Uitsmijters Ann Verscuren

Pastorale Perspectieven 138 (2008) - Drempelvrees

verdichte - verdachte gedachten
bij mijn eerste schreden als ziekenhuispastor

De deur staat open. Dat wel.
Maar durf ík eigenlijk binnen in deze zinnen?
Als ik mijn hoofd nu eens door de eerste woorden steek.
Speuren tussen de witte ruimtes.
Zoeken naar tekens die me welkom heten.
O, hier snurkt het zachtjes.
Ogen zitten gesloten in een leunstoel.
Een bleek gezicht vangt licht.
Trilt er iets? Oogleden? Nee toch.
Ik zal maar niet storen.
Haastig schuifel ik terug uit al het wit.
Opgelucht. Ik hoef me niet te wagen.

Mijn ijverige lijstje leidt me naar een nieuwe deur.
Opnieuw draait mijn hoofd zich om het hoekje van de taal.
En botst op een frons. Op ogen als kogels. Afweergeschut.
Ik verstijf. Uitroeptekens komen als pijlen op me af.
"Kom niet dichterbij!!!" razen ze door mijn hoofd.
Of kronkelen ze als vraagtekens "durf je me nabij???"
Ik raad maar wat. Dyslexie steekt de kop op -
verergert onder druk van zoveel zinnen.
Ik moet hier snel een punt achter zetten.
"Excuseer me", mompel ik naar het gefrons.
Alsof ik verkeerd verbonden ben.
En wijk weer uit. (Kan even rusten tussen de haakjes.
Veilig. Zucht. Moe dat ik ben. Heb nochtans nog niks gedaan.)

Ik dwaal weer verder. Hoofd voorop. Mijn hart volgt in galop.
Euh, hier is het duidelijk druk. Verzameld werk - daar valt geen letter aan toe te voegen.
Een knikje. Beleefd. En opschuiven maar weer. Naar het einde van de gang.
Volgende alinea.
Zou het echt? Een hoofd, scheef van nieuwsgierigheid. Een glimlach. Zwart op wit.
Ah, dit is dus een uitnodigende glimlach.
Hier kan ik de drempel over. Hier word ik goed gezind.
Er tollen woorden rond, ik haal de zinnen binnen:
al drie jaar ziek, chemo, eten uit een zak boven haar bed,
de kleinkinderen zo lief – kijk, een foto van de schatten.

De zinnen zijn bijna aan hun eind gekomen.
Ze leest er nog eens diagonaal doorheen. En schudt haar hoofd.
Ze. Zette. Overal. Meteen. Een. Punt. Achter.
Wachtte, aarzelend, achter, komma's.
(Verschool zichzelf tussen haakjes.)
Een ander joeg haar niet buiten de zinnen,
nee, dat deed ze vakkundig zelf.
Alle deuren stonden open. Dat wel.
Maar zelf stond ze ongegrond op slot.
On-ge-Grond op slot.

ook te lezen als verdachte - verdichte gedachten
bij mijn eerste zinnen in Pastorale Nieuwsbrief/Pastorale Perspectieven

naar boven 


Pastorale Perspectieven 139 (2008) - Hoopje

Beste pastor Ann

U komt regelmatig bij me langs hier in het ziekenhuis. Dat apprecieer ik. Het doet me deugd dat ik met u kan praten over dingen die ik soms moeilijk kan delen met anderen. Niet iedereen wil of kan horen dat ik misschien wel ga sterven en dat ik daar - letterlijk - doodsbenauwd voor ben. U kan dat wél aan. Of toch niet? Er moet me namelijk iets van het hart. U hebt me zover gekregen dat ik met u over mijn zorgen en mijn angst durfde praten, maar nu lijkt het wel of u me er zo snel mogelijk geestelijk bovenop wil laten komen. Alsof mijn wanhoop nu wel genoeg geweest is. Alsof ik maar een goede zieke ben – of u misschien een goede pastor ? – als ik sprankeltjes licht wil vinden, of u die mij kan aanreiken. Ik wil u vragen: hou het met mij uit in mijn wanhoop; dat is het meest hoopgevende dat u voor mij kan doen.
Op hoop van zegen dat u deze straffe taal ook aan kan. Ik hoop u spoedig weer aan mijn bed te zien.

Beste groeten,

Mevr. X, afdeling Y

Deze brief heb ik aan mezelf geschreven, in een poging mijzelf als pastor door de ogen van sommige patiënten te zien. Ik kom zo haarfijn bij één van mijn valkuilen uit, zijnde: er moet iets 'hoopvols' - lees: rust, verzoening, aanvaarding, harmonie - gebeuren, of ik voel mij een slechte pastor. Nu ik heb ingezien dat ik mensen door mijn houding soms onrecht aandoe, voel ik mij natuurlijk wéér...
Dat verzuchtte ik dan ook eens tegen iemand: ‘Ik ben gewoon geen goeie pastor’.
En die iemand vroeg heel wijs: ‘Stopt het daar dan mee, of mag je van jezelf ook een goeie pastor wórden?’ Dat verraste me. Ik was vergeten dat er ook zoiets als worden bestaat.
Een hoopje mens zijn we. Uit aarde werden we geboetseerd, adem werd ons gegeven. Twee keer in de passieve vorm. Ik heb mezelf niet gevormd, noch mezelf adem gegeven. Het is aan mij gebeurd.
Oeroude verhalen vertellen van dit begin, dat meteen ook een einde lijkt, want ‘zo zijn we nu eenmaal geschapen’. Maar gaandeweg hoor ik er ook een opdracht in. Ja, ik ben al een hoopje mens. En ja, ik mag dat nog méér worden. Door mijn eigen grond te vinden, dicht bij mijzelf, en van op mijn eigen plek een ander te kunnen ontmoeten. Door mijn adem te laten stromen, in mij, zonder dat ik die helemaal aan mijn medemens moet geven.
De schepping is niet af, de schepping gaat elke dag verder. Ook in mij, aan mij, door mij. Het hoopje mens mag méér hoop worden.

naar boven 


Pastorale Perspectieven 140 (2008) - Vergeef-mij-nietjes te koop

Ja, u ziet het goed.
Vandaag verkoop ik bloemetjes op deze bladzijde.
Broos en klein zijn ze, en frêle-blauw.
In één oogopslag leest u mijn bordje:
vergeef-mij-nietjes te koop.
En u loopt door.
Of beter: uw lichaam loopt door.
Uw geest blijft nog even hangen bij de woorden op het bordje.
Na drie meter haalt de geest uw lichaam in.
Doet u aarzelen.
Vertragen.
En op uw stappen terugkeren.
Nonchalant slentert u nog eens voorbij het bordje.
Handen in de zakken.
Uw ogen op vinkenslag.
Ze glijden over het bordje.
Knipperen verrast.
En dan komt het moment van de waarheid.
Durft u de verkoopster aanspreken?
Wijzen naar het bordje: een amusante schrijffout?

De verkoopster is geen vrouw van de grote meningen.
Ze weet alleen dat zij en het woord vergeving niet matchen.
In kerk en klas en catechese ging men er zo gladjes mee om.
Vond ze.
Je behoorde steeds maar 'vergiffenis te schenken'.
Aan je zus die aan je haar trok.
Aan de pestkoppen die je fietsbanden lieten leeglopen.
Zo simpel was het.
Vergiffenis schenken als een cadeau.
Zij hoorde er steeds 'vergiftiging schenken' in mee klinken.
Maar dat mocht ze niet denken.
Vond ze.
Toch ergerde ze zich.
Omdat je een halve heilige werd door te vergeven.
Ik heb de moordenaars van mijn dochter vergeven.
Gemompel. Bewonderende blikken. Applaus.
Dat je dus wel móest vergeven om het goed te doen.
Ik kan niet vergeten en niet vergeten.
Maar God wil dat toch dat ik het wél kan?
Als schuldige leek je nogal makkelijk vrijuit te gaan.
De bordveger ging gewoon over de zin die vol schrijffouten stond.
De dader moest er niet eens iets voor terug doen.

Deze keer zegt ze het met bloemen.
Vergeef-me-nietjes.
En ook: vergeef-je-nietjes.
Een stil pleidooi.
Vorig jaar hoorde ze over het contextuele denken.
Van Nagy, een Hongaars-Amerikaanse psychiater.
Hij kreeg ook de kriebels van 'vergeving'.
Ze vond het een opluchting.
Alsof ze eindelijk het recht had om allergisch te zijn.
Alsof ze eindelijk een bondgenootje had.
Alsof er iemand woorden kon geven aan haar vaag gevoel.
Deze Nagy vond vergeving vaak te vergoelijkend.
Hij had een ander woord.
Niet simpel.
Niet gladjes.
Een moeilijk woord.
Exoneratie.
De schuld van de ander blijft staan.
Maar je kan die – misschien – hertaxeren.
Door te kijken naar de omstandigheden van die schuld.
En zo de schuld opnieuw te wegen.
In perspectief te zien.
Door - eventueel - de ander met zijn schuld te confronteren.
En samen te zoeken of er iets terug gegeven kan worden.

Dus als ik weer eens te laat kom, voor de zoveelste keer.
En ik buiten adem sorry roep.
Vergeef het me dan niet meteen.
Sus me niet.
Laat me voelen dat ik je er onrecht mee aandoe.
Laat me niet te makkelijk ontsnappen.
Want schuld is des mensen.
En boete doen hoeft niet altijd zo ongezond te zijn.

U komt niet tevergeefs op deze bladzijde.
Er zijn nog bloemetjes.
Frêle-blauw zijn ze.

naar boven 


Pastorale Perspectieven 141 (2008) - Gedachtenflarden

Ik durf het niet luidop te zeggen, maar soms lijk je meer werk te hebben met je vrijwilligers dan met je patiënten. Over elke pietluttigheid die zich in hun rangen voordoet, moet ik natuurlijk ingelicht worden. Niet door één persoon, maar om de beurt door iederéén die zich op zijn teen getrapt voelt. Want ik ben dé pastor en ik ben toch ook hún herder. En voor alle stoom die afgeblazen moet worden, hebben ze jammer genoeg méér dan 5 minuten nodig.

Nu wil Carine 'jong vrijwilligersbloed' zoeken. Dat klinkt fantastisch natuurlijk, maar ik weet wel beter: dat jong volk wil ons, de ouderen, er gewoon uit hebben. Zijn we te langzaam, te ouderwets of zagen we te hard misschien? En die scholieren die af en toe mee komen helpen, allemaal goed en wel, maar is dat dan een voorbeeld voor dat 'jong bloed'? Die komen niet eens naar de mis. Die gaan wel netjes hun patiënten halen en terugbrengen, maar tijdens de mis zitten zij lachend cola te drinken in de cafetaria. Maar de patiënten vinden hén natuurlijk wel "schatjes" en "engeltjes".

Grenzen stellen. Duidelijke taken geven. Duidelijke overlegmomenten plannen. Duidelijke afspraken maken over uitnodigingen, feestjes, cadeautjes, privétijd van de pastor. Zucht. We gaan weer het verwijt krijgen dat alles zo officeel moet worden, in regeltjes, en dat het er vroeger allemaal veel losser en warmer aan toeging.

Ooit zag ik één van de pastores een halve minuut zoeken naar de rem van een rolstoel. Ze keek zelfs onder de rolstoel. Dan moet ik toch eens in mijn vuistje lachen, hoor. Het goed kunnen uitleggen, dat wel, maar wie doet hier eigenlijk het veldwerk?

Ik mag niet klagen; de meesten zijn fantastisch, evenwichtig, plichtsgetrouw. Die voelen heus wel dat de pastorale dienst hun werk waardeert. En zij dat van ons. Niet meer, maar ook niet minder. Het zijn er maar enkelen die zoveel meer nodig hebben en waar ik toch nooit genoeg aan kan geven. En toch verwacht ik heimelijk dat zij ons werk lichter maken. Maar nee,.ik moet als tegenprestatie naar hun sores luisteren, knikken, begrijpen en dat ene zinnetje zeggen waar ze als een hond van Pavlov op zitten te wachten: "Als je nog eens graag met me praat...." Als ze in een ziekenhuisbed zouden liggen, zou ik het als mijn roeping beschouwen om met hen op weg te gaan. Nu ze achter zo'n bed lopen, kan ik het soms nauwelijks opbrengen. Schone herder ben ik.

Nu moet je tegenwoordig ook al op sollicitatie komen voor een vrijwilligersjob. En regelmatig geëvalueerd worden. Zelfs als vrijwilliger moet je je dus bewijzen. Beseffen ze dan niet wat voor een druk dat weer op mij geeft? Ik misluk toch overal. Dat ze het eens aan de patiënten vragen wie er vrijwilliger mag zijn, hé, in plaats van dat iemand achter een bureautje dat beslist. Als ik geen communie meer zou mogen delen op de kamers, dan neem je mij alles af. Dan ben ik niemand meer.

naar boven 


Pastorale Perspectieven 142 (2009) - ‘Delf mijn gezicht op, maak mij mooi’

Het was het hoogtepunt van haar dag. Van Celies dag.

Haar zus was op bezoek geweest en had haar hele lichaam ingewreven met zo nen
bodymilk die thuis nog achter in een kaske lag. Haar huid was droog en leek op dorre, gebarsten aarde waar in geen maanden een druppel regen op was gevallen. De koude melk werd eerst soppend tussen de handen warm gewreven en dan met trage bewegingen langs haar armen en benen gestreken. Niet te zacht. Niet te hard. Juist goed.

Je gezicht ook? had haar zus aangeboden. Celie had dankbaar geknikt en legde haar hoofd achterover als een ware zonneklopster, klaar om tot in de verste uithoekjes de vingers van haar zus te ontvangen. Praten konden ze niet, daarvoor was ze te zwak, maar dit, dit was hun gesprek. Zo voel je je weer mens had ze tegen haar zus gefluisterd.

Twee dagen later dook de zus weer op met de beste lotions die ze in de apotheek had kunnen vinden: een tube voor het gezicht, een flacon voor de gevoelige huid en een dikke pot met vette voetcrème. Celie noemde haar zus met een schorre lach schoonheidsspecialiste. Zus zelf was verwonderd dat de vrouw die altijd zo stug overkwam, nu zo ontvankelijk kon zijn. Dit voedsel voor de huid bleek voedsel voor de ziel te zijn, voor allebei. Het werd een weerkerend ritueel.

Later was er ook nog vettig haar dat jeukte en de droogshampoo die haar dochter gebruikt had. En het nichtje dat even binnengesprongen was en haar nagels geknipt had. Die was er zelfs blij mee dat ik dat vroeg, want dat meiske frunnikt graag aan iemands handen.

Ze drukt me nog maar eens met de neus op de feiten. Dat een mens ook zijn lichaam is. En dat dat lichaam kan geven en ontvangen. Zelfs al kan er niet meer gesproken of gezien of gehoord worden, het lichaam maakt verbondenheid nog steeds mogelijk.

Het is niet aan mij als pastor om iemands haar te wassen of armen en benen in te smeren. En misschien hoeft het zelfs niet altijd aan de verpleging te zijn. Misschien kunnen we ook eens kijken naar de naasten die zo machteloos naast een ziekbed of sterfbed zitten omdat ze niets kunnen doen of niets meer kunnen zeggen. Zouden we hén zo eens geen potteke, tubeke of flaconneke durven aanreiken zodat ze hun dierbare kunnen aanraken? Zo voelen zijzelf zich misschien ook wel meer mens.

Als pastor zullen wij méér zien dan een schoonheidssalon. Wij zullen een heilig oliesel zien. Wij zien een sacrament. Zij zijn een sacrament.

Delf mijn gezicht op, maak mij mooi.

naar boven 


Pastorale Perspectieven 143 (2009) - Toekomstmuziek?

Een verbatim

P1 Goeiemorgen meneer, ik ben de pastor van uw afdeling en ik kom eventjes kennis maken. Is dat goed?
G2 (kijkt opgelucht) Ook ne goeiemorgen. Ja, 't is goed dat u hier bent. De dokters hadden gisteren slecht nieuws voor mij en daar moet ik toch van bekomen. 't Is uitgezaaid naar de longen, zeggen ze, en de chemo...
P3 Wacht eventjes, wacht eventjes. Voor u verder gaat, wil ik graag mijn laptop openklappen, dan kan ik meteen ons gesprek registreren. (wat gerommel en getik)
Uw patiëntennummer is toch 1561, niet?
G4 (Boos) Ik ben de Guy. En aan mij valt er niets meer te registreren. Ik ga dood.
P5 (Beheerst) Dat is geen enkel probleem, meneer. Ik heb een aantal modellen van interventies op mijn computer staan zodat ik dit gesprek in het juiste vakje kan onderbrengen.
G6 (Geïnteresseerd) En welke vakjes zijn dat dan? Ik zit alvast in 't laatste vakske van mijn leven.
P7 (Docerend) Wel, je hebt 1. kennismakingsgesprek k of l ; 2. begeleidingsgesprek k of l; 3. geloofsgesprek k of l; 4. afscheidsritueel k of l enzoverder enzovoort.
G8 (Geïntrigeerd) Wat is die k of l? Kotsen of liggen in mijn geval, ha ha.
P9 (Kortaf) In ons jargon betekent dat ‘kort’ of ‘lang’.
G10 (Snuift) En hoe lang is dat dan wel? Bij mij spreken ze nog over een maand of drie.
P11 (Verdedigend en vertrouwelijk) Tja, Guy, er is de laatste jaren wel wat bespaard op de tijd die we mogen gebruiken bij een patiënt. Kort is 5 tot 10 minuten, lang is 10 tot 20 minuten. En dan hebben we bij het management gelukkig nog kunnen bedingen dat we dat drie keer per week mogen verlengen tot 40 minuten.
G12 (Bedenkelijke blik) En waar is dat nu allemaal goed voor? Vertelt mij dat ne keer. Mijn vrouw zegt alleen maar dat ik zo mager ben en dat ik goed moet eten. Die wil het allemaal niet weten.
P13 (Levendig) Aha, en hier willen ze juist alles weten. Vroeger konden de pastors niet uitleggen waaruit hun job eigenlijk bestond – "aanwezig zijn zoals Jezus" klonk het vaagjes – en konden ze vooral geen resultaten voorleggen. Aangezien alles en iedereen nuttig moest zijn, werden er massaal pastors ontslagen. Daarom registreren we nu, zodat de managers kunnen zien hoe lang ik waar geweest ben en waarom, welke doelstellingen ik met u heb afgesproken en tot welk resultaat die uiteindelijk leiden.
G14 (Vermoeid) En welke doelstelling gaat u afspreken met mij? Allé, ‘t klinkt eerder als een doel-telling.
P15 (Werpt stiekem een blik op zijn horloge) Wel, Guy, daar hebben we weer een ander kolommeke voor. (Sluw) Als u mij nu eens zou willen helpen, kijkt u gewoon even naar deze 10 verschillende doelstellingen en pikt u er eentje uit. Goed?
G16 (Zucht, maar geeft zich gewonnen)
P17 Bedankt, Guy. Dat ging vlot. Misschien tot een volgende interventie. God zegene en beware u.

naar boven 

Pastorale Perspectieven 144-145 (2009) - Paaltjes?

Ooit deed ik mee aan een bomenwandeling,
met als gids een enthousiaste biologe.
Stap voor stap kreeg alles wat ik vroeger
alleen maar boom kon noemen een eigen naam :
Amerikaanse eik, inlandse eik, linde,
witte en grauwe abeel, es en els.
Vele jaren later kon ik op onze trouwdag
tenminste met zekerheid vaststellen
dat we onder een heuse `heilige´ plataan
ja tegen elkaar zouden zeggen.

We komen bij een wei, omgeven door prikkeldraad.
De roestige draad snijdt diep in de schors
van de bomen die ongelooflijk netjes rónd
die grazige wei staan. Mathematisch netjes.
Dit zijn nu wilgen, vertelt de gids trots,
alsof ze ze daar zelf heeft neergepoot.
Stel u voor. Dertig jaar geleden stonden
hier pááltjes met prikkeldraad rond.
De boer zijn koeien mochten niet gaan lopen.
Dus kapte de boer een wilg, zaagde en kliefde het hout
tot hij paaltjes overhield voor zijn wei.
Allemaal even groot, allemaal even dood.

Een mens zou denken dat hij dertig jaar later
nog steeds - vermolmde - paaltjes zou zien.
Maar nee. Een wilg is naar ´t schijnt
gewoonweg niet kapot te krijgen.
Zet zo´n verhakseld stuk wilg in de grond
en de kans is groot dat hij begint te schieten.
Wortel, twijg, tak, blad, groen, boom.
Wilgenhout groeit boven zijn geknot bestaan uit,
groeit zelfs door de grenzen van de draad heen.
Traag. Gestaag. Niet tegen te houden.
Zo ongelooflijk graag wil het leven,
dat het van een paaltje een boom kan worden.
Dat is wat we zien: grote bomen, met wiegende
wilgentakken boven hun knot.
Alsof ze juichen om de overwinning.

Het is een verrijzenisverhaal zonder weerga.

(Voor mij staat het ondertussen vast dat
het kruis waarop Jezus gestorven is
een kruis van wilgenhout geweest moet zijn.
Elk dood kruis krijgt in mijn verbeelding
al groene scheuten. Zie je ze ?
Elke keer als ik een kruisteken maak,
hoop ik vurig dat wij ook durven geloven
dat we wilgenmensen mogen worden.)

naar boven 

Pastorale Perspectieven 146 (2010) - De boom

Het is het eerste wat ik zie als ik haar kamer binnenkom: een ovalen kader boven de tafel, matgoud van kleur, met daarin een zwart-wit foto. Het is het portret van een prachtige jonge vrouw die een melancholische blik heeft en een zachte glimlach. Ik voel meteen een steek van jaloezie als ik de dikke krullen in het haar zie, al weet je met zo´n oude foto´s nooit of moeder natuur die krullen gegeven heeft of de krulspelden. Maar dat doet niets af aan de stille elegantie van dit hoofd dat oprijst uit een hoog, wit kraagje.

Ik vertel mevrouw Davidsen maar meteen dat ik mijn ogen niet van die foto af kan houden. En zij vertelt mij meteen het hele plaatje. Dit is mijn moeder, is ze niet prachtig? Ik heb haar eigenlijk nooit gekend. Ze stierf toen ik drie jaar oud was. Aan de Spaanse griep. Goh, het is zo lang geleden - ik ben er nu 97 - en toch krijg ik er nog tranen van in mijn ogen, is dat nu niet erg? Mijn vader stond er toen alleen voor, met twee jonge kinderen, mijn zus en ik. Hij heeft dat goed gedaan; hij moest vader en moeder tegelijk zijn. Maar ja, hij had ook zijn werk. Dus is er een soort oppas in huis gekomen, maar die was niet goed voor ons. We kregen slaag. Gelukkig is dat mijn vader ter ore gekomen en heeft hij die vrouw buiten gezet. Toen kwam er één of ander ver familielid, en zij was wél goed voor ons. 15 jaar lang is ze bij ons gebleven... Zie je op die foto dat kruisje rond mijn moeders hals? Kijk, dat heb ík gekregen, het hangt nu rond mijn hals. Ze tast met haar vingers naar het kleinood.

Na dat verhaal neemt ze me mee naar de dressoirkast, waar andere foto´s in zilveren lijstjes wachten op haar woorden. De trouwfoto van haar en haar man, zo stijfjes en serieus op een bruggetje. Hun drie kinderen bij hen op schoot, ook nog in zwart-wit: twee zonen in een soort matrozenpakje en een dochter, opgedoft in een trouwjurk op kindermaat. Opnieuw zie ik de zwierige krul in het haar. Dan de kleinkinderen - Tirolerpakjes en vlechten met strikken - en achterkleinkinderen - voor het eerst in kleurige T-shirts. Ze noemt de namen en wie bij wie hoort. Die foto´s zijn haar verleden én de toekomst waarin ze verder zal blijven bestaan. Die foto´s zijn haar leven.

Gestold leven. Een glimlach van een moeder die tot in de eeuwigheid blijft voortduren. Het jonge huwelijkspaar dat voor eeuwig gespaard blijft van reuma, rimpels en dood. Het geluk van kinderen in gesteven pakjes die nooit van je schoot af zullen springen.

In alle kamers van alle bewoners vind je zulke foto´s. Statige portretten, alsof het stuk per stuk graven en gravinnen zijn die in kastelen wonen. Broertjes en zusjes op een rij, hun gezichtjes in een onnatuurlijke draai naar de fotograaf gewend. Een bonte hoop kinderen, wat overbelicht, de kleintjes vooraan, de ouderen achteraan, gekiekt tijdens een familiefeest. Kleine afdrukken, zo groot als een pasfoto, die vastgeklemd zitten tussen een grotere kader. Geprinte blaadjes, met punaises op de muur gehangen, waarop de jongste spruiten van de stamboom je toelachen.

Het is gestold leven zolang ze onaangeroerd blijven. Vanaf het moment dat er vragend naar gewezen wordt, komen ze tot leven, alsof er met een toverstokje naar gezwaaid is. Met elk verhaal bij elke foto groeien de stambomen. Er wordt verteld welke takken mooi uitgegroeid zijn, er wordt soms met spijt verwezen naar wie er uit de schoot van de familie gesprongen of geduwd is.

Ik vraag mevrouw Davidsen wie er haar meer over haar moeder verteld heeft. Ik vraag in wie van de kinderen en kleinkinderen ze zichzelf en haar man herkent. Ik vraag om wie ze bezorgd is en wie er om haar bezorgd is. Ik durf te vragen wat er met het kruisje van haar moeder zal gebeuren als zij er niet meer is.

De takken van de stamboom buigen zich naar elkaar toe, ritselen met hun blaadjes, bewonderen de bloesems en rouwen om de afgestorven of afgebroken delen. Alle namen worden genoemd. De boom lééft. Wij schudden aan de takken en vangen de vruchten op. We kijken even omhoog, naar diegene boven de eettafel. Naar de glimlach, de krullen en het kruisje.

naar boven 


Pastorale Perspectieven 147 (2010) - Binnenkomen

Ik haal diep adem en stap de drempel over.
De drempel van een ziekenkamer is hoog, zelfs voor een ziekenhuispastor wiens werk grotendeels bestaat uit het binnen-komen bij zieke mensen. Dat gaat altijd met een zekere schroom gepaard. Als pastor heb je immers niets bij je om je achter te verschuilen. Geen dienblad met eten, geen medicijn tegen de pijn, geen wasbekken of pan, geen stethoscoop, geen kiné-oefeningen, geen dieetvoorstel, zelfs geen bloemen of chocolaatjes. Er is alleen jijzelf.

Net sprak een verpleegkundige mij aan. Of ik even zou kunnen langsgaan op kamer zeven? De man ligt hier al meer dan een maand en wordt deze namiddag overgebracht naar palliatieve. Zijn vrouw is bij hem en heeft het erg zwaar.
Mijn eerste gedachte: miljaar, ik had daar dus al veel eerder moeten binnenspringen.
Mijn tweede: wat ga ik daar dan nu eigenlijk nog doen, zo op het laatste nippertje?
Mijn derde: eerst maar eens de drempel over, dan zien we wel.
Toevallig heb ik deze keer wel iets bij me. Ik was immers op communieronde en draag dus een pixis vol hosties mee. Aangezien ik daar niet zomaar een veilig - en heilig - plekje voor vind op de verpleegpost, moeten de hosties maar mee op bezoek.

Ik haal diep adem en stap de drempel over.
Voorbij de drempel ontmoet ik een bejaard echtpaar met weinig woorden en veel verdriet. Het valt me op hoe samen ze er uitzien. Dicht bij elkaar, hand in hand, veel oogcontact. We praten even over hoe lang ze al getrouwd zijn, hun kinderen, wat het leven hen gebracht heeft, hoe de laatste maanden geweest zijn...
En dan zegt de vrouw beschroomd, terwijl ze naar de pixis op het nachtkastje kijkt: ge hebt ons Heer bij. Het is niet de eerste keer dat ik het op die manier hoor zeggen, maar ik sta weer versteld van de overgave en het geloof dat er uit spreekt. Voor mevrouw heb ik geen hosties bij, ik heb ons Heer zelf binnengebracht.

Ik haal diep adem - alweer - en vraag of ik hen misschien de communie mag geven, leeftocht voor onderweg. Ze kijken elkaar aan en knikken allebei van ja. Op datzelfde moment wéét ik wat mij te doen staat. Ik neem één stukje brood en breek het in twee. Ja, zeg ik, ik deel dit brood voor jullie in twee. Want dit brood vertelt ons over Jezus die zijn leven deelde met zieke en kwetsbare mensen. En het vertelt ook over jullie, want als man en vrouw delen jullie al zolang mekaars leven in goede en kwade dagen. Moge dit gedeelde brood jullie dan ook nu de kracht geven om samen te dragen wat nog komen gaat. En moge jullie samen blijven, hand in hand en oog in oog, zelfs over de drempel van de dood heen. Amen." Het bleef lang stil. Er was iets gebeurd aan hén en aan mij. De ziekenkamer leek wel een kerk geworden en deze mensen een pasgetrouwd paar.

Twee weken later krijg ik van mijn collega die op de palliatieve afdeling werkt, een gedachtenisprentje. Voor de priesteres, had de vrouw gezegd.
Mijn eerste gedachte: miljaar, ik heb deze mensen amper een kwartier gezien; ik verdien geen prentje, want ik ben niet met hen op weg geweest.
Mijn tweede: een ritueel kan dus meer kracht hebben dan duizend woorden.
Mijn derde: misschien heb ik ons Heer niet binnengebracht, maar heeft ons Heer mij wel de drempel overgeholpen.

naar boven 

Pastorale Perspectieven 148 (2010) - Training

Moet jij ook zo hard trainen als ik?
Trainen om telkens weer te zien wat er wél is en wat je wél kan.
Trainen in het tellen hoeveel kamers je vandaag bent binnengegaan
in plaats van hoeveel je er bent voorbij gelopen.
Trainen om jezelf niet steeds te vergelijken met je collega
die onvermoeibaar lijkt te zijn.
Trainen om de vrolijke groet van een verpleegkundige
- Lang geleden dat we je hier nog gezien hebben -
niet meteen als een verwijt aan jouw adres te interpreteren.
Trainen om op tijd naar huis te gaan en niet steeds te denken
Als ik dit nu nog even afwerk, dan....
Blijven trainen, anders gaat je conditie weer achteruit.

Knaagt het bij u ook zo hard als bij mij?
Als pastor – en niet alleen als pastor natuurlijk –
lijkt het of je nooit genoeg kan aanwezig zijn.
Ik moet dan denken aan de film Schindler’s List
waarin Oscar Schindler zich op het einde huilend afvraagt
of hij niet nog méér joden had kunnen redden.
Het is de tragiek van de naastenliefde, zegt mijn supervisor.
Het is behoorlijk hoogmoedig om te denken
dat je er voor iedereen zou moeten kunnen zijn,
confronteert een ander.
Fantastisch dat jij zo veel aan mensen wil geven
en daarom als een dweil thuiskomt,
zegt mijn lief fijntjes. En laat me aanvoelen dat hij niet echt
een dweil in gedachten had toen ie met me trouwde.

Klaagt het bij u ook zo lekker als bij mij?
Heerlijk om alleen, met twee of met z'n allen een stevig potje te zeuren.
Te veel vergaderingen, te veel administratie, te veel dit
en te veel dat om je van die naastenliefde weg te houden.
En dus maar weer trainen. Blijven trainen, elke dag.
Anders voel je je conditie verslappen.
Dan kom je weer in de greep van wat je denkt dat je moet doen,
in plaats van te doen wat je kan doen.

Of behoort u misschien tot die pastorale natuurtalenten?
Ze bestaan. Mild voor zichzelf en anderen, en toch kritisch.
Hun 'ja' is zoveel waard, omdat een 'nee' evenwaardig is.
Ze kunnen geven, maar kennen en aanvaarden hun grenzen.
Ze leven en werken zonder ingebeelde schuldgevoelens,
maar zullen reële schuld en verantwoordelijkheid op zich nemen.
Ze leren van hun fouten, zonder er constant onder gebukt te gaan.
Ze kunnen relativeren zonder onverschillig te worden.
Zij zijn dus goud waard.

Zucht. En ik, wat ben ik waard?
O-oooh! Fout, fout. Verkeerde vraag.
Denk aan je training...

En jij, moet jij ook zo hard trainen als ik?

naar boven 

Pastorale Perspectieven 149 (2010) - Ja!

Het begon allemaal bij Tania van afdeling C. Tania zou trouwen en stak dat niet onder stoelen of banken. Integendeel. Iedereen op het werk wist welke zaal er gekozen was, welke muziek er tijdens de mis zou klinken en wat het buffet te bieden had. Het resultaat was dat niet alleen haar collega´s, maar ook de bewoners van het rusthuis naar Tania´s grote dag toeleefden. Toen ze na haar huwelijksreis terugkwam met een berg foto´s, was het hek helemaal van de dam. Moa, zo´n schoon kleed; in onzen tijd zou daar nogal ne sleep aangehangen hemme - Ne ferme vent da gij hebt, Tania – Och zie hier ne keer, er liepen ook klein mannen in de suite mee - Goh, in onzen tijd droeg de hele familie wel nen hoed, hé?

Lieve, één van de animatoren, ving de vibraties op en gebruikte ze dankbaar in gespreksgroepen en bij de koffiebabbels. Hoe ging dat dan, trouwen in jullie tijd? Vertel eens over uw eigen trouwdag... De herinneringen borrelden op als krachtige bronnen. Familieleden werden aangesproken en aangestoken en gingen op zoek naar de trouwalbums van hun ouders. Een dochter kwam aandraven met de trouwjurk van haar moeder, compleet met sluier en sleep. Het geheel bleek prachtig te passen op de stoffige paspop in de activiteitsruimte en had vooral op demente bewoners een ware aantrekkingskracht. In de keuken vroegen ze zich lachend af of ze aan een bruidstaart moesten beginnen denken.
Lieve hoorde het grapje, liet het tot zich doordringen en kreeg er visioenen van. Ze belegde een eerste vergadering met haar collega, de ergotherapeuten, de afdelingshoofden en de pastor. Die knikten ja, ja, ja en nog eens ja.

Op de Grote Dag bruiste het van leven. Dank zij alle vrijwilligers zat iedereen om 15u. in de feestzaal, opgetut en wel. Het technisch personeel legde de laatste hand aan de rode loper die op een heuse catwalk lag. Wat ging hier allemaal gebeuren? Het was de pastor die als eerste de rode loper betrad. Als symbolen waren er een witte sluier, een zwarte hoed en enkele grote flessen wijn om het verhaal van Kana kracht bij te zetten. Het werd stil toen er kaarsjes aangestoken werden voor alle overleden echtgenotes, echtgenoten en kinderen. Maar toen er op het einde een heleboel glazen tevoorschijn getoverd werden om te klinken op een feestelijk samenzijn, was de sfeer weer luchtiger. Wij kunnen allemaal wijn voor elkaar zijn.

Erna was het de beurt aan Lieve. Zij vertelde dat de animatoren om trouwjurken en anekdotes gebedeld hadden bij personeelsleden. En daar zou nu een heuse modeshow mee gehouden worden. Het geklap en gelach waren niet van de lucht toen André, de klusjesman, met overtuiging de rol bleek te spelen van bruidegom. Op gepaste muziek paradeerden de trouwjurken van Anne, Inge, Lisa, Nele en zovele anderen over de catwalk. En natuurlijk kreeg Tania die als laatste bruid over de rode loper liep, het grootste applaus. De koks kregen alle eer toen het buffet opgesteld werd, en natuurlijk was er grote bewondering voor de gedroomde bruidstaart in zeven lagen... Aan tafel werden de naambordjes en witte bloemstukjes geprezen – werk van ergotherapeuten en bewoners. En het zal niemand verrassen dat er na het feestmaal zelfs een walsje gedanst werd. Lieve, de animator met de goede oren, hoorde het dan ook heel duidelijk. Overal werd er die dag ja gezegd. Het hele rusthuis zei die dag luid en duidelijk ja. Ja tegen elkaar. Ja tegen het samenleven in goede en kwade dagen.

naar boven