Kruisweg Sieger Köder

Met dank aan Filip Zutterman

We nodigen u uit om de weg van het kruis te gaan en daarmee aan te sluiten bij een lange traditie van mensen, die hun hoop en teleurstelling, hun lief en leed in deze ruimte uitspreken voor een God die van ons zegt ‘dat wij kostbaar zijn in zijn ogen’. (Vind hier een pdf-versie)
 

 I Jezus krijgt de doodstraf

Ze leidden Jezus naar buiten, en voerden hem naar het huis van de hogepriester Kajafas… Pilatus liet wat water brengen, waste zijn handen en zei: ‘Ik ben onschuldig aan het bloed van deze man.’ (Matteüs)

Drie figuren,  de hogepriester, Pilatus, Jezus –  drie werelden zo eindeloos verschillend! Handen die de boekrol omklemmen, ogen die onverschillig wegkijken, priesterlijke gewaden… Handen gewassen in water – Gods naam misbruikt om eigen macht te vrijwaren,  de waarheid geweld aangedaan? Ecce homo – zie de Mens: de gehoorzame dienaar, stil en zacht als een lam, een luisterend oor,  zijn rug ontdaan van het koninklijk gewaad, vrede op het gelaat, in zijn hart een lied  ‘Hier ben ik, gekomen om uw wil te doen’.

Keer U niet van ons af, God, nu wij woorden zoeken om tot U te bidden. Want als wij U uitspreken en noemen bij uw naam, dan is het toch uit kracht van uw belofte, dat Gij niet ver weg zult zijn voor allen die U roepen.
 

II Jezus wordt met het kruis beladen

Zelf zijn kruis dragend trok Jezus de stad uit naar wat de Schedelplaats heet, in het Hebreeuws Golgota. (Johannes)

Het zware, harde hout staat onverzettelijk in het midden –  een ander stuk rust er op: het kruis. Tot bloedens toe gekwetste handen  omhelzen het teder... Op de achtergrond kan je ze zien hangen, de stroppen als getuigen van geweld en oorlog,  getuigen van generaties onschuldige slachtoffers – gisteren, vandaag. Twee handen omvatten het onrechtvaardige oordeel,
alle leed van mensen. Hij deelt ons lot, de Onschuldige!

Wij bidden U, Heer, voor de wereld van onze dagen, in het bijzonder voor hen die door oorlog ontredderd zijn, voor allen die door wreedheid en eenzaamheid zijn verminkt. Voor alle volkeren die worden uitgebuit, voor hen die arm en rechteloos zijn, veracht en mishandeld.

III Jezus valt onder het kruis

Hij werd om onze zonden gebroken, om onze verzoening werd Hij gestraft. Dank zij zijn striemen is er voor ons genezing. (Jesaja)

Op je knieën lig je, gebukt onder de schreeuw van de wereld. Duisternis en gruwel omgeven je: de onverzettelijkheid van rechters, de getekende lichamen van slachtoffers van geweld. Temidden van dat alles blijft je rechter arm ongebroken, als een peiler steunend op een steen – vertrouwvol, bemoedigend. Je hoofd rust op je hart, de bron van je kracht.
Immers, je bent gekomen om niemand verloren te laten gaan van wie je zijn toevertrouwd. Jij bent de hoeksteen, Jij draagt ons allemaal.

Heer God, met eerbied en op hoop van zegen spreken wij uit: de naam van Jezus, uw zoon. Hij heeft onze pijn gedragen en in zijn angst heeft hij op U vertrouwd. Gij hebt hem gehoord.  Kom ook ons te hulp opdat ook wij - bij alles wat ons overkomt – vasthouden aan U, God van ons leven.
 

IV Jezus ontmoet zijn moeder

Zijn moeder bewaarde alles in haar hart. (Lucas)

Twee mensen, verbonden door het ruwe hout dat tussen hen in staat. Je kan ze alleen herkennen door hun kleding: de ene in een koninklijk gewaad, scharlaken rood, de andere in het groen, kleur van hoop – moeder en kind, innig dicht bij elkaar. We hebben er het raden naar wat op hun gezicht te lezen staat. Alleen hun handen spreken zacht en bemoedigend. Deze ontmoeting is zo heilig, dat vreemde ogen het niet mogen zien – het harde hout is hun enige getuige, betrokken in hun omhelzing. Alleen de stilte spreekt.

Wij danken U voor hen die ons lief zijn en die deze wereld zinvol voor ons maken, voor wie ons het naaste is, zo dichtbij als ons eigen lichaam, onze vrouw, onze man, voor onze kinderen en voor allen die ons gegeven zijn en toevertrouwd. Geef ons zo’n mensen op onze weg. Geef dat wij zo’n mensen zijn.

V Simon van Cyrene helpt het kruis dragen

Zij vorderden een voorbijganger die van het veld kwam, Simon van Cyrene, tot het dragen van zijn kruis. (Marcus)

Lopend langs hetzelfde pad, dragen zij dezelfde last… de een houdt de ander recht, schouder aan schouder, wang aan wang – als het ware vergroeid met elkaar,  één geworden. Zij gaan in dezelfde richting, houden hetzelfde doel voor ogen. Dicht bij elkaar, moeten ze zich in alles op elkaar afstemmen – dat is hun kracht om het vol te houden. Eén ogenblik verstrooid, het kleinste onevenwicht zou hen allebei onderuit halen. Wat hen samen bracht – liefde, vriendschap, solidariteit of puur toeval, het is om het even. Onder dezelfde last zijn zij één geworden.

Wij bidden voor allen die verantwoordelijkheid dragen in het omgaan met mensen: dat zij volhouden dat te doen, van harte, met toewijding en gericht op wat nodig en goed is om te leven. Keer U om naar ons toe, keer ons toe naar elkaar.

VI Veronica droogt het aangezicht van Jezus af

Voorwaar, Ik zeg u: al wat gij gedaan hebt voor een dezer geringsten van mijn broeders en zusters, hebt gij voor Mij gedaan. (Matteüs)

Een liefdevol gebaar. Het bebloede doek laat de trekken zien van een gewonde – een lijdend en tegelijk lijdzaam gezicht, sprekend van vrede. Een vrouw in rouwkleed. Haar gezicht gaat schuil achter het doek dat ze ophoudt  – teder, meelijdend – haar hele wezen getekend door het beeld dat ze toont. En die lege, gebroken pot…? We kunnen er niet naast kijken. Wordt hij ons getoond door hem die op het doek te lezen staat…

Bidden wij om wat wij het meeste nodig hebben: de sympathie en de genegenheid van onze medemensen om de trouw van onze vrienden de trouw van onze God. Geef dat wij elkaar niet in de steek laten.

VII Jezus valt voor de tweede keer

Als iemand zijn kruis niet draagt en Mij volgt, kan hij mijn leerling niet zijn. (Lucas)

De ruwe balken, loodzwaar op hun schouders – het dwingt hen op de knieën. De last is onmenselijk, hun lichaam misvormd. Het is niet te ontwijken zoals het op ons toekomt: het lot van de menigte die opdoemt aan de horizon, de last die ze dragen, alle rassen en volkeren die geen uitweg zien, geen toekomst. En toch. Eén van hen lijkt een doel te hebben,  zijn vermoeide ogen kijken verder, hij begrijpt de zin van dit alles… Zittend op zijn knieën, zijn armen om het wegende hout geslagen, trekt hij hen allen overeind.

God, hoe kan het uw bedoeling zijn dat wij vallen en niet meer opstaan, dat wij verdwalen en geen rust meer vinden. Laat ons niet in verwarring verstrikt, maar zend ons uw licht en uw trouw tegemoet: Jezus uw mens voor deze wereld.

VIII Vrouwen wenen om Jezus

Dochters van Jeruzalem, weent niet om Mij maar weent om uzelf en om uw kinderen. (Lucas)

Moeders wenend en weeklagend langs het pad dat ter dood veroordeelden dagelijks gaan. Ze kennen hem – de eerstgeborene, als een zuigeling gevoed, opgevoed door zijn moeder; als volwassene leefde hij tussen hen, genas hun ziekten, verzachtte hun pijn, omhelsde hun kinderen. Kan het kwaad in goed verkeren? Moeders van de wereld, kijk naar je gekwetste kroost,  de kinderen die je hebt gedragen. Kan je hen behoeden voor het geweld?

Wij bidden U, God van liefde, voor onze kinderen die het leven nog voor zich hebben: dat zij helder en jong zijn, dat zij open en ontvankelijk  hun toekomst tegemoet gaan dat zij durven leven met onzekerheden en opgewassen zijn tegen teleurstellingen. Mogen zij uitgroeien tot stevige volwassenen die bouwen aan een bewoonbare en menslievende samenleving.

IX Jezus valt voor de derde keer

Zwaar weegt zijn juk op mijn nek, hij heeft mijn kracht gebroken. (Klaagliederen)

Gebroken onder het gewicht van de hele wereld. Zijn gezicht gedrukt in het stof. Als een muis in een val gevangen onder het zware hout. Wie kan zich nog oprichten na zo’n val? Niemand is te zien – geen voorbijganger, geen wenende vrouwen, geen troostende vriend, geen moederlijke aanraking… zelfs niet de spottende menigte. Gebroken en eenzaam. Waar is God?! Kan iemand ooit opstaan na zo’n val? Hij, de Ene die vertrouwt. Hoog boven in de vaalblauwe lucht, schijnt de zon. Het voorzichtige licht rust op zijn gezicht.

God, dit woord waarmee wij U noemen is bijna dood en zonder betekenis geworden. Wij bidden dat het opnieuw van kracht mag zijn, als een naam die uw belofte naar ons toedraagt, als een levend woord waarin wij weten, dat Gij voor ons zult zijn zoals Gij zijt: betrouwbaar en verborgen en rakelings nabij. Ga met ons ook daar waar niemand met ons gaat.

X Jezus wordt van zijn kleren beroofd

De soldaten namen Jezus’ kleren en deelden ze in vieren, voor iedere soldaat een deel. (Johannes)

Beroofd van zijn eigenheid, getekend door het bloed. Een naadloos wit kleed, getrokken aan de vier hoeken scheurt middendoor in de vorm van een kruis. Drie kerkleiders trekken het kleed naar zich toe, misleid in hun geloof zijn zij blind geworden voor elkaar. De vierde hoek, rood bebloed, waait weg als een vlag. Het naadloos witte kleed is in stukken uiteen gevallen, verzwakt, verspreid en toch, bijeengehouden door de schaduw van het kruis.

Gij die geen naam vergeet, geen mens veracht, wij bidden U voor hen die weerloos zijnin de handen van de mensen:zie het niet langer aan dat her en der in deze wereld mensen gemarteld worden, kinderen gedood; dat wij de aarde schenden en elkaar het licht ontroven. Voor uw naamgenoten in ons midden: vluchtelingen, vreemden, wees niet niemand.
 

XI Jezus wordt aan het kruis gehangen

Allen die mij zien treffen mij met hun hoon, grijnzen smadelijk en schudden het hoofd. (Psalm 22)

Het zonlicht verduistert, kleuren worden vaal – waarom? Waarop is de blik van de mensen gericht of… wie kijkt naar hen? De mens die wordt gekruisigd… De arm van een Romeinse soldaat zwaait met de hamer en klopt meedogenloos op de nagel die zijn vlees doorboort. Op ieder gezicht een andere reactie: meelijden, spot, verdriet, ontzetting, afschuw, hoon… sommigen kijken weg, kunnen de aanblik niet verdragen; anderen duiken in de Schriften, op zoek naar zin. Ondertussen groeit de duisternis.

Gij die het sprakeloze bidden hoort achter de woorden die wij tot u spreken. Wij bidden om uw ontferming als ons kwaad ons te machtig wordt en uw liefde onbereikbaar lijkt als wij vrede vernietigen en niets meer verwachten van U: Blijf tot ons spreken, blijf ons bevrijden, blijf onze toekomst getrouw. Dat niet het laatste woord is aan de dood. Dat niet de duisternis ons overmeestert.
 

XII Jezus sterft aan het kruis

Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten? (Matteüs)

Een beeld van verschrikking: gemarteld, bebloed, gebroken – met dikke touwen op zijn marteltuig gebonden. Zijn hoofd verdwijnt in de duisternis, zijn mond slaakt een luide schreeuw. ‘Mijn God, mijn God…’ niet langer dode letter uit oude boeken maar een doorleefde, hartgrondige kreet. Het tempelvoorhangsel scheurt middendoor. Het is volbracht! De massa druipt ontzet af. Dit beeld is niet meer menselijk te noemen. Wie vindt de kracht om stand te houden bij dit lijden… een moeder, een vriend, een leerling.

O hoofd vol bloed en wonden, bedekt met smaad en hoon, o hoofd zo wreed geschonden, uw kroon een doornenkroon, o hoofd eens schoon en heerlijk en stralend als de dag, hoe lijdt Gij nu zo deerlijk! Ik groet U vol ontzag.

O Heer, uw smaad en wonden, ja alles wat Gij duldt, om mij hebt Gij het vervuld, zie mij in liefde aan.
 

XIII Het lichaam van Jezus wordt van het kruis genomen

Vrede laat Ik u na; mijn vrede geef Ik u. Niet zoals de wereld die geeft, geef Ik hem u. (Johannes)

Alles is voorbij! Geen tranen meer, geen pijn, geen strijd… zijn lichaam uiteindelijk tot vrede gekomen, veilig in de armen van zijn moeder. Stilte – innigheid – vrede… Een moeder omarmt met al haar tederheid het kind van haar schoot; naakt als op de dag dat hij geboren werd. Nu draagt zij hem naar de dageraad van een nieuwe geboorte. Een duif, met een olijftakje in haar bek, kondigt het nieuwe verbond van vrede aan – zijn geschenk voor ons allen.

Gij draagt en voedt de wereld - dag aan dag en dieper dan wij vermoeden zijt Gij in mensen ons nabij. Wij danken U voor allen die in de nacht waken en het licht dragen en bidden om uw liefde sterker dan de dood. Moedig ons aan dat wij voortgaan op de weg van het leven.
 

XIV Jezus wordt in het graf gelegd

Als de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft hij alleen: maar als hij sterft, brengt hij veel vrucht voort. (Johannes)

De lijkwade is doorschijnend, laat ons een rustend lichaam zien, vrede op het gelaat, handen getekend met bloed. Binnen in het graf is het donker en koud, buiten kondigt zich een stralend nieuwe morgen aan. Het licht breekt door, voorbij de steen die de toegang verspert – het lijkt wel alsof het lichaam, in doeken gewikkeld, verblindt als een parel in een oester, een larve in haar cocon, en zaadje dat kiemt in de aarde, een vrucht in de moederschoot… hoe onvatbaar is het geheim van nieuw, groeiend leven.

Voor uw aangezicht gedenken wij in stilte onze doden, naam voor naam - wij bidden voor allen die leven moeten met een lege plaats aan hun zijde, voor hen die treuren om een kind dat zij moesten verliezen, om een vriend die weg viel uit hun kring, om een gemis dat niet te noemen is. Wees dichtbij.

Visioen naar Jesaja

De aarde zal bloeien en stralen als een narcissenveld als een ster aan de hemel. Eén en hetzelfde licht  daalt over allen neer – blinde ogen gaan open. Waar nu de jakhals huist, het adderengebroed, zal dan een drinkplaats zijn. Daar zullen herten komen. De bomen dragen vrucht. Dan zal daar staan een tafel. Gelach klinkt, en een liedje, van mensen met elkaar – geen mens meer zonder een ander. Een tentje in een tuin aan de rand van de afgrond, een mandje op het water, een ladder naar de zon, een vrijstad is de aarde, een huis waar alles woont, het staat, in eeuwigheid. De weg van het kruis