
| Arcabas foto's passieluik | |
| Powerpoint | |
| Wat? | Kunstwerken van Arcabas rond dood en verrijzenis Jezus Christus |
|---|---|
| Bron | Franse schilder Arcabas |
Arcabas heeft zijn polyptiek Passie & Verrijzenis in drie episodes ingedeeld: de aanloop naar de kruisiging, de eigenlijke kruisiging en ten slotte de verrijzenis. Elke cyclus begint hij met een zeer abstract doek. We zijn het niet gewoon van hem. Het is alsof de schilder ons bewust wil maken van de diepere dimensie van het hele gebeuren. Enerzijds is er de geschiedenis. Die is goed herkenbaar. Alle taferelen zijn onmiddellijk herkenbaar voor wie een beetje vertrouwd is met het christelijk verhaal. Ze zijn er allemaal: de intocht in Jeruzalem, de veroordeling en de bespotting, de kruisiging enzovoort. Dat zijn ‘de prentjes’. Maar elk tafereel vertelt niet zomaar een geschiedenis. Het gaat om een stukje heilsgeschiedenis. De schilder tracht ons dat in herinnering te brengen door een abstracte aanloop. De eerste twee taferelen op het eerste doek heten Proloog 1 en Proloog 2. (Tekst: Hans Geybels)

In de aanloop naar de eigenlijke passie van Jezus, brengt Arcabas ons twee verhalen in herinnering die rechtstreeks verband houden met zijn eigen dood en verrijzenis: het verhaal van de opwekking van Lazarus in Bethanië en de zalving met de nardusbalsem. De twee situaties vertellen iets over de passie van Jezus en over de blindheid van de apostelen. De evangelisten willen ons duidelijk herinneren aan die blindheid. De schilder opent met het huis van Bethanië. Daar is Lazarus overleden. Jezus zegt tegen de leerlingen dat zijn vriend Lazarus ingeslapen is. Waarop de leerlingen antwoorden: “Als hij slaapt, Heer, dan komt hij er weer bovenop” (Joh 11, 12). Tegen Marta, de zuster van Lazarus, merkt Hij op: “Heb ik je niet gezegd dat ge de heerlijkheid van God zult zien als ge maar gelooft?” (Joh 11, 40) En toen rolden ze de steen weg …
In het getuigenis van Marcus en Johannes begint het passieverhaal met een bijzondere geschiedenis in het huis van Simon de melaatse:
Toen Hij in Bethanië was, in het huis van Simon de melaatse, en daar aanlag, kwam een vrouw met een albasten flesje echte, kostbare nardusbalsem. Ze brak het flesje en goot het uit over zijn hoofd. Sommigen zeiden verontwaardigd tegen elkaar: “Waar was de verspilling van die balsem nu goed voor? Want die had voor meer dan driehonderd denariën verkocht en aan de armen gegeven kunnen worden.” Ze voeren tegen haar uit. Maar Jezus zei: “Laat haar. Wat maken jullie het haar toch lastig? Ze heeft een goed werk gedaan aan Mij. Want de armen heb je altijd bij je. Ze heeft gedaan wat ze kon. Bij voorbaat heeft ze mijn lichaam gezalfd met het oog op mijn begrafenis. Ik verzeker jullie, waar ook ter wereld de Blijde Boodschap wordt verkondigd, daar zal ook ter herinnering aan haar verteld worden wat zij heeft gedaan. (Mc 13, 3-9)
Arcabas doet hier iets nieuws. Hij eerbiedigt de evangelist en begint zijn polyptiek met een verhaal dat haast nooit wordt verbeeld in de geschiedenis van de christelijke kunst: het verhaal van de onbekende vrouw in het huis van Simon de melaatse. In tegenstelling tot zovele andere kunstenaars, ziet Arcabas het belang in van dat verhaal. Om mee te zijn – om verder door te dringen in het mysterie van de passie – moeten we even stilstaan bij het verhaal. Vooreerst is wat de vrouw doet bijzonder gewaagd. Het was immers in Jezus’ tijd volledig verboden voor een vrouw om binnen te vallen in een kamer waar mannen aanlagen om te eten. Ze doet het toch. Ze heeft een flesje balsem bij dat, omgerekend, een auto waard is! En dan staat er iets waar iedereen overleest en dat cruciaal is. Ze opent het flesje niet, neen, ze breekt de hals. Met andere woorden, ze kan het flesje niet meer sluiten. Ze moet dus alles in één keer opgebruiken. Alweer met andere woorden, ze heeft alles over voor Jezus. Heel haar hebben en houden heeft ze veil voor haar messias. De apostelen begrijpen er niets van en protesteren. Eigenlijk hadden we stiekem van Jezus hetzelfde verwacht: zoveel geld! Dat was beter aan de armen besteed. Maar neen. Jezus vermaant zelfs zijn leerlingen. De apostelen die drie jaar lang met Jezus hebben rondgetrokken, weten nog steeds niet wat er gaande is. Wat een contrast met de onbekende vrouw. Zij weet precies wat er gebeuren gaat. Zij balsemt Jezus vooruit op zijn begrafenis. De vrouw is hét voorbeeld van de discipel: hij of zij die alles over heeft voor zijn of haar Heer. Wat een teken.
Een abstract tafereel van twee gouden lijnen verbeeldt de weg van de Messias naar Jeruzalem. En des te dichter ze bij Jeruzalem komen, des te minder de discipelen begrijpen wat er gebeurt. Op weg naar Sion geneest Jezus nog een blinde, maar de ogen van de apostelen blijven dicht.
Arcabas begint zijn passieverhaal niet voor niks met Marcus en Johannes. Maar het is de passie volgens Arcabas. De polyptiek van Arcabus is geen illustratie van het Marcus- of het Johannesevangelie. Het volgende tafereel is immers de intocht in Jeruzalem en die beschrijft Marcus niet. Mattheus en Johannes wel:
Ze brachten de ezelin en het veulen, legden er kleren overheen, en Hij ging erop zitten. Zeer veel mensen spreiden hun kleren uit op de weg, andere sneden takken van de bomen en legden die op de weg. Zowel de menigte die voor Hem uitging, als degene die Hem volgde, schreeuwde: “Hosanna, de Zoon van David. Gezegend is Hij die komt in de naam van de Heer. Hosanna, in de hoogste hemel.” Toen Hij Jeruzalem binnengetrokken was, kwam de hele stad in beweging en ze vroegen: “Wie is dat?” De mensen zeiden: “Dat is de profeet, Jezus van Nazareth in Galilea.” (Mt 21, 7-11)
Een juichende menigte. Duizenden die verwachten dat Jezus hen kwam bevrijden van het juk van de Romeinen … Maar niets is minder waar. In de drukte heeft niemand gezien dat Jezus op een ezel zit en niet op een paard. De schilder heeft het gemoed van Jezus weergegeven. Jezus zit lijkbleek op de ezel. Hij krijgt het helemaal niet warm van zijn onthaal in de stad. Integendeel. Net zoals de onbekende vrouw uit de vorige perikoop, weet Hij wat Hem te wachten staat. Vandaag roepen de mensen “Hosanna”, morgen: “Kruisig Hem!”
Jezus die wist dat de Vader Hem alles in handen had gegeven en dat Hij van God gekomen was en naar God zou teruggaan stond van tafel op, legde zijn bovenkleren af en bond een linnen schort om zijn middel. Daarna goot Hij water in een waskom en begon Hij de voeten van zijn leerlingen te wassen. Hij droogde ze af met de schort om zijn middel. Zo kwam Hij bij Simon Petrus. “Heer,” zei deze, “gaat U mij de voeten wassen?” Jezus gaf hem ten antwoord: “Wat ik doe, daar heb je nu geen begrip voor, later zul je het begrijpen.” Petrus hield vol: “Nooit in der eeuwigheid zult U mij de voeten wassen!” Maar Jezus zei: “Als Ik je voeten niet mag wassen, hoor je niet bij Mij.” “Heer,” zei Simon Petrus toen, “dan niet alleen mijn voeten, maar ook mijn handen en mijn hoofd.” (Joh 13, 3-9)
Jezus die niet gekomen is om gediend te worden, maar om te dienen (Mt 20, 28). De voetwassing behoort tot de belangrijkste symbolische handelingen van Jezus. Niet voor niks vinden we dat verhaal in het Johannesevangelie. Meer dan wie ook typeert die evangelist Jezus als dienaar, als dienaar van God en de mensen. Meer bepaald zelfs als de lijdende dienaar, zoals die beschreven wordt door Jesaja 52-53. Jezus is de lijdende dienaar, de man van smarten die door iedereen geminacht en bespot wordt, die gebroken wordt voor onze zonden, die als een lam naar de slachtbank wordt geleid. De lijdende dienaar van Arcabas draagt niet alleen de linnen schort, waarvan sprake is bij Johannes, maar ook een rood kleed. Rood is de kleur van het lijden. Maar ook van de liefde!
Arcabas verbindt het tafereel van de voetwassing met dat van de eucharistie. De eucharistie wordt ingesteld tijdens het Laatste Avondmaal. Die instelling gedenken we op Witte Donderdag. Vandaar dat in de liturgie van Witte Donderdag een rituele voetwassing plaatsgrijpt. Het is onmogelijk om de eucharistie zonder de voetwassing te begrijpen. Als lichaam van Christus geven christenen gestalte aan de verbondenheid met de Heer, die zich aanbiedt onder de gedaantes van brood en wijn. Wij moeten zelf tot brood en wijn worden voor onze naaste, ons verplaatsen in de lijdende dienaar.
Gewoonlijk denken we bij de uitbeelding van het Laatste Avondmaal aan Da Vinci. Een lange tafel. Centraal Jezus. Om Hem heen de twaalf. Arcabas focust zich op het brood en de wijn. Meer nog: hij stelt de broodbreking centraal. Het is alsof de schilder-profeet aangeeft dat Jezus nog het meest aanwezig komt in de broodbreking. Niet zozeer in het brood zelf, maar in het gebroken brood. Op het ogenblik dat zijn lichaam zal breken op het kruis, schenkt Jezus zichzelf totaal weg, voor iedereen en overal. Van de historisch gesitueerde Jezus wordt Hij dé universele Christus.
Hij was nog niet uitgesproken of Judas kwam eraan, een van de twaalf, en hij had een grote bende bij zich met zwaarden en knuppels, gestuurd door de hogepriesters en oudsten van het volk. Hij die Hem overleverde, had een teken met hen afgesproken: “Degene die ik zal kussen, die is het. Grijp Hem.” Hij ging recht op Jezus af en zei: “Gegroet, rabbi!”, en kuste Hem. Jezus zei tegen hem: “Vriend, ben je daarvoor hier!” Toen kwamen ze dichterbij, grepen Jezus en overmeesterden Hem. (Mt 26, 47-50)
Opnieuw, we zijn zo vertrouwd met het beroemde verhaal van de Judaskus dat we er ons geen vragen meer bij stellen. Het verhaal is gekend. Echter, wie het verhaal herkauwt, ontdekt bij elke zin een vraag. Waarom herhaalt de evangelist bij de naam van Judas dat hij een van de twaalf is? Dat weten we toch al lang. En waarom trekt Judas op met een bende bewapend met zwaarden en knuppels om de meest vreedzame profeet van Israël op te pakken? En waarom moet Judas Jezus identificeren? Iedereen kende Jezus toch! Hij had toch zo dikwijls gepredikt voor hen in de tempel. En waarom een kus als teken van verraad? Een kus is toch een teken van liefde! Allemaal vragen …
Arcabas geeft in zijn weergave van de Judaskus een antwoord op een aantal van de vragen die ik hierboven gesteld heb. Hij gaat naar het innerlijk van Jezus. De kus snijdt letterlijk een stuk uit Jezus’ lijf. In de passie van Jezus staat de lichamelijke pijn misschien niet centraal. Misschien lijdt Jezus nog het meest onder gebeurtenissen als deze: het verraad door een leerling. Vandaar dat de evangelist schrijft: een van de twaalf. Het is geen vreemde die Jezus verraden heeft, maar een van de leerlingen die Hijzelf geroepen heeft. Het is iemand die Jezus ooit heeft liefgehad en die Jezus nu verraadt – eigenlijk staat er: ‘overlevert’ – met een kus, het teken van ultieme verbondenheid. In de Oudheid bestond er inderdaad een speciale relatie tussen meester en leerling, tussen rabbi en discipel. Die wordt hier door de kus totaal vernietigd.
Het lot van Judas is gekend. Toen Judas, die Hem overleverde, zag dat Hij veroordeeld was, kreeg hij spijt en bracht hij de dertig zilverstukken terug naar de hogepriesters en de oudsten, met de woorden: “Ik heb een misdaad begaan door onschuldig bloed over te leveren.” Maar ze zeiden: “Wat gaat ons dat aan? Dat moet u zelf maar zien.” En hij gooide de zilverstukken in de tempel en ging zich ophangen. (Mt 27, 3-5) Er is geen redding voor Judas. Het goddelijke goud vormt dezelfde lus als de strop op het doek. Als een mens niet openstaat voor Gods ontferming en genade, snijdt hij zichzelf van God af.
Jezus wordt overgeleverd, van degenen die Hem opgepakt hebben naar Kajafas, van de bewakers die Hem bespotten naar Pilatus, van Pilatus naar Herodes en terug naar Pilatus … (Lc 22, 66-23, 25) Vanwege onze zonden werd Hij gebroken. Hij werd gestraft. Hij werd gefolterd, maar Hij onderwierp zich; Hij heeft zijn mond niet geopend, zoals een lam dat naar de slachtbank wordt geleid. (Jes 53, 5a.7a). De oude man die Jezus hier veroordeelt is Annas, de schoonvader van Kajafas (Joh 18, 12).
Wat in het schilderij opvalt is dat Jezus dat alles met opgeheven hoofd ondergaat. Het lijkt Hem niet te deren. Dat is allicht niet wat de schilder bedoelt. Hij bedoelt iets anders. Hij toont aan hoe Jezus de Schriften in vervulling brengt. Moest Hij dat alles niet ondergaan opdat de Schriften in vervulling zouden gaan? Hoe vaak wijzen de evangelisten daar ook niet op? Anders dan wat we van een passie verwachten, ondergaat Jezus het niet passief. Hij laat de dingen gebeuren, omdat ze zo moeten gebeuren. Ook op andere plaatsen van het evangelie wordt dat duidelijk. Bijvoorbeeld in Getsemane. Wanneer Jezus de menigte die Hem gevangen zal nemen, ziet, zegt Hij tegen zijn leerlingen: “Sta op, laten we gaan. Kijk, hij die me overlevert, komt eraan.” (Mt 26, 46) Jezus wordt niet gearresteerd, Hij laat zich arresteren.
Hetzelfde geschiedt bij de hogepriester Kajafas, koning Herodes en landvoogd Pontius Pilatus; de drie protagonisten die afgebeeld worden onder het tafereel met de bespotting. De rechters over Jezus. Het is Kajafas die zich niet kan bedwingen en die woedend zijn kleren verscheurt. Het is koning Herodes die Hem belachelijk maakt omdat Hij geen wonder voor de koning wil verrichten. Het is ten slotte Pontius Pilatus die Jezus laat kruisigen onder druk van de massa, alhoewel hij geen schuld ziet in de veroordeelde. Het is die Pontius Pilatus die zijn eigen hachje moet redden door zijn handen in onschuld te wassen. Let er op hoe bleek Arcabas zijn handen en zijn gelaat schildert.
Bij dat alles blijft Jezus sereen. Hoe gek het ook klinkt, maar Hij is de enige vrije speler op dit droeve toneel. Hij slaagt erin om voortdurend trouw te blijven aan zijn opdracht, aan zijn Vader, ongeacht de soms bittere omstandigheden.

Met een abstract doek begint Arcabas aan de tweede episode: het lijden en het sterven aan het kruis. Arcabas noemt de abstracte inleiding Meditatie op de doodstrijd 1 en Meditatie op de doodstrijd 2. In totaal gaat het om vier doeken die één verhaal vormen. Dat blijkt duidelijk uit de achtergrond die in de vier doeken doorloopt. Wie goed toeziet, merkt een neergaande horizon, van links boven naar rechts onder, gespreid over de vier schilderijen. Ze vormen een eenheid.
Na het abstracte doek valt onmiddellijk het grote formaat met de kruisiging op. Die kruisiging wordt bekroond door een timpaan met druppels water en bloed. De apostel Johannes vertelt ons hoe soldaten Jezus’ zijde met een lans doorstaken en meteen kwam er water en bloed uit. Het bloed is verklaarbaar. Maar het water? Jezus zelf verklaart het: “Op de laatste dag, het hoogtepunt van het Loofhuttenfeest, stond Jezus daar en riep: “Heeft iemand dorst, laat hij dan naar Mij toekomen, en laat drinken wie in Mij gelooft! Zoals de Schrift zegt: Uit zijn binnenste zullen stromen levend water vloeien.” Hiermee doelde Hij op de Geest die men zou ontvangen als men tot geloof in Hem kwam.” (Joh 7, 37-39a) Of zijn het tranen van God? De tranen van de liefde die zichzelf wegschenkt.
Arcabas heeft Jezus alleen afgebeeld. Meestal staan op een geschilderde kruisiging ook Johannes en Maria afgebeeld. Soms zelfs nog een hele schare joden en Romeinen. Maar sterven doet ieder mens alleen … En opnieuw: wat is de grootste pijn voor Jezus? De kruisdood of de verlatenheid? Alle discipelen hebben Hem in de steek gelaten. De discipelen – Petrus op kop – die plechtig gezworen hadden dat ze Jezus nooit in de steek zouden laten, zijn nergens te bekennen. Die verlatenheid is zo groot dat Jezus, net voor hij de geest laat, zelfs roept: “Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?” Dát is misschien Jezus’ grootste pijn: het gevoel dat iedereen Hem in de steek gelaten heeft
Wat doet een moeder onder het kruis? Bezwijken … Uit de middeleeuwen kennen we veel taferelen waarbij Maria bezwijkt onder het kruis en waarbij Johannes, de jongste leerling, haar opvangt. Na de Contrareformatie in de 16de eeuw was het verboden dat tafereel nog uit te beelden. Maria moest het toonbeeld worden van een sterke vrouw. Stabat mater! Een vrouw die rechtstaat onder het kruis. Arcabas ziet haar in de eerste plaats als een vrouw van vlees en bloed. Hij heeft dat al eens gedaan in een andere polyptiek, die van de geboorte en de kindsheid van Jezus. In het kersttafereel heeft hij Maria niet traditioneel afgebeeld: als een vrouw die in aanbidding zit voor haar kindje. Neen, Maria ligt als een echte moeder met het kindje in de armen op wat stro. Zo herkenbaar, zo menselijk!
Het laatste beeld van deze episode is een kruisafneming. Een drietal mannen hebben Jezus van het kruis gehaald. Het lijken doodgewone mannen, van nu. Het kruis heeft zijn sporen nagelaten in het levenloze lichaam van Jezus. Maria kijkt met twee ogen naar haar Zoon: uiterlijke en innerlijke, de ogen van het hoofd en die van de ziel.
En dan doet Arcabas iets geniaals. Hij last een cesuur in. Tussen de episoden van enerzijds het lijden en de dood en anderzijds de verrijzenis, staat een pijl, afgezonderd van alle andere doeken. Goud en grijs domineren het kleurenpalet. Het lijkt wel een nauwe doorgang van het ene naar het andere. Het voorgaande is geschiedenis, het volgende speelt zich af buiten de geschiedenis. Hier begint het verhaal van de Verrijzenis. We weten niet precies wat er gebeurd is tijdens de verrijzenis. De evangelies reppen er met geen woord over. Onder invloed van Jezusfilms – gebaseerd op apocriefe evangeliën – zien we het donker worden, de soldaten in slaap vallen, de steen wegrollen en Jezus uit zijn graf oprijzen, geholpen door engelen. Maar over al die dingen wordt niets gezegd in de evangelies. Zij spreken enkel over een leeg graf. Het bewijs van Jezus’ verrijzenis is een leeg graf. Soberder kan het niet. En dat is meteen wat we te zien krijgen bij Arcabas: een weggerolde steen en een leeg graf dat baadt in een goddelijke glans.

De ‘verrijzenistriptiek’ waarmee de polyptiek afsluit wordt ingeleid door een heel bijzonder doek. Arcabas noemt het Anastasis. Het is werkelijk uniek. Christenen belijden in het Credo dat Hij is neergedaald ter helle en de derde dag verrezen uit de doden. Van die nederdaling ter helle heeft men in de theologie haast niet wakker gelegen. Het is ook zo mysterieus. En kunstenaars zijn er nog veel minder dan theologen mee bezig geweest. Niet zo met Arcabas. Hij wijdt er een heel doek aan en kernachtig geeft hij de betekenis van die nederdaling weer.
Paulus citeert in zijn brief aan de christenen van Efeze (4, 8-9) psalm 68,19: Door naar den hoge op te stijgen heeft Hij gevangenen meegevoerd en gaven uitgedeeld aan de mensen. ‘Hij is opgestegen’: wat betekent dit anders dan dat Hij eerst in de diepte van de aarde is afgedaald tot op de aarde? Gezien Jezus is opgewekt uit de doden, moet hij een tijdje verbleven hebben in het dodenrijk. Jezus heeft met andere woorden de dood gekend. Hij is nooit schijndood geweest.
Dat Jezus in het dodenrijk is geweest, is heel belangrijk. Dat lezen we in de Eerste brief van Petrus (4, 6): Daarom is ook aan gestorvenen het evangelie verkondigd, opdat zij bij God zullen leven door de Geest, ook al zijn ze bij de mensen geoordeeld naar het lichaam. En dat opdat de doden de stem van Gods Zoon zullen horen en die haar horen, zullen leven. (Joh 5, 25) Gods heil is niet alleen gekomen voor de mensen die de Christus gekend hebben of die er na zijn dood in geloven, maar voor alle mensen, ook degenen die lang vóór Jezus geboren en gestorven zijn. Een unieke boodschap. Een uniek schilderij
Al even bijzonder is het grote doek met alweer een timpaan er bovenop. Op het eerste gezicht schrikt het schilderij zelfs wat af. Een Christus die uit het graf komt is talloze keren afgebeeld, maar nooit zo menselijk. De nadruk ligt onbehaaglijk veel op het lichaam. Het lijkt wel een Griekse God … Hadden we niet eerder iets meer spiritueels verwacht? Maar belijden we in het Credo niet de verrijzenis van het lichaam? Eigenlijk wordt hier gezegd dat we niet zomaar een geest worden. We lossen niet op, zoals een druppel in de oceaan. We blijven voor een stuk onszelf. We verliezen onze persoonlijkheid niet bij de verrijzenis. De Kerk belijdt samen met Paulus: En als de Geest van Hem die Jezus van de doden heeft opgewekt in u woont, zal Hij die Christus Jezus van de doden heeft doen opstaan, ook uw sterfelijk lichaam eenmaal levend maken door de kracht van zijn Geest, die in u verblijft. (Rom 8, 11)
God is niet alleen de schepper van de geest, maar van de hele mens, lichaam en geest. Nu wordt ook duidelijk waarom het lege graf zo een belangrijk teken is. Ook Christus’ lichaam is verrezen. Dat is geen eenvoudig geloofspunt. Velen geloven wel dat de mens op een of andere manier in geestelijke zin voortleeft na de dood, maar het geloof dat het sterfelijk lichaam kan verrijzen tot eeuwig leven is veel moeilijker om te aanvaarden
Toen de sabbat voorbij was, kochten Maria van Magdala, Maria van Jakobus en Salome kruiden om Hem te gaan zalven. In alle vroegte op de eerste dag van de week gingen ze na zonsopgang naar het graf. Ze zeiden tegen elkaar: “Wie zal voor ons de steen voor de ingang van het graf wegrollen?” Toen ze opkeken zagen ze dat de steen weggerold was; hij was overigens buitengewoon groot. Toen ze het graf binnengingen, zagen ze er rechts een jongeman zitten met een wit kleed om, en ze schrokken hevig. Maar hij zei hun: “Schrik niet. U zoekt Jezus van Nazareth, die gekruisigd is. Hij is tot leven gewekt, Hij is niet hier. Kijk, hier is de plaats waar ze hem neergelegd hadden.” (Mc 15, 1-6)
Alweer, wanneer we dit verhaal herkauwen stoten we op een aantal elementen die vragen oproepen. De vrouwen gaan op weg om Jezus te balsemen en vragen zich af wie voor hen die zware steen voor het graf zal wegrollen. Als ze weten dat ze het niet alleen kunnen redden, waarom vertrekken ze dan zonder hulp? Blijkbaar vertrouwen ze op God, want ze vertrekken toch. Hun liefde voor Jezus is groter dat hun zorgen om de steen. En wat blijkt? Wie gelovig vertrouwt, kan rekenen op Gods genade. De steen is weggerold en ze kunnen het graf binnengaan. Daar maakt verdriet plots plaats voor ontzetting.
Badend in goddelijk licht begroet een engel des Heren de drie vrouwen die naar het graf van Jezus gekomen waren om het lichaam te balsemen. De vrouwen zijn onzeker. De engel moet hen geruststellen: “Vrees niet. Gij zoekt Jezus van Nazareth, die gekruisigd is. Hij is tot leven gewekt, Hij is niet hier. Kijk hier is de plaats waar ze Hem hadden neergelegd.” (Mc 16, 6)
Arcabas is het pseudoniem van de Franse religieuze kunstenaar Jean-Marie Pirot (Trémery, °1926). Hij studeerde aan de École Nationale Supérieure des Beaux-Arts in Parijs en gaf les aan de École des Beaux-Arts in Grenoble. Arcabas heeft met diverse technieken gewerkt (gravure, beeldhouwkunst, mozaïek, tapijtkunst) maar is doorgebroken met schilderkunst. Hij brak door met zijn werken voor de kerk van Saint-Hugues-de-Chartreuse. Van 1969 tot 1972 werd hij als gastartiest uitgenodigd door de Canadese regering en was hij professor aan de universiteit van Ottawa. Terug in Frankrijk stichtte hij het atelier Éloge de la Main. Hij kreeg internationaal tal van opdrachten. In de vergaderzaal van de Belgische bisschoppenconferentie hangt een andere polyptiek van hem: De geboorte en de kindertijd van Jezus. Zijn thematiek is trouwens overwegend religieus. Hij leeft momenteel in Saint-Pierre-de-Chartreuse (Isère).
Meer info rond deze kunstenaar: http://www.arcabas.com/
U kan dit veelluik gaan bewonderen in Scherpenheuvel. Voor meer informatie, zie: