Justitie versus hulpverlening: een wereld van verschil

De hulpverlening start vanuit de beleving van het kind-slachtoffer. Voor het kind is het belangrijk om gesteund en geloofd te worden, omdat het zich vaak verantwoordelijk voelt voor het geweld. Justitie start vanuit de situatie van de dader. Zolang er geen bewijs is van schuld, blijft de dader onschuldig. Kinderen zijn in dit opzicht extra kwetsbaar. Het verhaal van het kind moet niet bewezen worden voor de hulpverlener, terwijl dit voor justitie wel het geval is. De hulpverlener kan het slachtoffer geloven op basis van het verhaal, de beleving en de emoties. Hulpverleners willen in de eerste plaats een veilige leefsituatie creëren. In de tweede plaats gaat men op zoek naar hoe de dader eeen bijdrage kan leveren tot het herstel van het slachtoffer. Hulpverleners nodigen de dader ook uit om de feiten te erkennen, omdat het een blangrijke stap is in het herstel van het kind, terwijl justitie net door haar paradigma ‘je bent onschuldig tot het tegendeel bewezen wordt’ ontkenning aanmoedigt. Daarom pleiten o.a. Liesbet voetnoot Smeyers en Peter Adriaenssens voor een systeem van positieve sanctionering, waarbij daders die meewerken met het gerecht voordelen krijgen.

kindermishandelingEen andere belangrijk verschil is hoe de hulpverlening en het gerecht omgaan met het verhaal van het slachtoffer of de dader. Voor justitie is een verhaal een getuigenis. Als er onjuiste elementen blijken in te zitten, dan spreekt men van een valse getuigenis. Voor een hulpverlener kan het verhaal ook een symbolische betekenis hebben. Het kind kan bijvoorbeeld de gruwel van de feiten in symbolische taal gieten om voor zichzelf een overleefbaar levensverhaal te creëren. Een hulpverlener gaat niet op zoek naar de hele waarheid van het verhaal, maar naar de kern van het verhaal, of het kind al dan niet misbruikt is.

Ook de omgang met het verleden verschilt. Een hulpverlener heeft interesse voor de geschiedenis van de ouders en van het gezin. Er kunnen pijnlijke verhalen van ouders naar boven komen en ook psychiatrische stoornissen kunnen een rol spelen. Hiermee willen hulpverleners de gebeurtenissen niet rechtvaardigen, maar wel proberen te begrijpen hoe het zover is kunnen komen. Justitie is vooral geïnteresseerd in eventuele andere incidenten in strafrechelijke sfeer.

Justitie en hulpverlening werken bij kindermishandeling beide met strafbare feiten. Justitie werkt met straf, terwijl hulpverlening met morele verantwoordelijkheid werkt: ‘ouders zijn verantwoordelijk voor wat gebeurd is’.

kind met beerDeze verschillen in aanpak kunnen leiden tot spanningen bij de overdracht van het dossier van het ene kader naar het andere. Hulpverleners vinden het frustreren dat ze geen vat hebben op wat er gebeurt bij justitie. Ze moeten het kind uit handen geven aan een systeem waarvan de hulpverlener niet kan voorspellen wat er zal gebeuren. Dit kan soms ook de vertrouwensrelatie schaden. Maar ook justitie probeert soms te dicteren wat er in de hulpverlening moet gebeuren. Dit kan leiden tot grensvervaging. Het slachtoffer weet dan niet meer waar beide kaders voor staan. Het slachtoffer kan bijvoorbeeld denken dat er in de hulpverlening geen beroepsgeheim bestaat en bijgevolg niet alles meer toevertrouwen aan de hulpverlener. Dit is niet bevorderlijk voor het hulpverleningsproces. Daarom is het belangrijk dat beide kaders de grens respecteren en erop vertrouwen dat het andere kader goed werk doet.

Het bestaan van de twee kaders is ook een troef. In de grens tussen beide kaders ligt ook een bron van creativiteit. Omdat de hulpverlener niet kan voorspellen wat justitie met het verhaal zal doen, bezint hij of zij zich grondiger over de wenselijkheid van de doorverwijzing naar het pakket. Als men dan uiteindelijk toch beslist om door te verwijzen dan zijn er dikwijls al sterkere argumenten. Bovendien vergroot dit ook de kans dat justitie de aanmelding van de situatie van de jongere ernstig neemt. Bovendien houden beide kaders mekaar in positie. Justitie zorgt voor de naleving van de wet, wat aan de hulpverlener toelaat om therapie te bieden. Als de hulpverlener ook nog eens met straf zou kunnen dreigen, zou dit de vertrouwensrelatie niet ten goede komen. Omgekeerd, als de rechter therapeutische raad zou geven, zullen veranderingen in het gezin eerder ontstaan uit angst voor de consequenties, dan uit overtuiging.

vertrouwenscentrumDe Vlaamse gemeenschap bevestigt het belang van het bestaan van beide kaders. In Vlaanderen wordt de hulpverlening vooral voorzien door de Vertrouwenscentra Kindermischandeling. In 1997 vaardigde de vlaamse regering een besluit uit tot vaststelling van erkenning en subsidiëring van de Vertrouwenscentra Kindermishandeling. De oorspronkelijke benaming, Centrum voor Hulpverlening inzake Kindermishandeling, werd vervangen door ‘Vertrouwenscentrum Kindermishandeling’, een naam die door de zes centra éénvormig wordt gebruikt.

In 2002 kwam er in het kader van het kwaliteitsdecreet een nieuw besluit van de Vlaamse regering over de erkenning en subsidiëring van de Vlaamse Vertrouwenscentra Kindermishandeling. Daarnaast verscheen er ook een ministerieel besluit over de kwaliteitszorg in de vertrouwenscentra.

De Vlaamse gemeenschap wijst op het belang van vertrouwenscentra en hulpverlening op eerste plaats. Vandaar dat er in de Nederlandstalige Gemeenschap hulpverleners meldingsrecht hebben aan justitie, terwijl er in de Franstalige en Duitstalige gemeenschap meldingsplicht is.

Bron: P. ADRIAENSSEN, L. SMEYERS, C. IVENS & B. VANBECKEVOORT, In vertrouwen genomen, Tielt, Lannoo, 2000, p. 90-101.

Terug naar hoofdpagina thema seksueel misbruik