Leven met kanker
- Leven met kanker, is leven met verlies
- Vlaams instituut voor psychosociale oncologie: het Cédric Hèle Instituut vzw
- "Hoe langer hoe nooiter": getuigenis van VRT-journaliste Nina Verhaeghe
- Pastorale zorg (in het kader van een cursus oncologie voor verpleegkundigen) (Filip Zutterman)
- Filmpjes
- Literatuur
- Oncologie en geestelijke verzorging. Vormen en aspecten van begeleiding. Actuele vragen en uitdagingen
- Toen David zijn stem verloor
- Dit is jouw lichaam. Dagboek van een afscheid
- De passie van leven, liefde en dood
- Ik ben bij je - steun aan het sterfbed
- 'Doosje vol troost': Kinderen en het verlies van hun (groot)ouder
- Websites
Leven met kanker, is leven met verlies
Met dank aan Goedele Van Edom

Kanker is wereldwijd een veelvoorkomende, levensbedreigende ziekte. Alleen al in ons land krijgen jaarlijks zo’n 58.000 mensen te horen dat ze kanker hebben. Dat zijn ongeveer 160 personen per dag, of een persoon om de tien minuten. Terwijl kanker vroeger gelijk stond aan sterven in de onmiddellijke toekomst, is dat vandaag in de hoge inkomenlanden niet meer het geval. Door verbeterde screenings- en behandelingsmogelijkheden slagen artsen er steeds vaker in mensen van kanker te genezen, of beter gezegd de ziektevrije periode aanzienlijk te verlengen. Slechts een aantal typen kanker zoals het kleincellig bronchuscarcinoom vormt daarop een uitzondering, en staat ook vandaag nog gelijk aan een vroegtijdige dood. Een gevolg van het steeds langer leven met kanker is, dat de kwaliteit van leven aan belang wint. Dat brengt ons meteen bij de vraag op welke manier pastorale zorg een kwalitatieve bijdrage kan leveren aan iemands leven met kanker. We kunnen daarbij onmogelijk op alle aspecten van pastorale zorg ‘met’ mensen met kanker ingaan. Daarom beperken we ons vooral tot één aspect van de pastoraalpsychologische dimensie van pastorale zorg (levenshulp), namelijk het bieden van ondersteuning bij verliesverwerking.
Leven met een ingrijpende ziekte zoals kanker, is leven met verlies
Zo is er het verlies van de vanzelfsprekendheid van de lichamelijke gezondheid. Mensen met kanker hebben door hun ziekte en belastende therapieën vaak te kampen met allerlei tijdelijke en/of permanente lichamelijke bijwerkingen, beperkingen of verminkingen. Daarbij kan gedacht worden aan haarverlies, braken, extreme vermoeidheid, seksuele problemen, littekens of amputaties. Deze lichamelijke gevolgen van kanker leiden vaak niet alleen tot verlies van vertrouwen in en vervreemding van het eigen lichaam. Ze tasten niet zelden ook het lichaamsbeeld en het gevoel van zelfwaarde aan. Daarnaast is er het verlies van de vanzelfsprekendheid van het psychisch welzijn. Het aantal emoties dat per seconde door het lichaam en hoofd van mensen met kanker kan gieren, is soms ongelooflijk. Intens verdriet, doodsangst, wanhoop, schuldgevoelens en woede, zijn daar nog maar enkele voorbeelden van. Het zijn normale reacties van normale, evenwichtige personen op de verwerking van intens verdriet. Maar ze kunnen iemands leven enorm op z’n kop zetten. Leven met kanker is ook leven met het verlies van de vanzelfsprekendheid van het sociale leven. Mensen met kanker zijn meestal niet meer in staat om alledaagse rollen (zoals partner, ouder, vriend of collega-zijn) op dezelfde manier als voorheen te vervullen. Lichamelijke en/of psychische gevolgen van kanker dwingen de meeste mensen immers naar nieuwe invullingen van seksualiteit en intimiteit te zoeken, gezinstaken uit handen te geven, tijdelijk of geheel met werken te stoppen en sociale ontmoetingsmomenten met vrienden geregeld af te zeggen. Dat maakt dat kanker niet alleen bij mensen met kanker zelf, maar ook bij de naaste omgeving tot heel wat stress leidt. Want ook partners, kinderen, ouders en vrienden hebben af te rekenen met allerlei verlieservaringen. Ten slotte is er het verlies van de vanzelfsprekendheid van het eigen voortbestaan. Ondanks de verbeterde vijfjaarsoverleving beleven mensen de diagnose kanker nog vaak als een doodsvonnis. Dat komt omdat kanker wereldwijd de belangrijkste doodsoorzaak is en wellicht nog een hele tijd blijft. De confrontatie met kanker verandert dan ook het theoretisch weten dat ‘alle’ mensen ooit moeten sterven, in een persoonlijke ervaring dat ‘ik’ kan sterven. Dat besef van de eigen sterfelijkheid gaat naast gevoelens van angst, eenzaamheid en/of wanhoop vaak ook met allerlei levensvragen gepaard.
|
Hoe kan een pastor iemand met kanker bij de verwerking van deze verlieservaringen helpen? Daarvoor laten we ons inspireren door de Vlaamse klinisch psycholoog en rouwdeskundige Manu Keirse. Hij stelt dat verlieservaringen van mensen met een levensbedreigende ziekte een rouwproces op gang kunnen brengen dat vergelijkbaar is met de verwerking van een overlijden. In navolging van onder meer de Amerikaanse psycholoog en rouwdeskundige William Worden deelt Keirse de emotionele rouwarbeid die mensen met kanker moeten leveren in vier rouwtaken op: (1) het onder ogen zien van de werkelijkheid van het verlies, (2) het ervaren van de pijn van het verdriet, (3) het organiseren van het leven met kanker en (4) het verlies een plaats geven en opnieuw leren houden van het leven. Bij elk van deze taken kunnen pastores helpen, en daardoor de kwaliteit van iemands leven verbeteren. Daarom gaan we kort op elk van deze vier taken in. |
1. Het onder ogen zien van de werkelijkheid van het verlies
Het moment waarop mensen te horen krijgen dat ze kanker hebben, dat de ziekte teruggekeerd is of de behandeling geen zin meer heeft, staat vaak voor eeuwig in het geheugen gegrift. Het is een crisismoment dat een ware schok teweegbrengt; mensen kunnen het slechte nieuws niet geloven (‘het kan niet waar zijn’, ‘het moet een vergissing zijn’), zijn verdoofd (‘het was alsof ik ergens onwezenlijk ver weg was’, ‘ik kon geen woord meer uitbrengen’) of voelen zich verpletterd (‘het was alsof het plafond naar beneden viel’, ‘het was alsof de grond onder mijn voeten wegzonk’). Dat komt omdat de werkelijkheid van het verlies te groot en te beangstigend is om onmiddellijk en ten volle tot zich te laten doordringen. Als reactie hierop gaan de meeste mensen het slechte nieuws geheel of gedeeltelijk ontkennen. Ontkenning maakt het immers mogelijk om de werkelijkheid van het verlies geleidelijk onder ogen te zien. Het duurt dan ook vaak een hele tijd vooraleer iemand slecht nieuws ten volle – zowel verstandelijk als emotioneel – tot zich laat doordringen.
Pastores kunnen mensen met kanker bij het opnemen van deze eerste taak helpen door er-voor te zorgen dat ze correcte en volledige informatie krijgen. Dat kan bijvoorbeeld door iemand aan te sporen met de behandelende arts over gewenste informatie in dialoog te gaan. Pastores kunnen deze persoon er ook toe aanzetten het gesprek met de behandelende arts voor te bereiden, en belangrijke vragen op te schrijven. Tijdens overlegmomenten met artsen kunnen emoties er immers toe leiden dat bepaalde vragen niet worden gesteld. Diezelfde emoties kunnen er eveneens voor zorgen dat mensen belangrijke informatie gaan verdringen. Daarom is ook het noteren van verkregen antwoorden niet onbelangrijk. Het geeft iemand de mogelijkheid om na het gesprek bepaalde informatie terug op te zoeken en na te lezen. Mits toestemming van de persoon zelf wordt verkregen, kunnen pastores ook plaatsvervangend met de behandelende arts contact opnemen. Ze kunnen de arts erop wijzen dat iemand verwerkingsmoeilijkheden ondervindt door verdringing van informatie. De arts kan dan in een gesprek met deze persoon de reeds gegeven informatie herhalen, en toetsen of deze daadwerkelijk doordringt.
Gewenste informatie krijgen, is niet alleen belangrijk om de werkelijkheid van het verlies te laten doordringen. Het kan eveneens belangrijk zijn om angst te reduceren, een weloverwogen behandelingsbeslissing te nemen, realistische doelen te formuleren en bepaalde praktische regelingen te treffen. In de praktijk gebeurt het wel eens dat artsen niet alle gewenste informatie geven. Een veelvoorkomend voorbeeld daarvan is het verzwijgen van prognostische informatie. Artsen durven vaak geen prognose aan mensen meedelen. Ze zijn bang hen daarmee alle hoop te ontnemen, en daardoor de gezondheidstoestand te verergeren. Onderzoek toont echter aan dat deze angst ongegrond is. Personen die zoveel mogelijk goede én slechte informatie wensen, blijken omwille van de bovenvermelde redenen doorgaans hoopvoller te zijn dan anderen. Informatie maakt dus dat mensen beter met zichzelf, hun gezondheidstoestand en de eigen sterfelijkheid in het reine kunnen komen. Daarom ligt hier een belangrijke ‘profetische’ taak voor pastores. Pastores kunnen ertoe bijdragen dat mensen ‘tot hun recht komen’. Dat kan door iemand aan te sporen op een constructieve manier met de behandelende arts over gewenste informatie in dialoog te gaan, of door indien gewenst plaatsvervangend voor het ‘recht op informatie’ (wet op de patiëntenrechten) van iemand op te komen.
Naast de eerdergenoemde ‘profetische taak’, kunnen pastores mensen helpen door ruimte te creëren voor ‘onbeantwoordbare vragen’. Mensen met kanker gaan niet zelden op zoek naar een verklaring voor wat hen overkomt. Omdat die verklaring niet altijd te vinden is, blijven ze vaak in alle eenzaamheid met allerlei vragen achter, waarop niemand een antwoord heeft. Pastores kunnen mensen aanmoedigen om dergelijke vragen toe te laten en te stellen. Verwerking bestaat immers veel meer uit het mogen stellen van vragen, dan uit het vinden van pasklare antwoorden. Verder kunnen pastores mensen in situaties van crisis en leed helpen door er aandachtig, liefdevol en zorgzaam ‘voor hen te zijn’. Daarbij kan gedacht worden aan het doelbewust naar mensen met kanker toegaan, ze inlevend nabij zijn, hun situatie troostend mee uithouden, ze onvermoeibaar nabij blijven, zich met de verlangens van mensen inlaten (‘wat verlangt gij?’), de richting en het tempo van de begeleiding samen bepalen, hun verhaal elke keer weer aandachtig beluisteren, mensen een goed gevoel geven zonder intieme grenzen te overschrijden, moeilijke wegen in alle onmacht samen bewandelen, meevoelen zonder zich daarbij in medelijden te verliezen, en hen tijdig los- maar niet in de steek laten. Het hoeft niet gezegd dat dergelijke nabijheid doorheen het hele verwerkingsproces belangrijk is. Maar in deze rouwtaak kan aandachtige en liefdevolle nabijheid ertoe leiden dat mensen voldoende vertrouwen en veiligheid ontwikkelen, zodat ze samen met pastores stap voor stap op de werkelijkheid van het verlies durven afgaan.
2. Het ervaren van de pijn van het verlies
Verlieservaringen van mensen gaan vaak met intense pijn gepaard. Die pijn kan in lichamelijke klachten naar buiten komen, zoals hevige pijnscheuten, extreme vermoeidheid, gebrekkige concentratie en/of huilbuien. Bij iemand met kanker kunnen dergelijke klachten erg beangstigend of verwarrend zijn. Ze kunnen immers de idee opwekken dat de klachten met de tumor te maken hebben, en aanzien worden als herval of verslechtering van de gezondheidstoestand. Daarnaast uit de pijn van het verdriet zich in emoties en reacties zoals boosheid, schuld- en schaamtegevoelens en/of depressieve gevoelens. Mensen proberen deze pijn soms weg te duwen of te ontvluchten, bijvoorbeeld door er niet te veel aan te denken, zich van eigen gevoelens af te sluiten of het verlies te minimaliseren. Dat kan een tijd goed gaan, maar vroeg of laat wreekt zich dat. Verlies verwerken kan immers niet zonder recht door de pijn van het verlies heen te gaan.
Pastores kunnen mensen met kanker bij het vervullen van deze tweede taak helpen door ze de kans te geven bij hun pijn stil te staan. Dat kan door een vertrouwensband met mensen op te bouwen die veilig genoeg is om emoties toe te laten en te uiten. Pastores zeggen ook best dat gevoelens van agressie, schuld of intens verdriet en lichamelijke pijnscheuten volstrekt normaal zijn. Het zijn normale reacties van normale, evenwichtige personen op de verwerking van verlies. Het kan eveneens belangrijk zijn dat laatste naar zorgverleners toe te verduidelijken. Zij durven wel eens een heel leger van psychosociale begeleiders op iemand afsturen die tijdens de verzorging ‘heel emotioneel’ werd, pijn door verlieservaringen met antidepressiva of slaap- en kalmeermiddelen beantwoorden of iemand die boos of agressief reageert als ‘lastige patiënt’ bestempelen. Pastores kunnen ook met rituelen werken. De kracht van rituelen bestaat er onder meer in dat ze mensen in contact kunnen brengen met hun emoties. Ze maken het ook mogelijk om emoties die nog niet te verwoorden zijn toch te uiten. Samen met iemand op zoek gaan naar een ritueel ‘op maat’ – gaande van een christelijk ritueel (ziekenzalving, ziekenzegening, communiebedeling of verzoeningsgesprek) over een religieus of spiritueel ritueel (Golem, klankschalen, Mandala’s of spirituele dans) tot een algemeen menselijk ritueel (boetseren, schilderen, schrijven of musiceren) – kan dan ook bijdragen aan de verwerking van de pijn die met kanker gepaard gaat.
3. Het organiseren van het leven met kanker
Iemand met kanker staat ook voor de taak zich aan het leven met de ziekte aan te passen. Keirse deelt deze taak nog verder op in ziektegerelateerde en algemene taken. Mensen met kanker moeten niet alleen leren omgaan met de beperkingen die de ziekte hen oplegt en de vaak technische ziekenhuiswereld waarin ze terechtkomen (ziektegerelateerde taken). Ze zien zichzelf ook voor de taak gesteld een redelijk emotioneel evenwicht te bewaren, het zelfbeeld bij te stellen, betekenisvolle relaties te onderhouden en zich op een onzekere toekomst voor te bereiden (algemene taken). Om deze taken te kunnen vervullen, hanteren mensen meestal niet een maar meerdere verwerkingsmechanismen zoals sociale steun, ontkenning, interne controle, positieve herinterpretatie, humor, informatie en/of zinvinding.
De Amerikaanse onderzoeker Jeffrey Albaugh wijst zorgverleners erop dat ook spiritualiteit of ‘het geloof in een hogere kracht of wezen dat het leven leidt’ een belangrijke rol kan spelen bij het omgaan met een levensbedreigende ziekte. Enkele voorbeelden uit zijn onderzoek tonen dit aan. Zo haalden sommige mensen troost en kracht uit spirituele overtuigingen (bijvoorbeeld geloven dat men de ziekte niet alleen moet dragen), spirituele personen (inclusief hun gebeden, wensen en kaarten) en schriftlezingen, gebeden en devoties. Bij bepaalde mensen leidde spiritualiteit zelfs tot een vorm van aanvaarding en overgave. Door een toegenomen vertrouwen in God, durfden ze het onzekere verloop van hun ziekte aan God uit handen geven. Ten slotte waren er mensen die vanuit hun spiritualiteit een positieve levensvisie (‘het leven is een geschenk of zegen’) konden behouden en/of zin en betekenis in hun ziekte wisten te geven (‘de ziekte heeft me doen inzien wat echt belangrijk is in het leven’).
Pastores kunnen mensen bij het opnemen van deze derde rouwtaak helpen door ze op verhaal te laten komen. In en door het verhalen over hun ziekte (illness narrative) krijgen mensen immers niet alleen inzicht in wat het krijgen van kanker voor hen betekent. Door het verhalen wordt er ook orde geschept in de chaos die kanker in hun leven teweegbrengt. Het is een manier om alles op een rijtje te zetten, controle te krijgen over wat hen overkomt, verlieservaringen hanteerbaar te maken en een betekenisvol geheel te construeren (narrative reconstruction). Kortom, al verhalend kunnen mensen weer op verhaal komen in het leven. Het kan eveneens zijn dat pastores mensen tegenkomen die niet weten hoe ze met hun ziekte moeten omgaan. Samen met hen kunnen pastores dan op zoek gaan naar verwerkingsmechanismen ‘op maat’. De vraag op welke manier iemand in het verleden met verlies is omgegaan, kan daarbij een belangrijke leidraad vormen. Diezelfde hulpbronnen kunnen immers ook van betekenis zijn bij het omgaan met verlieservaringen door kanker. Mensen met kanker merken hulpbronnen ook niet altijd bij zichzelf op. Pastores die aandachtig en zorgzaam naar het levens- en/of ziekteverhaal van mensen hebben geluisterd, kunnen deze ‘onopgemerkte’ maar wel aanwezige krachtbronnen dan benoemen en aangeven.
4. Het verlies een plaats geven en opnieuw leren houden van het leven
Ten slotte staat iemand met kanker voor de taak om opnieuw van het leven te leren houden. Keirse wijst in dat verband op drie belangrijke criteria die bepalend zijn voor verwerking: (1) zich doorgaans terug goed voelen in het leven en weer van kleine alledaagse dingen kunnen genieten, (2) de problemen van het leven weer aankunnen en (3) minder in beslag genomen worden door de intense gevoelens van het verlies. Opvallend in de verhalen van mensen met kanker is, dat sommigen zelfs een zekere zin weten te vinden in wat hen overkomt. Zo lezen we in de autobiografische roman Borstkanker van Sofie De Vuysere:
"Ik kan naar waarheid zeggen dat ik gegroeid ben door het krijgen van kanker, door het verwerkingsproces. Ik ga anders om met mensen die normen zoals egoïsme, jaloezie, prestaties, rijkdom of aanzien… hanteren. Ik vraag me af welke ‘rijkdom’ ze in zich dragen als persoon want dit zijn alle oppervlakkige normen. Ik laat hen gewoon aan de zijkant van mijn levensweg staan en kijk naar de weg die voor mij ligt en die ik bewandel samen met de mensen die voor mij belangrijk zijn, die dezelfde waarden als ik belangrijk vinden, namelijk oprechte liefde, respect, vertrouwen en eerlijkheid. Ik heb geleerd me niet langer te ergeren aan allerlei futiliteiten die sommigen toch zo belangrijk vinden, ik verdoe mijn tijd – die toch zo kostbaar geworden is – niet langer aan zinloze zaken. Aan de buitenkant ben ik veranderd, maar voornamelijk aan de binnenkant. Ik voel aan mezelf dat ik rijper, dieper en echter geworden ben. Ik gebruik mijn energie om te leven en te genieten van elke dag. Het leven is een feest, en elke dag sta ik op en ga ik slapen met dit gevoel. Ik verfoei de mensen die ’s morgens zuchtend uit hun bed stappen, en ben zelf dankbaar voor elke dag die aanbreekt."
Pastores kunnen mensen bij deze laatste taak helpen door de eerste tekenen van verwerking te benoemen en te bevestigen, zoals ‘het doet me deugd je op die foto weer te zien lachen’, ‘het valt me op dat je veel rustiger over je ziekte kan praten dan vroeger’, ‘het doet me plezier dat je opnieuw voldoende concentratie hebt voor het lezen van een goed boek’ of ‘je klinkt veel krachtiger dan voorheen’. Door mensen de eerste indicaties van verwerking te leren zien, kunnen ze tot het besef komen dat hun moeite niet voor niets is geweest en zich aangemoedigd voelen om hun verwerkingsproces verder te zetten. Bij iemand die nog steeds op de eerste tekenen van verwerking wacht, kunnen pastores hun geloof in de groeikracht van deze persoon uitspreken: ‘Zolang jij het nog niet kunt geloven, geloof ik in jouw plaats dat er een dag komt waarop je opnieuw van het leven zult houden’. Op die manier geven pastores perspectief aan mensen mee.
|
Ter afronding willen we nog op drie aspecten van verliesverwerking bij mensen met kanker wijzen. In de eerste plaats zijn er geen twee mensen die kanker op dezelfde manier of met dezelfde intensiteit beleven noch verwerken. Iedere rouwtaak zal dan ook door iedere persoon met kanker op een unieke manier beleefd en vervuld worden. Ten tweede staan niet alleen mensen met kan-ker voor deze vier rouwtaken. Kanker heeft men immers nooit alleen. Ook partners, familieleden, vrienden, collega’s en zorgverleners van mensen met kanker moeten de rouwtaken op zich nemen. Ten derde kan er bij de verwerking van kanker gesproken worden van ‘chronische rouwarbeid’. Kanker evolueert immers steeds meer naar een chronische ziekte, waardoor mensen met voortschrijdend verlies te maken krijgen. Dat maakt dat ze bij elke nieuwe beperking steeds weer voor de taak komen te staan het verlies onder ogen te zien, door de pijn van het verlies heen te gaan, zich aan het leven met de beperking aan te passen en opnieuw van het leven te leren houden. |
Waarom heb ik verdriet?
Waarom heb ik verdriet
Ik weet het werkelijk niet
Het gaat toch goed met mij
Waarom ben ik zo weinig blij
Ik was zo’n sterke vrouw
Maar nu ben ik in rouw
Alles een plekje geven
Verder gaan met leven
Maar wat het is
Angst, zorgen, gemis
Ik weet het niet
Ik heb verdriet
Een nieuwe start
Ik raak verward
Verhuizen, een nieuwe baan
Een heel nieuw bestaan
Het lukt me niet
Ik heb verdriet
En toch, ik leef, ik tril
Ik voel, ik ril
Ik lach, ik gil
Ik praat, ik ben stil
Doe ik dit allemaal niet
Dan heb ik gewoon verdriet.
(Bea de Bruin-Bijl, Kanker in beeld)
Geraadpleegde bronnen:
J.A. ALBAUGH, Spirituality and Life-Threatening Illness: A Phenomenologic Study, in Oncology Nursing Forum 30 (2003) 593-598.
J. BEULLENS & M. KEIRSE, Verdwijnt de hoop van patiënten met kanker en verzwakt hun gezondheidstoestand door de mededeling van slecht nieuws?, in Tijdschrift voor Geneeskunde 56/16 (2000) 1160-1165.
H. DE HAES, L. GUALTHÉRIE VAN WEEZEL & R. SANDERMAN, Psychologische patiëntenzorg in de oncologie. Handboek voor de professional, Assen, Van Gorcum, 2009.
S. DE VUYSERE, Borstkanker. Mijn ervaringen als arts en borstkankerpatiënte, Tielt, Lannoo, 2004.
M. KEIRSE, Omgaan met een ongeneeslijke ziekte. Lessen uit de praktijk, in Tijdschrift voor Geneeskunde 62/19 (2006) 1370-1379.
M. KEIRSE, Omgaan met ziekte. Een gids voor de patiënt, het gezin en de zorgverlener, Tielt, Lannoo, 2004.
S. SNAUWAERT & S. VAN BELLE, Slechtnieuwsgesprekken in de oncologie: shift van diagnose naar prognose, in Tijdschrift voor Geneeskunde 65/8 (2009) 343-347.
J.W. WORDEN, Verdriet en rouw. Gids voor hulpverleners en therapeuten. (Oorspr. Grief Counseling and Grief Therapy. A Handbook for the Mental Health Practitioner), Amsterdam, Swets en Zeitlinger, 1992.
WEBSITE KANKER IN BEELD, http://www.kankerinbeeld.nl (toegang 26.01.2011).
WEBSITE WORLD HEALTH ORGANIZATION (WHO), http://www.who.int/cancer (toegang 26.01.2011).
Vlaams instituut voor psychosociale oncologie: het Cédric Hèle Instituut vzw
Het Cédric Hèle Instituut vzw is een Vlaams instituut voor psychosociale oncologie dat zich tot alle professionelen richt die actief zijn in de zorg voor mensen met kanker. In eerste instantie wil het een centraal aanspreekpunt zijn voor deze groep van zorgverleners. Zij kunnen hier terecht voor opleiding en vorming, voor onderlinge contacten en uitwisseling van ervaring, voor wetenschappelijk onderzoek en informatie. Daarnaast neemt het instituut een aantal taken op zich die het nodig acht om het veld van de psychosociale zorg voor kankerpatiënten verder uit te bouwen, te optimaliseren en te ondersteunen.
Een van deze initiatieven was een symposium (4 december 2010) met als titel ‘Kwali-tijd. Méér psychosociale oncologie door organisatie en training.’ Katelijn Daels, pastor in AZ Groeninge, Kortrijk, nam er als pastor deel aan een panelgesprek. De uitnodiging om deel te nemen aan het panel was een positief signaal naar meer erkenning van de plaats van de pastor in het oncogebeuren. Wettelijk (plan Onkelinckx) is er immers geen kader waarbinnen de pastor plaats heeft. Ook de spirituele dimensie wordt niet geëxpliciteerd in de uitbouw van psycho-sociale zorg. Dit ontbreken van het wettelijk kader betekent dat we met onze beroepsgroep moeten ijveren voor de communicatie met de zorgverleners die wel een plaats kregen binnen de psycho-oncologie. Enerzijds om onze eigen plaats binnen de oncolgische zorg te vrijwaren, anderzijds om de aandacht voor de spirituele dimensie in hun zorgtaak bij de andere zorgverleners levendig te houden.
Het Cédric Hèle Instituut kan dankzij hun vormingen, intervisie en werkgroepen die openstaan voor meerdere disciplines een forum zijn waar we onze stem kunnen laten horen, en waar samenwerking misschien meer openheid en aandacht voor onze beroepsgroep kan bewerkstelligen. Het biedt ook interessante informatie om ons eigen referentiekader wat te verruimen. In overleg met het Cédric Hèleinstituut kan u via onderliggende link uw naam opgeven zodat u op de hoogte blijft van hun vormingsaanbod. Het lijkt ons meer dan aangewezen dat zij op de hoogte zijn van de aanwezigheid en het belang van pastores in de begeleiding van patiënten oncologie.
http://www.cedric-heleinstituut.be/documents/home.xml?lang=nl
Met vriendelijke groet, namens de stuurgroep pastoraal en ethiek in ziekenhuizen.
Jacques De Vlieger Hilde Quintens, directeur secretariaat Caritas West-Vlaanderen vzw, Bosdreef 5, 8820 Torhout
Tel.: 050/74 56 22, Fax: 050/74 56 26
"Hoe langer hoe nooiter": getuigenis van VRT-journaliste Nina Verhaeghe
Aan de rand van de dood is het leven intenser. Dat heb ik dit jaar vaak gedacht toen mijn broer ziek was. Vooral op momenten dat we heel gewone dingen deden die plots, door de zandloper van de resterende tijd die onzichtbaar naast hem liep, buitengewoon werden. Een wandeling in zijn straat, een korte fietstocht in zijn wijk toen zijn lichaam zich heel eventjes herstelde van de verwoestende chemo, een koffietje-met-zon in de tuin van het ziekenhuis, de wind in zijn haardos die hij gelukkig niet kwijt was. Hoelang zou hij nog bij ons zijn? Niet lang dus. De ziekte raasde als een orkaan door zijn lijf en door ons aller leven, de aftakeling ging snel, genadeloos. Hij ademt nog. Hij ademt niet meer. De overgang die voor altijd kippenvel geeft.
Lees meer op redactie.be
Filmpjes
"I feel better" zet UZ Leuven op stelten
In Leuven is op de startshow van Kom Op Tegen Kanker (maart 2013) al meer dan een miljoen euro opgehaald. Het thema dit jaar is kanker bij kinderen en de gevolgen op latere leeftijd. Bekijk het filmpje op deredactie.be.
Anne
Anne vertelt hoe zij omwille van haar terminale ziekte afscheid moet nemen van vrienden en familie. Elkaar graag zien is voor haar de meest zinvolle boodschap. Ze schrijft op haar blog http://hallomeneergodmetanne.blogspot.be over haar ervaringen met ziek zijn en lijden. Anne is overleden op 13 december 2012. We hopen dat ze mag rusten bij een liefdevolle God.





