De deontologie van de pastor
Het najaarsnummer van Pastorale Perspectieven (september 2010) handelde over de deontologie van de pastor. Is het noodzakelijk om een deontologie van de pastor uit te werken en zo ja, wat kan de inhoud daarvan zijn? Wanneer moeten pastores informatie uit de pastorale contacten geheimhouden en wanneer kunnen ze die informatie delen met andere zorgverleners? Wat is een professionele attitude voor een pastor? Wat is de inhoud van het ambtsgeheim van de pastor? Op deze en andere vragen probeert dit nummer een antwoord te bieden. Elisabeth heeft uit dit najaarsnummer een aantal elementen gedistilleerd voor de Elisabeth-bezoeker. De neerslag ervan vindt u hieronder.
Filip Zutterman – hoofdpastor in het Imeldaziekenhuis in Bonheiden – stelt zich in het voorwoord de vraag of “een deontologie ons kan helpen bij de verdere ontwikkeling van onze professionaliteit?” Hij vervolgt: “ Is een dergelijke beroepscode voor pastores wenselijk, nodig, werkbaar…?” Zutterman wijst ook op het belang om de “deontologie te onderbouwen met een spiritualiteit van dienstbaarheid als eerbetoon aan ‘Die al wat leeft bemint’[1].
Emmanuel van Lierde interviewde Alphonse Borras, die meeschreef aan het boek La déontologie des ministères ecclésiaux[3]. Borras buigt zich over de vraag of een deontologie thuishoort binnen een kerkelijke context. Hij meent in ieder geval van wel. Hij legt uit dat “deontologie ontstond in vrije beroepen en handelde over de intermenselijke relaties. Indien een bepaalde gedragscode niet wordt gerespecteerd, gaat de beroepseer en de kwaliteit van de dienstverlening verloren. Ook in de kerk gaat het over een analoge vertrouwensrelatie met mensen.” Borras ziet ook de gevaren van een kerkelijke gedragscode in, namelijk de vraag of “de kerk met haar deontologie niet gewoon een modetrend uit de cultuur kopieert? Dreigt daarmee het ambt in de kerk niet tot een gewone job te worden gereduceerd en de kerk tot een instituut dat diensten aan de maatschappij verleent? Een kerkelijk bedienaar oefent niet zomaar van negen tot vijf een beroep uit, hij of zij is daartoe geroepen”, stelt Borras. Met een deontologie wil de kerk volgens Louis-Léon Christians, de samensteller van het boek en de voorzitter van de Franstalige kerkjuristen van België, “in tijden van normvervaging een kader scheppen dat de authenticiteit en de verantwoordelijkheid bevordert.” “Met een ethische gedragscode willen we zeker en vast niet het ambt tot een beroep reduceren, maar wel de missie van de kerk veiligstellen. Wanneer de kerk geen deontologie aan haar leden oplegt, handelt ze onverantwoord’’, besluit Christians.
De Luikse vicaris-generaal Alphonse Borras goot diedeontologie in Tien Geboden.
1. Respect voor de waardigheid van elke menselijke persoon. Niet alleen de rechten van de mens, maar ook het Bijbelse geloof dat elke mens een beeld van God is, zijn een oproep om alle mensen als broers en zussen van elkaar te zien. (link naar interculturaliteit leggen)
Reactie pastor Filip D’Hooghe[4]: “Het gaat erom de oproep om respect te hebben voor alle mensen ongeacht oorsprong, achtergrond, overtuiging, houding, fysiek … te onderschrijven en mee gestalte geven.” (Zie ook luik rond interculturaliteit)
2. De plicht van loyaliteit tegenover het instituut. Van een medewerker mag minimaal worden verwacht dat hij zich loyaal opstelt tegenover het instituut waarvoor hij werkt.
Reactie pastor Filip D’Hooghe: “Als we het hertalen naar respect voor de christelijke visie van waaruit we als voorziening werken, mag dit gebod gerust wat sterker worden uitgesproken. Ongeacht de eigen overtuiging of beleving wordt van elke medewerker verwacht dat hij zich professioneel opstelt binnen de visie van de voorziening. In concreto is het bijvoorbeeld de plicht van een opvoeder om een cliënt die aan de eucharistie wenst deel te nemen, de nodige begeleiding te bieden.”
Reactie pastor Roeland Polspoel[5]: “Het is uiteraard niet verstandig je ‘broodheer’ aan te vallen, maar een mate van vrijheid is ook nodig. Loyaal zijn ten aanzien van God en het evangelie is weer een andere zaak. Dat heeft met authenticiteit te maken: geloven in datgene waarvoor je staat.”
Reactie pastor Piet Vandevoorde[6]: “Wat zijn de grenzen van de loyaliteit? Dat zijn vragen die leven bij pastores, omdat ze soms het gevoel hebben dat die loyaliteit maar in één richting werkt.”
3. Het bewustzijn van de eigen voorbeeldfunctie. Al kan een deontologie niet verplichten heilig te leven, toch zijn allen geroepen tot heiligheid. De geloofwaardigheid van de kerk staat of valt met het goede voorbeeld van de gelovigen.
Reactie pastor Filip D’Hooghe: “Het is de houding die bepaalt hoe men voorbeeld kan zijn en niet de titel of ‘piëdestal’ waarop men zichzelf plaatst. Nederigheid is misschien wel de grootste factor binnen deze voorbeeldfunctie.”
4. Behoud van waardigheid. Bij kerkelijke bedienaren valt de publieke taak niet strikt van het privéleven en de vrije tijd te scheiden. Wat men doet en wie men is, valt niet te scheiden.
Reactie van pastor Filip D’Hooghe: “Klopt, maar dat mag niet betekenen dat men een soort soberheid of valse bescheidenheid moet opgekleefd krijgen.”
5. De plicht van terughoudendheid. Een kerkelijke bedienaar zal zich niet opdringen en met de nodige voorzichtigheid getuigen van het geloof. Ook op affectief gebied zal zowel de celibataire als de gehuwde bedienaar behoedzaam met zijn medemensen in relatie treden.
Reactie Elisabeth: In aanvulling op Borras zouden we kunnen zeggen dat pastoraal werk steeds een ontmoeting tussen ‘experten’ impliceert. De pastor is expert op het vlak van geloof en zingeving en heeft een eigen professionaliteit, de gesprekspartner is expert op het vlak van zijn of haar eigen leven, beleving en visie. Beide experten dienen elkaar te respecteren.
6. Onverenigbaarheid met de uitgeoefende taak. Uiteraard zijn bepaalde zaken onverzoenbaar met een kerkelijk ambt. Zo kan een pastoor volgens het kerkelijk recht niet tegelijkertijd een politiek mandaat uitoefenen of mag wie de gelofte van het celibaat aflegde, niet meer huwen.
Reactie pastor Roeland Polspoel: “Onverenigbaarheid is een kwestie van opvatting, waarbij de officiële kerkelijke opvattingen in veel gevallen niet overeenstemmen met die van veel gelovigen, theologen en pastores.”
Reactie pastor Piet Vandevoorde: “Heel wat jonge (en minder jonge) mensen die theologisch en pastoraal gevormd zijn en die solliciteren om als pastor te kunnen werken, engageren zich in relaties en samenlevingsvormen die veraf staan van de kerkelijke leer ter zake. Volstaat die vaststelling om te spreken van onverenigbaarheid met de uit te oefenen taak?
7. De taak van samenwerking en collegialiteit. In de geest van het Tweede Vaticaans Concilie zullen allen in de kerk vanuit het algemeen priesterschap broederlijk samenwerken. Dat houdt minimaal in dat een bedienaar zich niet negatief uitlaat over het kerkwerk van anderen.
Reactie pastor Roeland Polspoel: “Loyaliteit in de zin van verbondenheid, betrokkenheid en wederzijdse ondersteuning is een belangrijke plicht.”
Reactie pastor Piet Vandevoorde: “Hoe kunnen we als pastores leren inclusief te denken en te werken vanuit complementariteit?”
8. De taak raad en advies te vragen. Leken, diakens en priesters zullen bij elkaar te rade gaan, maar zij zullen ook de bisschoppen advies geven. Daartoe werden in de geest van Vaticanum II de priester- en pastorale raden opgericht, maar ook informele gesprekken zijn van onschatbare waarde.
Reactie pastor Filip D’Hooghe: “Naar mijn gevoel is er echter binnen ons huidig kerkmodel nog geen voldoende openheid om top down en bottum up te werken. Het blijft moeilijk om advies te geven aan hen die hiërarchisch hoger staan. Er moet minder schroom ontstaan bij de basis. Daarnaast dringt er zich een beleidsplan met een degelijk meerjarenplan en meetbare kwaliteitseisen op, waarin de lekenpastor een duidelijke rol krijgt.”
9. De plicht van permanente vorming. Net zoals in alle beroepen over permanente vorming wordt gesproken, zullen kerkelijke bedienaren zich geregeld bijscholen. Uiteindelijk blijven allen leerling in het geloof.
Reactie pastor Filip D’Hooghe: “Dat is zeker waar. Bij deze wil ik ook oproepen naar een multidisciplinaire dialoog tussen alle instanties die vorming aanbieden. Naast algemene vorming lijkt het me ook aangewezen om structureel plaats en tijd te voorzien om ervaringen uit te wisselen.”
10. Plicht van discretie en beroepsgeheim. Uiteraard is er het biechtgeheim in strikte
zin, maar in ruimere zin houden kerkelijke bedienaars zich aan discretie en beroepsgeheim. Dat is wezenlijk in elke vertrouwensrelatie. (Zie ook luik rond seksueel misbruik)
Nog een algemene reactie pastor Roeland Polspoel op Tien Geboden: “Wat bij Borras vergeten werd, is de plicht tot zelfzorg. Dit impliceert het tijdig afstand kunnen nemen van het pastorale werk.”
Nog een algemene reactie van pastor Piet Vandevoorde op Tien Geboden: “Mijn inziens betekent een deontologie voor al wie in kerkverband werkt, geen extra last of juk op de schouders. Wel een houvast, een kader waarbinnen mensen zich kunnen positioneren. De duidelijkheid die ontstaat belet immers niet dat pastores hun eigen denkwerk als individu en als team verder zetten. De vertaling naar de eigen pastorale praktijk dient dag na dag te gebeuren. Hoe belangrijk het deontologisch kader ook is, het is maar één van de twee longen waarmee een pastor ademt. De andere long is de spiritualiteit, het zelf geworteld zijn in een levende traditie van geloof, verhalen en rituelen. Net zoals bij de deontologie lijkt het mij een uitdaging te zoeken naar de gezamenlijke grond waarin pastores geworteld zijn, waardoor ze groeien en vrucht dragen. De zorg en aandacht voor een doorleefde spiritualiteit (individueel en als groep) zou voor mij ook in de tien geboden mogen staan. Wie stevig toegerust is op deontologisch en spiritueel vlak, kan zich ten volle geven aan zijn of haar dienstwerk. En om dienstbaarheid is het ons uiteindelijk te doen.”
Axel Liégeois, hoogleraar praktische theologie aan de KU Leuven en stafmedewerker ethiek bij de Broeders van Liefde in Gent, schrijft in Pastorale Perspectieven dat “pastores in de gezondheids- en welzijnszorg steeds meer geconfronteerd worden met een ethisch spanningsveld in verband met informatie: wanneer kunnen pastores informatie uit de pastorale begeleiding geheimhouden en wanneer kunnen ze die informatie delen met andere zorgverleners?” Hij merkt ook op dat “dit spanningsveld aan belang toeneemt door het elektronisch uitwisselen van informatie via email of een elektronisch dossier.” Liégeois houdt “een pleidooi voor een voorwaardelijk gedeeld beroepsgeheim van pastores.”
In het luik op Elisabeth rond het wettelijk kader (link leggen) vinden we de uitleg over wat het beroepsgeheim inhoudt voor alle zorgverleners en dus ook pastores (Strafwetboek, art 458). Liégeois vult zelf aan met te stellen dat “in de praktijk van de pastorale begeleiding, de gesprekspartners een nog strikter beroepsgeheim van pastores verwachten dan van andere zorgverleners.” Liégeois spreekt van een tweevoudige context waarbinnen pastores moeten omgaan met informatie:
Er is de vertrouwensrelatie tussen pastores en hun gesprekspartner en er is de samenwerkingsrelatie tussen pastores en andere zorgverleners. Hierdoor wordt een spanningsveld gecreëerd tussen het vertrouwelijk houden van informatie en het uitwisselen van informatie.
Liégeois spreekt in zijn ethisch advies[8] over het ‘gedeeld beroepsgeheim’. Hij duidt dit alsvolgt: “Als de zorgverleners in een team of een netwerk gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor de zorg voor een gesprekspartner, is het noodzakelijk dat ze ook onder elkaar de informatie kunnen uitwisselen die nodig is om deze verantwoordelijkheid op te nemen.” Hij vervolgt dat er “geen enkele wettelijk bepaling is die het gedeeld beroepsgeheim regelt, maar stelt wel dat het concept in overeenstemming is met de actuele ontwikkeling in de rechtsleer en de rechtspraak[9]. Liégeois:
De zorgverleners kunnen die informatie over een gesprekspartner delen, zonder hem of haar er telkens de toestemming voor te vragen. Omdat het team of netwerk goed afgebakend en herkenbaar is, is het voor alle betrokkenen duidelijk voor wie dit gedeeld beroepsgeheim geldt. Dit geldt voor alle informatie, ongeacht of die mondeling, schriftelijk of elektronisch wordt uitgewisseld.
Er worden ook een aantal voorwaarden aan het gedeeld beroepsgeheim verbonden - Het gaat met andere woorden over een voorwaardelijk beroepsgeheim. Liégeois somt ze op:
1. “Het is voor alle betrokkenen klaar en helder wie tot het team of netwerk van de gesprekspartner behoort, zodat het gedeeld beroepsgeheim op een transparante manier kan toegepast worden.”
2. “De pastores hebben een duidelijke zorgopdracht voor de gesprekspartner, namelijk de pastorale begeleiding. Zorgverleners die geen zorgopdracht hebben voor de gesprekspartner, worden niet in het team of netwerk van zorgverleners opgenomen, maar worden als derden beschouwd.”
3. “Het team of netwerk is gebonden aan het beroepsgeheim. Dit garandeert dat ze de vertrouwelijke informatie niet bekend maken buiten het team of netwerk van zorgverleners.”
4. “Bij de aanvang van de zorgopdracht informeren de zorgverleners de gesprekspartner duidelijk over wat het gedeeld beroepsgeheim in het team of netwerk inhoudt. Waarop ze in overeenstemming met de wet inzake patiëntenrechten (zie ook luik rond wettelijk kader op Elisabeth) de geïnformeerde toestemming of ‘informed consent’ van de gesprekspartner vragen. Alleen het overleg en de toestemming kunnen het vertrouwen in de pastorale begeleiding waarborgen. Daarbij is er ruimte om met de wensen van beiden rekening te houden (bijvoorbeeld over welke informatie wel of niet gedeeld mag worden). Als de gesprekspartner zijn of haar toestemming niet kan geven, dan vragen de zorgverleners de plaatsvervangende toestemming van de wettelijke vertegenwoordiger.”
5. “Bij het uitwisselen van informatie passen de zorgverleners de ‘relevantiefilter’ toe, waarbij de informatie gefilterd wordt op basis van de relevantie ervan voor het uitvoeren van de zorgopdracht. Dit vergt een grondhouding van zorgvuldigheid en prudentie.”
Liégeois besluit dat de vijf voorwaarden voor het gedeeld beroepsgeheim “een gefundeerd antwoord bieden op een vraag die momenteel sterk leeft onder de pastores, namelijk of het verantwoord is om mee te werken aan het elektronisch patiënten- of bewonersdossier. Op basis van de vijf voorwaarden hoeven pastores niet a priori neen of onverkort ja te zeggen. Ze hebben zelf het heft in handen om er op een ethisch verantwoorde wijze mee om te gaan. Om zorgvuldig te onderscheiden wat relevant of niet relevant is om op te nemen in het elektronisch dossier.”
Jacques Schelderling, theoloog en ethicus in Nederland, stelt dat pastores “bijzonder zuinig moeten omspringen met de eigen reputatie”.
In het verleden riep de aanduiding de aanduiding ‘pastor’ (priester,geestelijke) bij de meeste mensen nog diep respect op. De laatste decennia zijn pastores echter in de meeste Westerse landen op de zogenaamde beroepenladder (de rangorde van het prestige van beroepen) behoorlijk gedaald. Door de secularisatie is het beroep van pastor voor veel mensen steeds minder relevant geworden. De beroepsaanduiding ‘pastor’ is dus veel minder dan vroeger automatisch vertrouwenwekkend. De meeste pastores zijn direct of indirect (door een bisschoppelijke zending) verbonden aan het instituut ‘kerk’. Het vertrouwen in de kerk als instituut is de laatste jaren gedaald, onder andere door de schandalen rond seksueel misbruik. In het verleden stelden mensen vertrouwen in pastores, ook als zij hen niet of nauwelijks kenden, op grond van het feit dat ze door de kerk waren aangesteld. Op dit ‘aanvangskrediet’ aan vertrouwen hoeven pastores tegenwoordig nauwelijks meer te rekenen. Het vertrouwen dat mensen schenken aan een individuele pastor wordt dus steeds sterker afhankelijk van diens eigen reputatie en optreden.
Schelderling meent dat de omgang met de regels rond geheimhouding een makkelijk toegankelijke en controleerbare bron van informatie is voor de betrouwbaarheid van de pastor. Hij pleit dan ook voor een strenge naleving van de geheimhoudingsplicht, zonder het absoluut karakter ervan te onderstrepen.
Bij het verbreken van de zwijgplicht moeten vertrouwenspersonen twee beginselen hanteren: het beginsel van subsidiariteit en het beginsel van proportionaliteit. Het beginsel van subsidiariteithoudt in dat de vertrouwenspersoon een oplossing probeert te vinden waarbij hij de wet (i.c. het beroepsgeheim) niet behoeft te overtreden. Hier kan de pastor bijvoorbeeld de pastorant aansporen om in geval van misbruik zelf aangifte te doen of hulp te zoeken. Het beginsel van proportionaliteit houdt in, dat de vertrouwenspersoon moet proberen de schade voor alle betrokkenen zo klein mogelijk te houden. De pastor kan bijvoorbeeld in een specifieke misbruikcasus de schade beperken door in eerste instantie alleen contact op te nemen met een vertrouwensarts of met een meldpunt voor kindermishandeling. In uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld bij kindermishandeling en seksueel misbruik van kinderen, mogen pastores hun ambtsgeheim doorbreken. Het is in zulke gevallen moreel en kerkrechtelijk verdedigbaar om een bevoegde instantie in te schakelen. (Zie ook luik rond seksueel misbruik).
Klik hier om dit nummer van Pastorale Perspectieven te bestellen





