, vage zelfdodingsgedachten (“Zou het niet beter zijn als ik dood was?”) worden concreter (“Hoe ga ik het doen? Wanneer?”) en minder vrijblijvend tot zelfs obsessioneel (“Ik sta ermee op en ga ermee slapen”). Hoe verder in het suïcidaal proces, hoe negatiever de gevoelens en gedachten, hoe beperkter de perceptie en hoe minder openheid naar de omgeving. Deze evolutie in het suïcidaal proces gaat gepaard met een versterking van de doodsintentie en de hopeloosheid.

Niet iedereen die aan zelfdoding denkt, zal een poging ondernemen. Niet iedereen die een poging onderneemt zal effectief overlijden door zelfdoding. Dat wil zeggen dat het proces op elk moment kan worden gestopt. Anderzijds, wie ooit aan zelfdoding heeft gedacht of een poging heeft ondernomen en hersteld is, zal een blijvende kwetsbaarheid hebben. Gaat het opnieuw slecht met hem en denkt hij daardoor aan zelfdoding, dan zal hij het proces de volgende keer doorgaans sneller doorlopen. Twee op drie zelfdoders hebben een geschiedenis van vroeger suïcidaal gedrag. Elke suïcidepoging, hoe ‘banaal’ ook, moet ernstig worden genomen.

De gemiddelde duur van het suïcidaal proces wordt geschat op 2 à 3 jaar. Recent onderzoek doet vermoeden dat de duur van het proces afhankelijk is van de aanwezigheid van een voorgeschiedenis van suïcidaal gedrag (langer suïcidaal proces) en de mogelijke aanwezigheid van bepaalde psychiatrische stoornissen zoals een aanpassingsstoornis (korter en sneller proces met minder waarschuwingsmogelijkheden) (Portzky, 2006).

Signalen

Er zijn weinig ‘specifieke’, duidelijke signalen voor zelfdoding. Signalen voor suïcidaliteit zijn vaak ook signalen die met ander probleemgedrag of stresssituaties kunnen worden geassocieerd. Ze zijn vaak ‘gemaskeerd’, lichamelijk en gedragsmatig. Bovendien zijn mensen veelal niet opgeleid om signalen te herkennen. Meestal gaat het om meerdere signalen gedurende een langere tijd en vaak is er ook een plotse gedragsverandering. 70 procent heeft vooraf signalen uitgezonden. Toch blijft zelfdoding een zekere mate van onvoorspelbaarheid hebben. Achteraf is het altijd ‘gemakkelijker’ om te zien welke signalen de persoon heeft uitgezonden.

Enkelingen gebruiken duidelijk verbale signalen om hun psychisch lijden en doodswens zichtbaar te maken. Bij velen is de suïcidaliteit meer verborgen en gemaskeerd door andere signalen.

Voorbeelden van directe verbale signalen zijn:
- “Ik wil dood”
- “Ik ga er een einde aan maken”

Voorbeelden van eerder niet-direct verbale signalen zijn:
- “Ik wil slapen en niet meer wakker worden”
- “Als ik er morgen niet meer ben zal niemand mij missen”
- “Ik zal ervoor zorgen dat ik niemand meer tot last ben”

Voorbeelden van gedragsmatige signalen zijn:
- verstoorde eetlust
- slaapstoornissen
- energieverlies, vermoeidheid
- sterke en plotse verandering in gedrag: vijandig,…
- zich terugtrekken
- afscheid nemen, dingen weggeven,…
- verwaarlozen van persoonlijke zorg
- lichamelijke klachten
- tekeningen over de dood maken, sombere poëzie lezen
- spijbelen / verslechtering van schoolresultaten
- eerder suïcidaal gedrag
- …

Preventie van zelfdoding door pastores

De preventie van zelfdoding door pastores kan op verschillende manieren gebeuren.Ten eerste, kunnen ze mee voorkomen dat risicofactoren voor zelfdoding zich (verder) ontwikkelen. Dit kan bijvoorbeeld door het verminderen van stress, door het bevorderen van geestelijke gezondheid, door gemeenschaps- en sociale steun te versterken en door snel en accuraat door te verwijzen bij probleemsituaties. Een concreet voorbeeld is het mee ondersteunen (via publicaties, ontmoetingsdagen, dagelijkse contacten, …) van tips voor een goede geestelijke gezondheid (bijv. www.fitinjehoofd.be).

Ten tweede, zijn pastores belangrijke sleutelfiguren in de preventie van zelfdoding bij kwetsbare personen met een verhoogd risico. Het gaat dan niet zomaar om het ‘tegenhouden’ ervan (bijv. ‘tijd kopen’ door de toegang tot middelen te beperken), maar ook om het bieden van een ‘alternatief’ zodat zelfdoding niet langer de enige optie hoeft te zijn.

Daartoe is het belangrijk om tijdig signalen te herkennen en te bevragen of de persoon aan zelfdoding denkt.
Enkele voorbeelden:
 Je zegt dat je´t niet meer ziet zitten, zie je dan ook je leven niet meer zitten?
 Je zegt dat niets je nog interesseert, ook het leven niet meer?
 Je zegt dat je het leven beu bent, zou je liever dood willen zijn?
 Denk je aan doodgaan?
 Is het leven te zwaar voor jou geworden?
 Zie je het niet meer zitten om verder te leven?
 Doet je leven je zoveel pijn, dat je liever dood wil zijn?
Een volgende stap is de ‘zelfmoord bespreekbaar te maken’. De zelfdodingsgedachten bespreekbaar maken is noodzakelijk, omdat:

- je het risico moet kunnen inschatten,
- je moet weten wat de persoon wil bereiken/kan tegenhouden,
- je de persoon laat ventileren over dat wat hem (het meest) bezighoudt,
- je contact met hem opbouwt,
- je de persoon zich begrepen laat voelen,
- suïcidale personen moeilijk de stap zetten om zelf over hun zelfdodingsgedachten te spreken.

Bovendien vermindert praten de drang tot handelen. De impuls om te handelen volgens zijn emoties zoals angst, frustratie en eenzaamheid wordt minder omdat door te praten de verwarring van wat zelfdoding voor deze persoon betekent, vermindert. Hij krijgt een spiegel voorgehouden. Het uitspreken van het woord ‘zelfmoord’ kan als dusdanig al een hulpverlenend effect hebben.

Door de ernst van de suïcidedreiging in te schatten, kan je de juiste hulp (aangepast aan het risico) bieden. Zo kan de vraag: “Hoeveel haast hebt u om uw zelfmoord uit te voeren?”, voor een buitenstaander ‘onecht’ of ‘ruw’ overkomen, maar ze geeft wel een heel goed inzicht in de ernst. Is de suïcidedreiging eerder licht, dan kan een ondersteunend gesprek waarin de klemtoon ligt op het onderliggend probleem (én de oplossing) voldoende zijn. Je versterkt de zelfredzaamheid van de persoon en verwijst eventueel door naar andere instanties. Uiteraard dien je altijd alert te blijven voor een ontwikkeling naar een meer ernstige suïcidaliteit.

Is de dreiging groter of heeft de persoon (meer concrete) plannen om een eind aan zijn leven te maken, dan zal het gesprek meer gericht zijn op de suïcidale crisis zelf. Aandachtspunten zijn dan de ambivalentie (‘reasons to live’) en alternatieve copingstijlen. Eén van de belangrijkste vragen in een gesprek met een suïcidaal persoon is wat hem tot nu toe in leven heeft gehouden. Dat kunnen relationele factoren zijn (ouders, partner, kind, … ), maar evengoed het hebben van verantwoordelijkheden, een huisdier, een hobby, angst om te sterven … Soms maken hulpverleners samen met de persoon een crisisplan op. Er worden activiteiten genoteerd die de patiënt alleen kan doen wanneer hij een crisis voelt opkomen (bijv. sport, yoga, een ontspannende film bekijken, …). Er staan ook gegevens op van steunfiguren (bijv. vriend) en crisislijnen waar de persoon terecht kan. Er staan nummers op van de huisarts, eventueel de psycholoog of psychiater, de dienst spoedgevallen en het noodnummer 112. Je kan er ook situaties en handelingen noteren die de patiënt beter vermijdt wanneer hij in crisis is (bijv. met de auto rijden, ex-vriend opzoeken, …). De patiënt kan deze crisiskaart bij zich houden in zijn portefeuille.

Bij zeer ernstige suïcidaliteit, zal in de eerste plaats de zelfdoding moeten worden voorkomen (bijv. door middelen te verwijderen) en zo snel mogelijk hulp, veelal professioneel, moeten worden ingeroepen. Niet alleen dient er aandacht uit te gaan naar de suïcidale persoon, ook de directe omgeving verdient extra zorg. De stress, angst, onmacht, … die deze situatie met zich brengt, maakt dat ook zij een hulpvraag kunnen hebben. Tot slot is ook nazorg voor suïcidepogers en de mensen die achterblijven een belangrijke preventiestrategie: postventie is ook preventie.

Enkele do’s and don’ts

Om te eindigen geven we nog enkele tips mee voor het omgaan met suïcidale personen in de praktijk. Wat je beter niet doet:


Reacties en houdingen die wel helpend zijn:

Deze tips kunnen samengevat worden in één enkele zin: hou je hoofd koel, en je hart warm.

Besluit

Het mag duidelijk zijn dat de pastor een belangrijke rol kan spelen in de preventie van suïcidaal gedrag. Hij kan mee risicofactoren voorkomen en beschermende factoren stimuleren. Het is echter een illusie om te denken dat suïcide altijd kan worden voorkomen, juist omdat het om een complexe samenloop van diverse risicofactoren gaat, in combinatie met de afwezigheid van beschermende factoren.

LITERATUUR

naar boven

Reflectie Maaike Verbruggen

Bij het lezen van het artikel van Grieke Forceville klonken veel elementen mij vertrouwd in de oren. Werkende als een pastor in een psychiatrisch centrum bij mensen met stemmingsstoornissen, persoonlijkheidsstoornissen, schizofrenie en middelengebruik, maakt dat deze thematiek rond suïcidaal gedrag geen vreemde realiteit is. En toch blijkt het steeds weer moeilijk om op een adequate manier met deze mensen op weg te gaan. Iedere persoon gaat er immers anders mee om, ieder individu heeft een zeer eigen manier van er al dan niet expliciet over te spreken. Het is dus in eerste instantie al een voortdurend aftasten van ‘wat kan wel’ en ‘wat kan net niet’. Wat mij daarom allereerst opviel bij het lezen van dit artikel, was de zeer theoretische uiteenzetting van ‘feiten’ (dit speelt mee, zo ga je ermee om, zo pak je dit aan…) die niet zomaar een weergave biedt van de realiteit van iemand met suïcidale neigingen. Bovendien gelden deze ‘feiten’ voor iedereen en geeft de tekst niet echt aan wat de specifieke inbreng kan zijn van de pastor (zoals de ondertitel toch lijkt te suggereren). En het is vanuit dat oogpunt dat ik het artikel ben gaan bekijken. Je moet als pastor steeds opnieuw zoeken naar een manier van ‘nabij zijn’ die bij die specifieke persoon past. Telkens opnieuw ga je als pastor de uitdaging aan om bij die persoon in zijn/haar ‘duisternis – leegte – zinloosheid van het bestaan te gaan staan, om hem/haar daarin ook te beluisteren. Zo blijf ik uiteindelijk ook stilstaan bij de “do’s en don’ts” van het artikel, een mooi overzicht van wat al dan niet kan/mag binnen de pastorale werkelijkheid.

Allereerst lijkt mij duidelijk dat je als pastor zeker niet mag banaliseren en minimaliseren. Als pastor ga je bij de lijdende mens staan en aanhoor je diens pijn/verdriet/noodkreet in al zijn zwaarte, in al zijn donkerte. Het is geen gemakkelijke opdracht om dan toch maar niet te proberen om oplossingen aan te bieden, maar ik heb geleerd dat je samen uit het duister kan weg groeien door er samen te durven bij stilstaan. We hebben allemaal de menselijke en natuurlijke neiging om te zeggen dat ‘het allemaal wel weer goed komt’, maar wie zijn wij om de toekomst reeds zo te kleuren? Wie zegt dat deze persoon in kwestie wel verder wil? ‘Mensen helpen’ lijkt ons allen ingegeven met de paplepel, maar adviezen en wijze raad leiden tot niets. De persoon voelt zich net daarin niet begrepen; raad krijg je immers overal genoeg. De pastor kan daar juist uit loskomen door ‘hulp’ op een andere plek te situeren: in de nabijheid en ‘er zijn’ geven pastores de persoon ook bestaansrecht met zijn of haar duistere ideeën. Als pastor ben je daar waar anderen liever van weg lijken te lopen… Maar, ik wil hier ook even bij aangeven dat je niet alles mag gaan maximaliseren: de pijn is er, die mag benoemd worden, maar je mag de zwaarte er niet van gaan versterken door er mee in te verdrinken. Het is dus ook een balanceren tussen ‘het verdriet laten zijn’ en ‘te veel gaan sympathiseren en medeleven’. Geen van beide helpt de persoon, geen van beide biedt houvast en kracht om de donkere wolk te doen verdwijnen…

In het luik van de “do’s” herkende ik vele elementen die in de dagelijkse pastorale realiteit ook aan bod komen. Wanneer mensen vanuit hun diepste pijnen en verdriet uiteindelijk de stap durven te zetten naar de pastor (vaak is dit al een zeer grote drempel die men over moet!), dan is het noodzakelijk om deze persoon ook de nodige erkenning te geven voor de moed die hiertoe nodig was. Je ziet dan vaak al een soort opluchting dat het ‘ok’ is om er over te spreken: het mag! Het geruststellen is hierbij vaak in één adem geïntegreerd want het is net in ‘er zijn’ en het luisteren naar wat de ander ons in vertrouwen vertelt dat een diepte geraakt wordt waarin die persoon ook rust kan vinden. Het aankaarten, maar vooral benoemen en ook aanvaarden van de emoties zoals die zich in het gesprek onthullen, daar gaat het naar mijn aanvoelen voornamelijk om. De persoon die zich bij ons ‘blootgeeft’ wil geen verbloemingen en wil zeker geen gevoel krijgen dat er geen gehoor is. Als pastor ben je op zo’n moment immers met de diepste zin-vraag bezig: waarom leven wij?; welke betekenis kan ik hier en nu aan mijn bestaan geven?; wat maakt het nog de moeite waard? Vandaar dat het aanraken van het ‘hier en nu’ zo noodzakelijk is: samen kijken naar wie of wat er nog wél is op deze moment. Van hieruit kan het suïcidaal gedrag zeer concreet benoemd worden: zeer sec, zonder scrupules, zonder ook maar iets af te doen aan de ernst van de zaak. Als pastor lijkt het mij dat je daartoe misschien soms net iets meer de mogelijkheid hebt om door te stoten naar de ambivalentie van de gedachten. De suïcidegedachten komen voort uit de verwarring tussen ‘al dan niet willen leven’. Maar hoe weeg je de dood en het leven tegenover elkaar af? Kán je dat en – meer nog – mág je dat? Je voelt daarbij ook vaak schaamte wanneer iemand aan het leven lijkt te twijfelen. En daartoe kan de pastor de ruimte creëren om het bespreekbaar te maken: zijn de plannen concreet, wat met afscheid van de naasten, bij wie kan je terecht, … Je kan nabijheid bieden, in de zwaarte en diepte van het leven gaan staan en dit alles betekenisvol benaderen zonder iets af te doen van de ernst van de situatie of zonder het leed te gaan uitvergroten. Daarom dat een pastor ook als een ‘randfiguur’ mag gezien worden: iemand die net die grenservaringen, die levensoverstijgende vragen als het ware bespreekbaar/tastbaar kan maken. Het taboe rond suïcide is immers nog steeds zeer groot.

De pastor speelt hier een belangrijke ‘tijdelijke’ steunfiguur. Ik spreek ook over ‘tijdelijk’ (wat niet aan bod komt in de tekst, maar waar ik wel van overtuigd ben) omdat je als pastor ook slechts deels de weg kan gaan. Als pastor ga je mee tot daar waar de wegen lijken te scheiden. Je probeert niet halsstarrig nabij te zijn. Wanneer het gevoel komt dat het einde van de weg samen in zicht is, dan moet je ook kunnen loslaten. En dit is niet altijd evident, maar wel noodzakelijk. Uiteindelijk kan je als pastor niet veel anders dan de ander proberen op weg te zetten, present te zijn en proberen lichtpuntjes te doen zien (niet zelf trachten aan te reiken, de persoon moet dit zelf gaan ontdekken in zijn/haar bestaan) en dan hopen dat hij of zij de eigen weg zelf verder zal ontdekken in het leven. Of aanvaarden van het net niet vinden van de uitweg…

Suïcide is geen gemakkelijke thematiek, maar als pastor kan je in dergelijke context wel veel zin/betekenis binnenbrengen in iemands leven, ook al is het niet onmiddellijk met zichtbaar resultaat (vaak is de ondersteuning van een suïcidaal persoon van lange adem). Maar daar schuilt dan het vertrouwen die iedere pastor zou moeten vasthouden: het vertrouwen in de (goddelijke/religieuze/spirituele) kracht die in iedere mens terug een weg naar boven kan vinden…  

naar boven

Wil u uw eigen reflectie ook op Elisabeth? Mail dan naar: Liesbeth.Pulinckx@theo.kuleuven.be

Reacties lezers Elisabeth

Reactie van Roeland Polspoel

De heldere uiteenzetting van Grieke Forceville, die aantoont dat pastores een belangrijke rol kunnen spelen in preventie, zal wel kloppen. Maar in de praktijk kan je niet altijd veel doen. Mensen geven niet altijd een opening waar je op kan inpikken. Als er een opening komt, kan je natuurlijk wel de do's en don'ts hanteren. Het nabij zijn is dan wel belangrijk, maar dit is natuurlijk niet specifiek voor pastores. Ook andere zorgverleners proberen dit te doen (als ze er tijd voor hebben en als ze het als prioritair beschouwen). Uit de uitleg van Forceville blijkt misschien nog het meest hoe weinig we van andere zorverleners verschillen in wat we kunnen doen (specificiteit van de job). Misschien is het wel zo dat bij pastores die problematiek nog veel minder dan bij andere zorgverleners kan omzeild worden door gemakkelijheidsoplossingen aan te reiken of door te vluchten in andere zaken 'die voorrang verdienen'. Pastores behoren zich niet te verliezen in analyses en raadgevingen, in het steeds weer zoeken naar nieuwe oplossingen (dat doen al genoeg mensen). De vraag naar zin en de onderliggende pijn staan juist zeer centraal bij pastores. De zoektocht naar zin is tenslotte hun core business; we kunnen het spreken over zingevingsproblemen niet als tijdverlies beschouwen. Maaike Verbruggens opmerking over het tijdelijke karakter vind ik heel gepast. Het toont de bescheidenheid en beperktheid van de pastorale hulpverlening. Ons geloof zal de ander niet redden, maar onze luisterende nabijheid, die de ander erkent in al wat bij hem/haar leeft, is op zich waardevol en betekenisvol, een mogelijke steun. Het is het belangrijkste dat we kunnen geven, maar situeert zich dus niet op het niveau van concrete uitwegen. Dat ligt doorgaans niet in onze handen.

Reactie van Freddy De Raeve

Dat de impact van relatiebreuken onderschat wordt, blijkt uit het artikel van Grieke Forceville. Nochtans zijn er artikels te vinden die wel wijzen op de zware gevolgen die een relatiebreuk kan teweegbrengen. Bijvoorbeeld een artikel van Carolien Rootvoets (Nederlandse psychologe) die besluit met te zeggen : ‘De tbs-klinieken zitten vol van mensen die hun partner(ex) hebben vermoord'. Ook in het boek van Jef Vermassen ‘Moordenaar en hun motieven’ wordt er gewezen op de gevaren van een relatiebreuk. Ons verhaal (www.tomderaeve.be) past niet in het artikel van Grieke Forceville. Wat mij betreft ontbreekt de grote impact die een relatiebreuk kan hebben in het artikel alsook de emotie ‘wraak’ die een rol speelt hierbij. Na een relatiebreuk wordt de persoon die zich gedumpt voelt meestal aan zijn lot overgelaten of in sommige gevallen bemoederd of niet au sérieux genomen. Het waait wel over zegt men al gauw; in de meeste gevallen is dit ook zo maar niet altijd, hebben wij spijtig genoeg moeten ondervinden. De persoon voelt zich niet begrepen en wil zich vooral begrepen voelen door zijn partner; een beetje begrip en/of empathie kan wonderen doen, een leven redden!

naar boven

ASPHA Advieslijn voor hulpverleners met suïcidale patiënten

Vind hier de folder van ASPHA in pdf-formaat

Alle hulpverleners met vragen over suïcidale cliënten kunnen terecht bij ASPHA, Advies SuïcidePreventie voor Huisartsen en Andere hulpverleners. De lijn werd in oktober 2010 in het kader van het Vlaams actieplan suïcidepreventie gelanceerd door Vlaams minister Jo Vandeurzen en was specifiek gericht op huisartsen. Om tegemoet te komen aan de vraag uit het werkveld worden de telefonische en e-maildienst nu ook opengesteld naar ander hulpverleners.

ASPHA geeft huisartsen en andere hulpverleners advies bij het begeleiden van suïcidale patiënten, hun omgeving en nabestaanden, en dit via telefoon en e-mail. Sinds de lancering van de lijn voor huisartsen in 2010 vonden al heel wat huisartsen de weg naar de lijn. Opvallend is dat er ook andere hulpverleners gebruik maken van de hulplijn. Ook bij de Zelfmoordlijn komen steeds meer vragen van professionele hulpverleners die willen weten hoe ze een situatie het best aanpakken of hoe ze een gesprek over zelfdoding kunnen aangaan.

Kirsten Pauwels, directeur Centrum ter Preventie van Zelfdoding: “Huisartsen en hulpverleners worden geregeld geconfronteerd met mensen die aan zelfdoding denken. Het is voor hen niet altijd evident om te weten hoe ze precies een gesprek moeten aangaan, waar ze op moeten letten, of wat ze kunnen ondernemen. Bovendien hebben zij vaak niet de tijd om zich te verdiepen in het onderwerp op het moment dat het nodig is. De beantwoorders van ASPHA beschikken wel over die expertise, en zijn dagelijks bereikbaar tussen 8u. en middernacht, ook in het weekend.”

“Uit de analyse van de gesprekken van de huisartsen bij ASPHA en de vragen van andere hulpverleners die bij de Zelfmoordlijn komen, blijkt dat er grote gelijkenissen zijn in de vragen die gesteld worden: ze hebben vooral betrekking op hoe zelfdoding benoemen en bevragen, hoe nabestaanden opvangen, de eigen beleving van de hulpverlener, doorverwijzing, …”, zegt Ira van Sprundel, stafmedewerker ASPHA.

ASPHA is telefonisch bereikbaar op 024 24 3000, elke dag tussen 8u en 24u. Daarnaast kan er ook per e-mail contact opgenomen worden. Alle informatie rond dit initiatief is beschikbaar via www.aspha.be.

naar boven