Vera Nelen: Het ziekenhuis, een plek waar ook de Onzichtbare te vinden is

Is het allemaal kommer en kwel in het ziekenhuis? Dat hangt er van af hoe je het bekijkt. Voor mij als ziekenhuispastor beslist niet. Ik zie zoveel mooie en goeie dingen gebeuren. Akkoord, ziek worden blijft een groot leed dat we met alle mogelijke middelen moeten bestrijden. Maar juist in dat gevecht kan zoveel positiefs naar boven komen. Als pastor ben ik er vaak getuige van. Mag ik enkele verhalen vertellen over waar gebeurde feiten? Kostbare parels te vinden op de ziekenhuisvloer. Parabels, zoals we er vinden in het evangelie. 

De parabel van de kleine glaasjes

Ik bezocht reeds enkele keren een mijnheer van middelbare leeftijd. Hijzelf was weinig spraakzaam, maar zijn vrouw praatte honderduit. Ze vertelde dat haar man tevens dialyse patiënt is en niet veel mag drinken. Het bezorgde haar schuldgevoelens: zij zette voor zichzelf steeds een vol glas op tafel en voor haar man maar een half gevuld glas. Het voelde onprettig en discriminerend aan. Tot ze bij de vorige ziekenhuisopname van de vrouw van de kamergenoot hoorde dat die er wat op gevonden had. Ze had kleine glaasjes gekocht en zo hadden ze samen het onderscheid weggewerkt. Wat een idee! Deze goede ingeving was intussen al herhaaldelijk doorverteld aan lotgenoten. Een wonderlijk verhaal van liefde. Wat schreef Paulus ook al weer? ‘Als ik de liefde niet heb ben ik niets. Drie dingen blijven altijd bestaan: geloof, hoop en liefde, maar de liefde is de voornaamste’. (1 Kor. 13, 2.13)

De parabel van de warme deken

Zij had het thuis steeds te warm, hij – met z’n zware dieet – had het steeds te koud. Als verjaardagsgeschenk kocht ze voor hem een elektrische deken, en hij stelde voor om dan het raam op een kier open te zetten. Zo hadden ze beiden de kans om heerlijk te slapen. De kunst van het compromis of de vindingrijkheid van de liefde, zoals je het noemen wilt. Maar ik als pastor mag het verbinden met de woorden uit de eerste brief van de apostel Johannes. ‘Nooit heeft iemand God gezien, maar als wij elkaar liefhebben woont God in ons’. (1 Joh 4, 12). Zo mag ik deze mensen bevestigen in hun liefde. En zelfs als ik aanvoel dat ik dit zinnetje beter niet uitspreek, dan nog mag ik zelf deze link wel leggen en mag ik er God dankbaar om zijn dat Hij mensen van elkaar doet houden.

De parabel van de familie uitbreiding

Twee patiënten die de kamer delen zullen allebei op dezelfde dag ontslagen worden. De ene mevrouw is erg blij, de andere barst in tranen uit. Er is geen huisgenoot, geen familie, geen opvang. Het verschil met haar buurvrouw wordt nu extra pijnlijk. Het was tevoren ook al zo moeilijk geweest om als weduwe getuige te zijn van de manier waarop de man van haar kamergenote liefdevol elke dag op bezoek kwam. Aan de vooravond van hun ontslag loop ik nog even binnen om afscheid te nemen en wat blijkt? Mijnheer heeft aangeboden om ook haar mee naar huis te nemen. Hij zal in de eerste dagen ook voor haar zorgen tot ze wat sterker wordt en alleen weer verder kan. Wat een opluchting! Wat een vreugde! Drie gelukkige mensen op één kamer!Als pastor kun je veel woorden besteden aan christelijke naastenliefde. Deze man en zijn vrouw hebben daar geen nood aan. Zij doen het! 

De parabel van het binnentuintje

Ik word opgebeld door een verpleegkundige van neonatologie. Er is een kindje erg ziek. Mama en papa vinden het verschrikkelijk dat hun kindje zal sterven zonder dat het ooit de buitenlucht heeft gevoeld en de hemel heeft gezien. Kan het dat ze met het kindje, mama en papa even via de sacristie naar het binnenkoertje gaan? Dat is de kortste weg om aan buitenlucht te geraken. Ja natuurlijk! Twee verpleegkundigen zijn in de weer voor dat kleine extratje bovenop alle andere intensieve zorgen. Ze maken er een punt van om een hartewens in vervulling te doen gaan.

De parabel van de kerstnacht

Een zwaar zieke patiënt en zijn vrouw weten dat het hun laatste kerstmis samen zal zijn. Er hangt al de hele dag verdriet in de kamer. Straks is de bezoektijd afgelopen en moet mevrouw naar huis. .. Tot de verpleegkundige met avonddienst in de kamer komt en zegt: ‘mevrouwals u wilt mag u hier vannacht blijven slapen. We kunnen uitzonderlijk het tweede bed voor u vrij houden’. Wat een kerstcadeau! Later op de avond kom ik langs en zie hoe mooi de verpleegkundigen de beide bedden naast elkaar hebben geschoven, een klein nachtlampje brandt, het is opeens een prachtige hotelkamer geworden met twee gelukkige mensen. ‘Vrede op aarde aan alle mensen van goede wil’ zing ik in mezelf en ik bedank en bewonder de verpleegkundigen.

Zo zou ik verder kunnen gaan met verhalen die telkens warme zorg en fijngevoelige aandacht illustreren. Er zijn artsen, verpleegkundigen, kinesisten, sociaal werkers, diëtisten en vele andere hulpverleners, maar ook medepatiënten en families die in de bres springen voor dat ‘net iets méér dan het gewone’, het buitengewone in het gewone’. Dat gulle, gunnende, vrije, blije, die creatieve manier om het menselijke aspect voorop te stellen. Mensen in de weer voor mensen. Als pastor zie ik hierin God aan het werk. Hij, de onzichtbare, is in ons midden aanwezig en geeft ons ogen om te zien, oren om te luisteren, een hart dat begint te spreken. Ik bevestig het goede dat gebeurt, leg de dank van mensen neer in de kapel, vertel er – als het kan – een Bijbelwoord bij om te laten proeven dat dit de kern is van het christelijk geloof: ‘bemin elkaar zoals Ik u heb liefgehad’. (1 Joh 4, 11)