Tijdens de allereerste eeuwen werden de vijftig dagen van Pasen tot en met Pinksteren beschouwd als één geheel waarbij de pascha van de Heer, zijn doorgang van dood en verheerlijking, werd gevierd. Pas later werden de verschillende aspecten uit elkaar getrokken. Op die manier ontstond het feest van Hemelvaart op veertig dagen na Pasen. Nochtans bestaat er geen wezenlijk verschil tussen de Opstanding en de Hemlvaart, want beiden zijn beelden om uit te drukken dat Jezus niet dood is, maar leeft in de goddelijke werkelijkheid. Op Hemelvaart vieren we dat Jezus, door zijn verrijzenis als Christus en Heer aangesteld, plaatsneemt aan de rechterhand van de Vader.
Dat dit feest gevierd wordt op veertig dagen na Pasen is gebaseerd op dit vers uit de Handelingen van de Apostelen: “Aan hen heeft hij veertig dagen lang herhaaldelijk bewezen dat hij na zijn lijden weer in leven was. Hij vertoonde zich bij hen en sprak over het koninkrijk van God” (Hnd 1, 3) gevolgd door het verhaal van de hemelvaart (Hnd 1, 9-11)
Volgens Augustinus werd het feest van Hemelvaart reeds gevierd in de tijd van de apostelen, maar het feest zou op het einde van de vierde eeuw zeer vlug verspreid geworden zijn. Gregorius van Nyssa zou daar zeer veel toe hebben bijgedragen. Omstreeks 425 werd het feest in Jeruzalem ingevoerd en in Rome preekte paus Leo de Grote erover in 461.
Bron: J.LAMBERTS, Volksgebruiken in de loop van het liturgisch jaar, Averbode, Altiora, 2001, p.135-136.
In de liturgie van Hemelvaart wordt de terugkeer van Jezus Christus naar zijn Vader en zijn blijvende aanwezigheid in de geloofsgemeenschap beklemtoond. In de middeleeuwen werd de paaskaars gedoofd om aan te duiden dat Hij naar zijn Vader was teruggekeerd, maar dit kon leiden tot het misverstand dat Hij niet meer aanwezig was in de geloofsgemeenschap na de Hemelvaart. Daarom werd dit gebruik ook afgeschaft.
In het openingsgebed wordt de hoop uitgesproken dat de Hemelvaart van Jezus Christus zal leiden tot onze uiteindelijke verheffing. De eerste lezing vertelt het Hemelvaartverhaal uit het boek Handelingen. De andere lezingen verschillen naargelang de jaarcyclus. In het C-jaar wordt de tweede lezing uit de brief aan de Hebreeën gelezen: “Christus is de hemel binnengegaan om er nu, voor onze zaak, bij God present te zijn” En het evangelie vertelt het einde van het Lucasevangelie: “En terwijl hij hen zegende, ging hij van hen heen en werd in de hemel opgenomen.”
Bron: J. LAMBERTS, Volksgebruiken in de loop van het liturgisch jaar, Averbode, Altiora, 2001, p. 136-138.
Op Pinksteren, het feest dat plaatsvindt op de vijftigste dag na Pasen, vieren Christen dat de verrezen Heer de beloofde Geest over zijn leerlingen heeft uitgestort. In de Bijbel staan twee verschillende versies van het verhaal. In Handelingen gebeurt de uitstorting van de Geest op de vijftigste dag na de verrijzenis, terwijl Johannes dit gebeuren beschrijft op Pasen. Johannes beklemtoont immers sterker de eenheidsband tussen de opstanding en de uitstorting van de Geest. Ook in de liturgiewetenschap beklemtoont men steeds meer de samenhang tussen de verrrijzenis, de Hemelvaart en de zending van de Geest. Dit resulteerde in de nieuwe Algemene Richtlijnen aangaande het Litrugisch Jaar en de Kalender (1969) in: “De vijftig dagen vanaf Verrijzeniszondag tot Pinksteren moeten in vreugde en gejubel gevierd worden als één enkele feestdag, ja als de ‘grote dag des Heren’”.
De vijftigste dag na Pasen was reeds een feestdag bij de joden, die dan het wekenfeest, een dankfeest voor de tarwe-oogst, vieren. Omdat dit feest de paasperiode afsloot en de vijftigste dag van die periode was, werd dit in het Grieks Pentekostè genoemd, waarvan ons woord Pinksteren afgeleid is. Voor Christenen werd op Pinksteren de eerste oogst van de verkondiging van de blijde boodschap onder impuls van de Heilige Geest binnengehaald, vandaar ook de parallel met het jodendom. Volgens Handelingen lieten zich die dag ongeveer 3 000 mensen dopen.
Lucas lijkt het pinkstergebeuren te verstaan als een nieuw Sinaïgebeuren. Net als in het Oude Testament beschrijft hij het ingrijpen van God in gedruis wind en vuur. Op de berg Sinaï gaf hij aan zijn volk de wet, in Jeruzalem zijn Geest. Hieruit wordt de Kerk geboren. Het talenwonder wijst dan weer op de eenheid onder alle mensen als vrucht van de werking van de Geest. Pinksteren is het feest van de zending van de kerk, van het nieuwe begin.
De eerste christenen zagen pinksteren als de ganse periode van vijftig dagen na Pasen. In de Romeinse liturgie ontstond de tendens om het feest te verzelfstandigen en op deze dag de neerstorting van de Heilige Geest te vieren. Tegenwoordig is er weer een tendens om de samenhang tussen de drie feesten te beklemtonen gedurende de vijftig dagen na Pasen.
Bron: J. LAMBERTS, Volksgebruiken in de loop van het liturgisch jaar, Averbode, Altiora, 2001,143-145.
De liturgie van Pinksteren bestaat uit twee vieringen: één op zaterdagavond en één op zondag. Op zaterdagavond kan men voor de eerste lezing kiezen uit vier teksten uit het Oude Testament: het verhaal van de toren van Babel (Gn 11,1-9), het verhaal van de verbondssluiting op Sinaï (Ex 9, 3-20), het visioen van Ezechiël over de dorre beenderen (Ez 37,1-14) & Joël, die volgende belofte krijgt: “Ik zal mijn geest uitstorten.” (Joël 3,1-5). De vier teksten helpen ons de verschillende aspecten van het komen van de Geest te verstaan:
De tweede lezing komt uit de brief aan de Romeinen (Rom 8, 22-27) waarin Paulus ons erop wijst hoe de Geest aan onze zwakheid tegemoetkomt en voor ons pleit en in het evangelie spreekt Johannes (Joh 7,37-39) over de belofte van de Heilige Geest.
In het openingsgebed op Pinksterzondag spreekt de priester over de voltooiing van het Paasmysterie in het zenden van de Geest. De eerste lezing is het Pinksterverhaal uit Handelingen (Hnd 2,1-11). De andere lezingen verschillen per jaarcyclus. In het C-jaar lezen we de tweede lezing uit de eerste brief aan de Korinthiërs (1 Kor 12,3-7,12-13) over de Geest, die de Kerk als lichaam van Christus bezielt en het evangelie volgens Johannes over de verrezen Heer die zijn Geest meedeelt. Voor de lezing van het evangelie wordt het lied Veni, sancte Spiritus gezongen. In dit lied wordt gevraagd aan de Geest om over ons neer te daal en wordt Hij bejubeld als troost van de armen, licht van ons hart, ...
De liturgische kleur is rood als een allusie op de vurige tongen, die verschenen bij de neerdaling van de heilige Geest. In het licht van wat we hierboven zeiden over de eenheid van Pasen, Hemelvaart en Pinksteren zou een witte kleur misschien zinvoller zijn, maar dit element heeft de liturgische hervormingen overleefd.
Bron: J. LAMBERTS, Volksgebruiken in de loop van het liturgisch jaar, Averbode, Altiora, 2001, p.146-147.