Ook juridisch voorziet de staat in regels omtrent het beroepsgeheim. In het strafwetboek staan alle bepalingen waaraan personen gebonden aan een beroepsgeheim zich moeten houden. Het is een complex kluwen aan regelgeving. Hieronder zetten we de belangrijkste op een rijtje.
Voor een uitgebreide juridische behandeling van het beroepsgeheim in de zorg- en welzijnssector, zie: I. VAN DER STRAETE EN J. PUT, Beroepsgeheim en hulpverlening, Brugge, Die Keure, 2005.
“Geneesheren, heelkundigen, officieren van gezondheid, apothekers, vroedvrouwen en alle andere personen die uit hoofde van staat of hun beroep kennis dragen van geheimen die hun zijn toevertrouwd, en deze bekendmaken buiten het geval dat zij geroepen worden om in recht of voor een parlementaire onderzoekscommissie getuigenis af te leggen en buiten het geval dat de wet hen verplicht die geheimen bekend te maken, worden gestraft met een gevangenissstraf van acht dagen tot zes maanden en met geldboete van honderd euro tot vijhonderd euro.”
Er zijn twee gevallen in deze wet opgenomen, waarbij personen met een beroepsgeheim de geheimhoudingsplicht mogen doorbreken.
De eerste uitzondering heeft betrekking op een getuigenis voor een rechter. In dit geval heeft de persoon met een beroepsgeheim het recht om een geheim bekend te maken. Dit recht houdt in dat de persoon niet vervolgd kan worden wegens schending van het beroepsgeheim, maar dit ontslaat hem of haar niet van de plicht om zich te houden aan de deontologie van zijn beroepsgroep. Hij of zij loopt bijgevolg nog altijd het risico van een tuchtsanctie. Het spreekrecht geldt niet ten aanzien van de politie of het parket. Daarnaast heeft die persoon ook het recht om te zwijgen. Een getuige kan niet verplicht worden om zijn of haar beroepsgeheim te doorbreken. Dit wil echter niet zeggen dat de persoon niet moet komen getuigen. Iemand die wordt opgeroepen om te getuigen moet hierop ingaan, ook al is hij of zij van plan om het beroepsgeheim in te roepen.
De tweede uitzondering beroept zich op wetten die mensen met een beroepgeheim verplicht om bepaalde zaken bekend te maken: dit wordt de wettelijke verplichting tot bekendmaken genoemd. Hieronder hoort de aangifteverplichting bij de wettelijke overheid. Dit houdt in dat bepaalde strafbare feiten schriftelijk of mondeling aangegeven moeten worden. De aangifte moet gebeuren bij de procureur des Konings of aan andere instanties die bevoegd zijn om strafvervolgingen uit te voeren.
De aangifteverplichting staat in een spanningsverhouding met het beroepsgeheim. Waar het beroepsgeheim dient om bepaalde zaken geheim te houden, wil de aangifteverplichting deze geheimen net openbaar maken. In wat volgt bespreken we de aangifteverplichting en wat de verhouding daarmee is met het beroepsgeheim. Onder juristen is er discussie over de term verplichting: verplicht dit wetsartikel werkelijk de houder van het beroepsgeheim om het geheim bekend te maken of gaat het eerder om een toelating om dit te doen? Juristen neigen eerder naar het tweede. Er bestaan verschillende soorten aangifteplichten
Iedereen die getuige is geweest van een aanslag, zowel tegen de openbare veiligheid, als op iemand leven of eigendom, moet daarvan aangifte doen bij de procureur des Konings. Dit is in de eerste plaats een morele plicht, waarvan het niet nakomen niet juridisch gesanctioneerd kan worden, behalve in het geval van schuldig verzuim. (cf infra) Iemand die door deze feiten schade heeft geleden kan de getuige wel burgerrechelijk aansprakelijk stellen. Belangrijk hierbij is dat de persoon de feiten de visu heeft vastgesteld.
Iedere gestelde overheid, iedere openbare officier of ambtenaar die in de uitoefening van zijn ambt kennis krijgt van een misdaad of wanbedrijf is verplicht om dit aan te geven bij de procureur des Konings. Het verschil met de algemene aangifteplicht is dat hij of zij niet rechtstreeks getuige moet geweest zijn van het misdrijven, maar dat het dus ook kan gaan over feiten waarvan hij of zij gehoord heeft door het slachtoffer of derden. Iedereen die wordt tewerkgesteld door de overheid is gehouden aan deze verplichting. Ook hierbij gaat het weer om een morele verplichting en gelden dezelfde bepalingen als bij de algemene aangifteplicht.
De arts moet misdrijven aangeven waarvan de patiënt het slachtoffer is, maar dit geldt niet wanneer de patiënt dader is. In dit laatste geval primeert het beroepsgeheim.
De vraag die nu rijst, is of deze aangifteplicht primeert op de geheimhoudingsplicht. Wat de ambtelijke aangifteplicht betreft, is er veel discussie onder juristen. Hulpverleners die voor de overheid werken zijn gehouden aan de ambtelijke aangifteplicht en het beroepsgeheim. De meeste juristen neigen er echter naar om het beroepsgeheim te laten primeren op de ambtelijke aangifteplicht. Dit wil niet zeggen dat zij alles geheim kunnen houden, met name wanneer zij belast zijn met een mandaat in opdracht van een gerechtelijke instantie, zijn zij verplicht om melding te doen van strafbare feiten. Wat betreft de aangifteplicht van artsen is de situatie wel duidelijk. Deze doet namelijk geen afbreuk aan het beroepsgeheim.
Iemand maakt zich schuldig aan schuldig verzuim als hij of zij het nalaat hulp te verlenen of te verschaffen aan iemand die in groot gevaar verkeert. Dit geldt zowel wanneer de hulpverlener zelf die toestand heeft vernomen als wanneer de toestand wordt beschreven door degene die zijn of haar hulp inroept. Het gaat over een feitelijke toestand van groot gevaar waarin de mens verkeert, ongeacht de oorzaak van dit gevaar. Het gaat hierbij zowel om het beschermen van de fysieke als de psychische integriteit van het slachtoffer.
Schuldig verzuim wordt besproken in Artikel 422bis van het Strafwetboek
“Met gevangenisstraf van acht dagen tot (een jaar) en met geldboete van vijftig euro tot vijfhonderd euro of met een van die straffen alleen wordt gestraft hij die verzuimt hulp te verlenen of te verschaffen aan iemand die in groot gevaar verkeert, hetzij hij zelf diens toestand heeft vastgesteld, hetzij die toestand hem is beschreven door degenen die zijn hulp inroepen. Voor het misdrijf is vereist dat de verzuimer kon helpen zonder ernstig gevaar voor zichzelf of voor anderen. Heeft de verzuimer niet persoonlijk het gevaar vastgesteld waarin de hulpbehoevende verkeerde, dan kan hij niet worden gestraft, indien hij op grond van de omstandigheden waarin hij werd verzocht te helpen, kon geloven dat het verzoek niet ernstig was of dat er gevaar aan verbonden was.”
Wanneer spreekt men van schuldig verzuim?
Bij kindermisbruik wordt aan de hulpverleners aangeraden om contact op te nemen met het Vertrouwenscentrum Kindermishandeling (www.kindermisbruik.be). Dit centrum kan zich een beeld vormen van de ernst en de dringendheid van de melding en helpt jou mee zoeken naar een oplossing.
Schuldig verzuim houdt in dat men nalaat om de hulp te bieden, dat de geboden hulp achteraf niet doeltreffend was, is niet voldoende om het schuldig verzuim te noemen. Artikel 422bis geldt voor iedereen, maar van een professionele hulpverlener wordt meer verwacht dan van een gewone burger.
In gevallen van kindermishandeling kan de hulpverlener, als hij of zij geen andere oplossing ziet, de feiten melden aan het parket. Dit aangifterecht is de ultieme remedie, wanneer de veiligheid van het kind op geen enkele andere manier kan worden gegarandeerd.
Wanneer het echter gaat over meerderjarige slachtoffers, dan hangt het af van wie de cliënt is van de hulpverlener.
De noodtoestand is een situatie waarin het overtreden van strafrechtelijke bepalingen het enige middel is om andere, meer belangrijke rechtsgoederen of belangen te vrijwaren. Door het inroepen van een noodtoestand verdwijnt het strafbaar karakter van het bekendmaken van een geheim. Uiteraard is het inroepen van een noodtoestand aan een aantal voorwaarden onderworpen.
Het inroepen van de noodtoestand om het schenden van het beroepsgeheim te rechtvaardigen is enkel toegelaten in acute gevaarsituaties. Het oordeel hierover wordt overgelaten aan de drager van het beroepsgeheim, die een persoonlijke evaluatie van de feiten moet maken, hierbij rekening houdend met alle omstandigheden. Het is pas wanneer er een klacht komt wegens schending van het beroepsgeheim dat een rechter hierover oordeelt. Omdat het dikwijls gaat over ingewikkelde en delicate situaties van ernstig seksueel misbruik werd artikel 458bis ingesteld (cf infra).
Het doel van het beroepsgeheim is het beschermen van de cliënt. Daarom verbiedt het beroepsgeheim ook enkel om feiten te verklappen die aanleiding kunnen geven tot strafrechtelijke vervolging van de cliënt. Het is echter wel toegelaten om feiten waarvan de cliënt slachtoffer is, aan te geven. Het gaat hierbij enkel om aangifte bij gerechtelijke autoriteiten. Deze uitzondering is echter niet zo eenvoudig als het lijkt. In gevallen van kindermishandeling is het dikwijls niet eenvoudig om uit te maken of de dader een cliënt is. In het geval van kinderen wordt er immers vaak contextueel en gezinsgericht gewerkt. Omdat kindermisbruik vaak een intrafamilaal karakter heeft, komen hulpverleners vaak met zowel dader als slachtoffer in aanraking. Daarom werd artikel 458bis in het strafwetboek opgenomen (cf infra). Soms acht de hulpverlener het wenselijk om de feiten toch niet te melden aan de politie, bijvoorbeeld om het vertrouwen van het slachtoffer, die hem of haar gevraagd heeft om de feiten niet te melden, niet te schenden.
Wanneer een door het beroepsgeheim gebonden hulpverlener door zijn cliënt voor de rechtbank wordt gebracht omwille van een vermeende beroepsfout of een misdrijf in de uitoefening van zijn beroep, mag hij het geheim door breken. Ook mag hij, met het oog op zijn verdediging, deze vertrouwelijke informatie delen met derden: zijn advocaten, de magistraten, de door de rechtbank aangestelde deskundigen, het Openbaar Ministerie en de tegenpartij. Dit is omdat het recht op verdediging de voorrang heeft op het beroepsgeheim. Als hulpverlener kan je je enkel op dit recht op verdediging beroepen als je voor de rechtbank vervolgd wordt. Omwille van de openbaarheid van de zitting, mag de hulpverlener enkel de geheimen, die hij kan gebruiken in het kader van zijn verdediging, prijsgeven.
Juristen zijn het niet eens over de vraag of een hulpverlener, die zijn cliënt voor de rechtbank daagt, geheimen over de cliënt mag prijsgeven.
Het beroepsgeheim kan nooit worden ingeroepen tegen disciplinaire overheden. Voor artsen is de Orde van Geneesheren en voor advocaten is dit de orde van Advocaten. Omwille van zijn of haar deontologie is de beroepsbeoefenaar loyauteit en eerlijkheid verschuldigd ten aanzien van zijn disciplinaire overheid. Om adequaat toezicht te kunnen uitoefenen, moeten ze hun leden kunnen verplichten gegevens mee te delen die gedekt zijn door het beroepsgeheim.
Schulduitsluitingsgronden zijn omstandigheden die meebrengen dat het misdrijf niet aan de dader kan worden verweten. Dwaling wordt hieronder gerekend en betekent dat de dader een verkeerd begrip heeft van de feiten of van de strafbaarheid van zijn gedraging. Omdat het beroepsgeheim een kluwen van wetten is, is het in theorie mogelijk voor een hulpverlener, die schending van het beroepsgeheim wordt verweten, om dwaling in te roepen als schulduitsluitingsgrond. Dwaling als schulduitsluitingsgrond is gebonden aan twee voorwaarden:
De schending van de integriteit van de mens is de hoogte rechtswaarde in ons land, maar in combinatie met het beroepsgeheim kan dit tot gewetensconflicten leiden. Dit waardenconflict stelt zich des te scherper bij kindermishandeling, omdat de persoon wiens integriteit bedreigd wordt, minderjarig is. Dit gaf aanleiding tot de invoering van artikel 458 bis in het strafwetboek:
Eenieder, die uit hoofde van zijn staat of beroep houder is van geheimen en die hierdoor kennis heeft van een misdrijf zoals omschreven in de artikelen 372 tot 377, 392 tot 394, 396-405ter, 409, 423, 425 en 426, gepleegd op een minderjarige kan, onverminderd de verplichtingen hem opgelegd door artikel 422bis, het misdrijf ter kennis brengen van de procureur des Konings, op voorwaarde dat hij het slachtoffer heeft onderzocht of door het slachtoffer in vertrouwen werd genomen, er een ernstig en dreigend gevaar bestaat voor de psychische of fysieke integriteit van de betrokkene en hij deze integriteit zelf of met hulp van anderen niet kan beschermen.
De misdrijven die een persoon ter kennis mag brengen aan de procureur des Konings ondanks zijn beroepsgeheim zijn de volgende:
Maar dit is aan bepaalde juridische regels onderworpen. We zetten ze even op een rijtje:
Bemerk hierbij dat het om een aangifterecht gaat, maar niet om een plicht. In de Frans- en Duitstalige gemeenschap gaat het om een meldingsplicht.
Schendt een hulpverlener, die met instemming van de cliënt vertrouwelijke informatie doorgeeft aan derden, zijn of haar beroepsgeheim? Er is veel discussie onder juristen over deze vraag. Sommige juristen vinden dat de cliënt de hulpverlener niet kan ontslaan van het beroepsgeheim, omdat dit het maatschappelijk belang van het beroepgeheim ondermijnt. Volgens Isabelle Van der Straete en Johan Put hoeft dit niet noodzakelijk zo te zijn. Artikel 458 beschermt in eerste instantie de private belangen van de cliënt. Dit is essentieel voor hun vertrouwensrelatie. Dit heeft ook een maatschappelijke relevantie, want het resulteert in een algemeen vertrouwen in de beroepsgroep. Dit draagt bij tot de goede werking van maatschappelijke voorzieningen als de gezondheids- en welzijnszorg en de rechtsbijstand. Dit maatschappelijk belang staat echter niet op zichzelf. Noch het vertrouwen van de cliënt, noch het vertrouwen van de maatschappij wordt geschonden wanneer een hulpverlener met toestemming van de cliënt informatie onthult die valt onder het beroepsgeheim.
Als een hulpverlener door zijn cliënt wordt ontslagen van de geheimhoudingsplicht, dan mag hij of zij de vertrouwelijke informatie doorgeven zonder dat hij blootgesteld wordt aan strafvervolging. Hij of zij mag dit zelfs niet weigeren, precies omwille van het beroepsgeheim. Het beroepsgeheim beschermt de privacy van de cliënt, maar het recht op privacy heeft niet alleen een beschermende werking. Het vertoont ook een aspect van vrijheid en zelfbeschiking. De cliënt moet gerespecteerd worden in zijn of haar autonomie door hem of haar zelf te laten bepalen welke gegevens hij of zij prijsgeeft.
Bron: I. VAN DER STRAETE EN J. PUT, Beroepsgeheim en hulpverlening, Brugge, Die Keure, 2005.