Ethisch discours

Morele plicht tot geheimhouding

Er bestaat een morele plicht tot geheimhouding. Iedereen in de maatschappij heeft die plicht. Als geheimen alleen betrekking hebben op onze eigen persoonlijke levenssfeer, kunnen we niet spreken over een morele plicht tot geheimhouding. Als geheimen echter betrekking hebben op de persoonlijke levenssfeer van anderen, bestaat die morele plicht wel. Enkel de ander kan beslissen of hij of zij die informatie openbaar wil maken.

Beroepsgeheim

beroepsgeheiim Een uitdrukking van die morele plicht tot geheimhouding is het beroepsgeheim. Personen in bepaalde beroepen worden door de samenleving en door de wetgeving beschouwd als vertrouwenspersonen. Deze mensen weten dat ze onder een geheimhoudingsplicht vallen en bijgevolg weten de leden van de samenleving dat ze deze mensen hun geheimen kunnen toevertrouwen. Van oudsher verwierven vier beroepsgroepen een geheimhoudingsplicht: artsen, advocaten, notarissen en geestelijken. Tegenwoordig maken ook andere groepen aanspraak op het beroepsgeheim. Daaronder horen alle zorgverleners die een vertrouwensrelatie met een cliënt hebben. Pastores zijn dus zonder twijfel ook gebonden aan het beroepsgeheim. Het beroepsgeheim kent echter grenzen. De juridische grenzen van het beroepsgeheim zijn veelvoudig en ingewikkeld, zoals blijkt uit het juridisch discours dat hieronder besproken wordt.

Voor pastores is het beroepsgeheim heel belangrijk. Pastorale zorg is immers van oudsher verbonden met een ‘vrijplaats’. Dit is een open en vrije ruimte waar de pastorant in alle vertrouwen en vertrouwelijkheid een pastor kan ontmoeten en geloof ter sprake kan brengen. Dit vertrouwen en deze vertrouwelijkheid vinden we terug in de traditie. Het is niet toevallig dat het asielrecht toekwam aan kerken en abdijen en niet aan andere publieke gebouwen. Het is evenmin toevallig dat de enige groep die nog een striktere geheimhouding heeft dan het beroepsgeheim, precies de priesters met het biechtgeheim zijn. De absolute vertrouwelijkheid van het biechtgeheim straalt af op de verwachtingen van mensen bij het pastoraal gesprek. Mensen hebben steeds aangevoeld dat het gesprek waarin ze zich tot God verhouden, de hoogste bescherming moet kunnen genieten.

Er zijn dus sterke argumenten voor de pastor om het beroepsgeheim te respecteren. Ook als het gaat over seksueel misbruik. De waarden van de autonomie, de privacy en het vertrouwen staan hier voorop. Niettemin heeft seksueel misbruik een zeer zware morele geladenheid. Vanuit hun morele intuïtie is het voor veel pastores niet denkbaar dat ze dergelijke feiten geheim zouden houden. De last van de kennis van dergelijke feiten en de gevolgen ervan komen in conflict met de geheimhoudingsplicht. Daarmee komen de waarden van de beschermwaardigheid en de rechtvaardigheid naar voren. Hoe kan de pastor omgaan met dit spanningsveld van waarden?

beroepsgeheim Als we kijken hoe in de zorgethiek met het beroepsgeheim wordt omgegaan, dan is een algemeen aanvaarde regel het overleg en de geïnformeerde toestemming. Zorgverleners kunnen enkel op een verantwoorde manier vertrouwelijke informatie over een cliënt doorgeven, als ze dit eerst met de cliënt besproken hebben en in dit gesprek de toestemming van de cliënt gekregen hebben. Zo worden de waarden van de autonomie, de privacy en het vertrouwen gerespecteerd.

Dit impliceert dat pastores alleen het seksueel misbruik bij een pastorant kunnen bekend maken als ze daarover met de pastorant gesproken hebben en de toestemming daartoe gekregen hebben. Maar hier botsen we op een probleem: in veel gevallen wil de pastorant het seksueel misbruik niet bekend maken. De pastor zal dan ook deze vraag om geheimhouding in eerste instantie moeten respecteren, ook al knaagt het aan het geweten en het verantwoordelijkheidsgevoel. Dit impliceert echter niet dat de pastor niets kan ondernemen. De pastor kan de pastorant proberen te motiveren om het seksueel misbruik bekend te maken. Dit vraagt om een proces van begeleiding. Dit begeleidingsproces is voor de pastor heel zinvol pastoraal werk. In de zorgethiek worden er echter uitzonderingen op het beroepsgeheim aanvaard. Die uitzonderingen moeten voldoen aan drie voorwaarden. Ten eerste is de cliënt niet bekwaam om een overwogen keuze te maken. Vervolgens is er een dreiging van ernstige schade aan de fysieke of psychische gezondheid of integriteit van de cliënt of een andere persoon. Ten slotte is er een proportionele verhouding tussen de schade die vermeden wordt enerzijds en de schade die aan de vertrouwensrelatie aangericht wordt anderzijds. Het gaat dus om een proportionele verhouding tussen de autonomie en de beschermwaardigheid van de persoon.

De drie voorwaarden kunnen we toepassen op de vraag of de pastor informatie uit de pastorale relatie over seksueel misbruik mag bekendmaken. De eerste voorwaarde is dan dat de pastorant niet bekwaam is om een weloverwogen keuze te maken met betrekking tot het bekend maken van het seksueel misbruik. Algemeen wordt aanvaard dat een volwassen persoon deze bekwaamheid heeft, maar een kind niet. Vandaar dat de wet geen aangifteplicht voorziet bij het seksueel misbruik bij een volwassene, een meerderjarige, maar wel bij het seksueel misbruik bij een kind, een minderjarige. De tweede voorwaarde stelt dat er een dreiging is van ernstige schade aan de fysieke of psychische gezondheid of integriteit van de pastorant. Als het misbruik zich in het verleden heeft voorgedaan, maar er nu geen dreiging meer is, dan wordt aan deze voorwaarde niet voldaan. Er moet dus een dreiging zijn van een ernstig gevaar voor de pastorant,  dat het seksueel misbruik zich opnieuw kan voordoen. De derde voorwaarde is dat er een redelijke of proportionele verhouding is tussen bovengenoemde schade die vermeden wordt, en de schade die aan de vertrouwensrelatie wordt aangericht. Het misbruik zonder toestemming bekendmaken veroorzaakt immers schade aan de vertrouwensrelatie met de pastor en met de zorgverleners, op het moment zelf en voor verdere zorgverlening in de toekomst .

Een zorgvuldige toepassing van deze drie voorwaarden wijst erop dat het niet evident is om informatie uit de pastorale relatie over seksueel misbruik bekend te maken buiten het overleg en de toestemming van de pastorant. Het kan alleen als het over een minderjarige gaat en als er een gevaar is dat het misbruik zich opnieuw voordoet. De beste benadering voor de pastor is hoe dan ook dat hij of zij probeert de pastorant te motiveren om zelf het misbruik bekend te maken of de toelating te geven om het bekend te maken. Alleen op deze manier kan de pastor de waarde van de autonomie en de waarde van de beschermwaardigheid van de pastorant verbinden. Dit lijkt misschien beperkend voor pastores. Niettemin behoort het motiveren van de pastorant om het misbruik bekend te maken tot de kern van pastorale begeleiding.

Bronvermelding

Interessante literatuur in dit verband is ook: R. STOCKMAN (ed.), Het beroepsgeheim in de zorgverleningssector. Een confrontatie tussen recht en praktijk, Antwerpen/Groningen, Intersentia Rechtswetenschappen, 1998.

Met dank aan Professor A. Liégeois

naar boven

Registratie

Ook met betrekking tot registratie rijzen vragen omtrent het beroepsgeheim. Een interessant artikel in dit perspectief is:

Anne Vandenhoeck - Registratie vanuit pastoraal perspectief (Pastorale Perspectieven 143, p. 6-16)

naar boven

Intervisie of supervisie

Wat dan met supervisie of intervisie? Kan de pastor in functie van zijn of haar leerproces het verhaal van de patiënt gebruiken? Dit kan wel, maar de pastor moet de casus anonimiseren, wat inhoudt dat de naam, woonplaats en leeftijd van alle betrokkenen veranderd moeten worden.

naar boven