Ontstaan, betekenis en liturgie in de goede week

Ontstaan en betekenis van de Goede Week

De jonge kerk vierde het Paasfeest op 1 dag, maar sinds de vierde eeuw ontstond het Paastriduüm van de gekruisigde, begraven en verrezen Heer. Deze driedaagse begint met de avondmaalviering van Witte Donderdag en eindigt met de vespers van Paaszondag. Later voegde men daar nog de intocht van Jezus in Jeruzalem aan toe, wat werd gevierd op de zondag voor pasen (Palmzondag). Op die manier ontstond de Goede Week. Het voorvoegsel ‘goed’ vindt zijn oorsprong in het heil, ‘het goed’ dat aan alle mensen wordt toegezegd in het Paasmysterie van de Heer. Het was ook een week waarin aan Christenen werd gevraagd om goed te zijn voor elkaar, door bijvoorbeeld geen schulden terug te vorderen, ... Andere benamingen voor deze week zijn ‘Stille Week’, ‘Grote Week’ of ‘Heilige Week’.

Uit: J.LAMBERTS, Volksgebruiken in de loop van het liturgisch jaar, Averbode, Altiora, 2001, p.87-89.

naar boven

Palmzondag

palmzondagDe zesde zondag van de vasten wordt Palmzondag genoemd. Sinds het Tweede Vaticaans Concilie is de officiële benaming ‘Palmzondag: passie van de Heer’. Hierbij worden twee aspecten samengenomen: de intocht van Jezus in Jeruzalem en de gedachtenis van zijn lijden. Vroeger werd dit laatste aspect herdacht op de vijfde zondag van de vasten, op Passiezondag. Het gebruik van de palmprocessie ontstond in Jeruzalem tegen het einde van de vierde eeuw. Gelovigen kwamen samen op de Olijfberg en na een woorddienst trokken ze met palmtakken in processie de stad binnen. Dit gebruik werd al snel overgenomen door Oosterse kerken en tegen het einde van de achtste eeuw hield men in het Westen ook palmprocessies op Palmzondag. Omdat er in de noordelijke landen geen palmbomen groeien, werden de palmtakken vervangen door allerlei groene twijgen, vooral van de buxus, ook wel palmboompje genoemd.

Uit: J.LAMBERTS, Volksgebruiken in de loop van het liturgisch jaar, Averbode, Altiora, 2001, p.87-89.

naar boven

Witte Donderdag

Witte DonderdagOp Witte Donderdag herdenken we het laatste avondmaal van de Heer. In de meeste talen wordt deze dag Heilige Donderdag genoemd. Onze benaming is afkomstig van het witte gewaad dat de priester draagt tijdens de viering, een contrast met de andere dagen van de vasten, waarop de liturgische kleur paars is. In het Duits spreekt men over Gründonnerstag, wat hier niets te maken heeft met de liturgische kleur, maar met het Hoogduitse woord ‘gronan’, wat ‘klagend schreien’ betekent. Tot in de Middeleeuwen bestond de gewoonte om openbare boetelingen op Witte Donderdag weer met de kerk te verzoenen zodat ze konden deelnemen aan de Paasviering.

Uit: J.LAMBERTS, Volksgebruiken in de loop van het liturgisch jaar, Averbode, Altiora, 2001, p.87-89.

naar boven

Goede Vrijdag

goede vrijdagOp Goede Vrijdag herdenken we het lijden en de dood van de Heer. In de meeste andere talen wordt deze dag Heilige Vrijdag genoemd, in het Duits spreekt men over ‘Karfreitag’. Men is niet zeker over de betekenis hiervan. Het zou afkomstig kunnen zijn van het Middelhoogduitse woord ‘kara’ dat zorg of kommer betekent, maar evengoed van het Latijnse ‘carena’ wat ontthouding betekent.

Uit: J.LAMBERTS, Volksgebruiken in de loop van het liturgisch jaar, Averbode, Altiora, 2001, p.87-89.

naar boven

Pasen

pasenVolgens Paulus kreeg het Joodse paasfeest voor Christenen een nieuwe inhoud en betekenis: ‘Doe de oude zuurdesem weg, om vers deeg te worden. U moet zijn als ongezuurde broden, want ook ons paaslam is geslacht: Christus’ (1 Kor 5,7) Waarschijnlijk vierden de eerste joods-christenen gedurende het joodse paasfeest reeds de gedachtenis van hun eigen christelijke paasmysterie. Het joodse paasfeest ontstond als lentefeest: men vierde de overgang van winter naar lente, van duisternis naar licht, van dood naar nieuw leven. In die zin was het reeds een feest van bevrijding. De uittocht uit Egypte en de verbondssluiting in de woestijn was voor de Israëlieten de fundamentele gebeurtenis waardoor God hen tot zijn volk maakte. Op Pesach herdenkt men dit gebeuren, maar het betekent ookdat elke deelnemer zich opgenomen weet in Gods bevrijdend heilshandelen, een bewust beleven dat ze samen een verbondsvolk zijn. Voor Christenen betekende Jezus’ verrijzenis dat er een nieuwe heilsorde tot stond gekomen was. Dit wilde ‘het nieuwe volk van God’ in hun Paasfeest vieren.

Uit: J.LAMBERTS, Volksgebruiken in de loop van het liturgisch jaar, Averbode, Altiora, 2001, p.103-104.

naar boven

Liturgie van de Goede Week

Palmzondag

palmzondagDe liturgie van Palmzondag combineert twee herinneringen: die aan de intocht van Jezus in Jeruzalem en die van zijn lijden en sterven. Bij het begin van de plechtigheid vindt meestal de Palmwijding plaats. Sinds het tweede Vaticaans concilie werd de optie voorzien om samen te komen op een plaats buiten de kerk. De gelovigen krijgen een palmtak, die door de priester wordt gezegend. Daarna wordt het verhaal van Jezus’ intocht in Jeruzalem gelezen. Met het kruis voorop trekt men dan in processie zingend de kerk binnen. Dikwijls gebeurt dit echter aan de achterzijde van de kerk. Sommige eucharistievieringen op deze dag hebben geen palmwijding, maar de gelovigen kunnen wel altijd gewijde palmen meenemen naar huis.
De eerste lezing gaat over de gehoorzaamheid van de lijdende dienaar (Js 50, 4-7) en de tweede lezing verhaalt hoe de gehoorzaamheid van Jezus leidt tot de kruisdood, maar ook tot zijn verheerlijking (Fil 2, 6-11). Het evangelie verhaalt het lijdensverhaal volgens Marcus, Matteus of Lucas, afhankelijk van de jaarcyclus.

Uit: J.LAMBERTS, Volksgebruiken in de loop van het liturgisch jaar, Averbode, Altiora, 2001, p.89-90.

naar boven

Witte Donderdag

De chrismamis is de jaarlijkse Mis die in de ochtend van Witte Donderdag gevierd wordt en waarin het chrisma door de bisschop wordt gewijd. In dezelfde viering worden ook de catechumenenolie en de ziekenolie gezegend. Het gebeurt ook vaak dat deze mis op een andere dag kort voor het Paastriduüm gevierd wordt.

witte donderdag’s Avonds herdenken we in een eucharistieviering het laatste avondmaal met de instelling van de eucharistie en de voetwassing als symboolhandeling van Jezus’dienende liefde. Tijdens het zingen van het gloria luiden de klokken voor de laatste keer tot aan het gloria van de Paaswake. Amalarius van Metz (9de eeuw) zag hierin de uitdrukking van de deemoedige zelfontlediging van de Heer. Anderen zien hierin een overblijfsel van de tijd dat er geen klokken waren. Aan de kinderen wordt verteld dat dit de tijd is waarin de klokken naar Rome vliegen om de paaseieren.
De eerste lezing gaat over het slachten van het paaslam door de Israëlieten bij hun uittocht uit Egypte. In de tweede lezing wordt de instelling van de eucharistie verhaald en in het evangelie staat het verhaal van de voetwassing centraal. In de zevende eeuw ontstond het gebruik dat bisschoppen en priesters de voeten zouden wassen van hun medewerkers. Ten tijde van de Karolingers verdween dit gebruik naar de kloosters, waar het een dienst werd aan gasten, armen en zieken. Sinds 1570 wordt dit gebruik weer voorgeschreven, enkel voor bisschops- en abdijkerken, maar ze wordt ook uitgevoerd in andere kerken als dit pastoraal verantwoord is.

Na de viering is er de mogelijkheid tot aanbidding van het sacrament. Hierbij wordt de gezegende hostie in een monstrans op het altaar geplaatst.

Uit: J.LAMBERTS, Volksgebruiken in de loop van het liturgisch jaar, Averbode, Altiora, 2001, p.90-92.

naar boven

Goede Vrijdag

Goede vrijdagDe eerste christenen kenden geen liturgie op Goede Vrijdag, enkel een tweedaagse vasten. In het begin van de vierde eeuw zou keizerin Helena het kruis hebben teruggevonden. Sindsdien ontstonden kruisvereringen op alle plaatsen die een relikwie van het kruis hadden. In 1570 werd de liturgie vastgelegd in het missaal. Hoewel deze viering oorspronkelijk in de namiddag rond het stervensuur van de Heer werd gehouden, werd nu beslist om de viering in de voormiddag te houden. In 1955 werd het ritueel vereenvoudigd en raadde men aan om de viering in de namiddag te houden. Sinds 1970 wordt voorzien dat de viering ook ’s avonds kan gehouden worden op plaatsen waar Goede Vrijdag geen vrije dag is.

Jezus’ sterfdag wordt herdacht met een viering zonder volledige eucharistie. Meestal omvat het het lijdensverhaal, de grote voorbede, de kruishulde en de communieritus. Het lijdensverhaal en de kruisverering vormen het middelpunt van de plechtigheden. De lezingen handelen over de lijdende dienaar (eerste lezing, Js 52,13-53,12), over jezus als verheven hogepriester (tweede lezing, Heb 4,14-16.5,79) en het lijdensverhaal volgens Johannes. De voorbede bestaat uit 14 intenties.

“Daarna volgt de kruisceremonie. In het kerkgebouw is er op het moment van de ceremonie maar één enkel kruisbeeld zichtbaar. Alle overige kruisbeelden zijn na de avondmis van Witte Donderdag uit de kerk verwijderd of tenminste bedekt. In de kruisceremonie van Goede Vrijdag wordt het kruis binnengedragen en vereerd, als was het een fonkelnieuw symbool van de dood die Christus voor ons gestorven is. De kruisceremonie begint met de kruisvertoning. Deze kan op verschillende manieren worden vormgegeven. Vaak wordt het altaarkruis in processie door de priester of diaken de kerk binnengedragen, begeleid door acolieten die kandelaars met brandende kaarsen dragen. Op verschillende momenten wordt het kruis tijdens de processie ter aanbidding omhoog geheven. Tot slot wordt het kruis bij de ingang van het priesterkoor geplaatst, tussen de kandelaars. Daarna volgt de kruisverering. Daarbij is het de bedoeling dat alle aanwezigen langs het kruis trekken en dit vereren met een kniebuiging of, waar dit gebruikelijk is, een kus. Indien wegens het grote aantal aanwezigen niet iedereen naar voren kan komen, gaat de priester op een gegeven moment met het kruis voor het altaar staan, waarbij hij het ter aanbidding korte tijd opheft. Aan het einde van de kruisverering wordt het kruis op zijn gebruikelijke plaats op het altaar geplaatst.” (http://www.isidorusweb.nl/asp/default.asp?t=show&id=2737)

Na de kruisverering wordt de communie uitgereikt in stilte. Hiervoor gebruikt men de op Witte Donderdag geconsacreerde hosties. Na de Goede Vrijdag-viering worden de hosties bewaard buiten de kerk. Na het gebed over de communie spreekt de priester nog een zegengebed uit.

Uit: J.LAMBERTS, Volksgebruiken in de loop van het liturgisch jaar, Averbode, Altiora, 2001, p.92-94.

naar boven

Stille zaterdag

Op stille zaterdag blijft de kerk en het altaar leeg: het is de dag van de grafrust van Jezus, de rustdag tussen dood en opstanding.

Vanaf 20u mag de paaswake gevierd worden. Deze viering behoort tot de Paascyclus.

Joris Geldhof - De paaswake: een historische en theologische verkenning

"In de Romeinse liturgie die momenteel in de katholieke kerk in voege is, kent de paaswake een vierledige structuur (1). De viering begint in het duister aan het kerkportaal of achteraan in de kerk. Daar wordt eerst het vuur gewijd en vervolgens de paaskaars ontstoken. Deze openingsplechtigheid, die bekend is onder de Latijnse benaming ‘lucernarium’ (2), eindigt met een uitgebreide lofzang op de paaskaars, het fameuze ‘Exultet’. Daarna volgt een erg lange woorddienst, met niet minder dan zeven lezingen uit het Oude Testament, één uit Paulus’ Romeinenbrief en de evangelielezing, al naargelang het A-, B- of C-jaar volgens Matteüs, Marcus of Lucas (3). Ten derde bestaat de paaswake uit een doopritus, die anders in elkaar steekt al naargelang er effectief doopkandidaten zijn of niet. (...) Tenslotte wordt in de paasnacht voor het eerst sinds Witte Donderdag opnieuw eucharistie gevierd.

(...)

Openingsplechtigheid

paaswake

Nadat het vuur is gewijd en de paaskaars is aangestoken, wordt deze laatste in processie naar voren (dit wil zeggen naar de buurt van het altaar) gedragen. Tot drie keer toe wordt “Licht van Christus” – “Heer, wij danken U” gezongen. Pas wanneer de paaskaars op haar staander is geplaatst, worden in de kerk de lampen aangestoken. Deze lichtsymboliek zou beschouwd kunnen worden als een subtiele voorafspiegeling van het doopsel, dat later in de paasnachtviering plaatsvindt. Sowieso wordt het doopsel traditioneel geduid als een symbolische overgang van de duisternis naar het licht. De paaskaars zelf speelt overigens een niet onaanzienlijke rol in de doopliturgie – zoals we nog zullen zien.

De band tussen de verrijzenis en het doopsel is heel nauw. Het is geen overdrijving om het doopsel te beschouwen als een plechtige toetreding tot de orde van het verrijzenisgeloof (4). De paassymboliek van doopvieringen buiten de paasnacht en de paastijd blijft dan ook zeer sterk, alleen al door de wenselijkheid om doopvieringen op zondagen te houden (5). De verweving van de paas- en de doopselsymboliek komt ondermeer tot uitdrukking in het cruciale beeld van herboren worden en herleven (6). Van dat besef getuigt trouwens de lofzang op de paaskaars, die het eerste luik van de paaswake afsluit (7).

Woorddienst

De uitgebreide woorddienst van de paaswake gaat terug op een lange en complexe geschiedenis, in de loop waarvan het aantal en de selectie van de teksten danig konden variëren. Het actuele aantal lezingen illustreert tegelijk het eminente belang van Pasen voor het christelijk geloof én de impact van de heilsgeschiedenis. Het is meerbepaald in het perspectief van Gods genadevolle handelen ten behoeve van de mensheid dat de volle betekenis van Pasen door middel van de geselecteerde lezingen ontsloten wordt (8).

De lezingen uit het Oude Testament zijn zeven in getal (9). Achtereenvolgens komen aan bod: het eerste scheppingsverhaal, meestal ingekort tot de schepping van de mens en zijn opdracht; de geloofsbeproeving van Abraham, die gevraagd wordt zijn zoon Isaäk te offeren; het relaas van de doortocht van de Israëlieten door de Rietzee; twee sterk evocatieve perikopen uit Jesaja, die Gods standvastigheid en barmhartigheid onderstrepen; een oproep tot bekering uit het boek Baruch; en tenslotte de profetie uit het boek Ezechiël met ondermeer de passage over de vervanging van de stenen harten door een hart van vlees (10). Wanneer ‘vrijelijk’ geput wordt uit deze selectie van zeven teksten, moet daar volgens de liturgische rubrieken naast twee andere teksten zeker het doortochtverhaal bij zijn.

In het licht van de doopliturgie die op de woorddienst volgt, is dat zeer betekenisvol. Want ook het doopsel wordt begrepen als een bevrijding uit ketenen van slavernij en als een sacramentele doortocht door water op weg naar een hernieuwd en voller leven. Zoals God eens het volk Israël verloste van het externe kwaad van de onderdrukking (gesymboliseerd door Egypte en de hardnekkigheid van de farao), zo verloste hij in Christus de mens van het interne kwaad van de dood en bewerkstelligde hij een nieuw (en eeuwig) leven. In de lijn van deze beide bevrijdingsgebeurtenissen moet de betekenis van de doop geïnterpreteerd worden (11).

Naast de Exodusperikoop hebben ook de passages uit Jesaja 55 en Ezechiël 36 een directe band met de symboliek rond het doopsel en de initiatie. De eerste elf verzen van Jesaja 55 (de ‘vijfde lezing’) vormen niet alleen een profetie die van oudsher rechtstreeks op de zending en verrijzenis van Christus wordt toegepast. Ze bevatten tevens allusies op water/dorst en brood/honger, die door de traditie respectievelijk in verband zijn gebracht met doopsel en eucharistie(12) – temeer daar deze perikoop de weldadige werking beschrijft van het W/woord van God. Door middel van de profetisch-poëtische toon, inhoud en stijl lijkt deze tekst perfect geschikt voor de viering van het summum van de christelijke initiatie.

In Ezechiël 36 (de ‘zevende lezing’) komt de symboliek rond water nog explicieter dan in Jesaja 55 ter sprake; de tekst thematiseert zonder omwegen de reinigende kracht van water. Daardoor is hij vanuit de liturgische context waarin hij voorgelezen wordt, met de vorige complementair: de link met het doopsel wordt onwillekeurig en nadrukkelijk op het voorplan geplaatst.

In de achtste lezing, uit Romeinen hoofdstuk 6 – zo zou men kunnen beweren – vloeien de semantische velden en gedachtelijnen uit Exodus, Jesaja en Ezechiël samen, en wordt radicaal op Jezus Christus’ verrijzenis gefocust. Paulus voert in deze passus aan dat we allen in het doopsel met Christus gestorven én verrezen zijn. Dankzij de verrijzenis is ons een nieuw leven beschoren dat niet meer bezoedeld zal worden door dood en zonde. Dat dit kernpunt van het christelijk geloof verregaande implicaties heeft, hoeft verder geen betoog.

Niet toevallig trouwens is het beroemde excerpt uit Romeinen 6 de achtste lezing: ‘acht’ staat als dusdanig symbool voor de verrijzenis als de hernieuwing van de schepping en het leven. Zes dagen had God aan de schepping gewerkt, op de zevende dag had hij uitgerust. De achtste dag staat volgens die getallensymboliek bijgevolg voor de totale herschepping door het verrijzenisgebeuren(13).

De doopliturgie

De derde fundamentele bouwsteen van de paaswake is de doopliturgie, die erg betekenisvol geplaatst wordt tussen de woorddienst en de eucharistieviering.

doopliturgieIndien er geen doopkandidaten zijn, is de liturgie betrekkelijk eenvoudig – wat echter in geen geval aanleiding mag geven tot de veronderstelling dat ze minder diepzinnig zou zijn en (dus) in de liturgische praxis minder intens uitgevoerd en beleefd mag worden. Na de wijding van het doopwater, met in essentie een actualiserende herinnering aan Gods genadevol handelen in de geschiedenis en bij uitstek in het Christusgebeuren(14), nodigt de voorganger de aanwezige gelovigen uit tot de hernieuwing van de doopbeloften(15). Het patroon daarvoor is ontleend aan het credo en kent dus, net als het doopsel zelf, een trinitarische structuur. Daarna besprenkelt de voorganger de aanwezigen met het nieuwe doopwater.

Indien er daarentegen wél effectief doopsels worden toegediend, is de liturgie ietwat uitgebreider en krijgen de afzonderlijke onderdelen van het verloop van de viering meer reliëf. Na de individuele presentatie van de doopkandidaten aan de verzamelde gemeenschap is er een processie naar de doopkapel(16). Die wordt (muzikaal) begeleid door een litanie, dit wil zeggen een aanroeping van de heiligen en het daarmee gepaard gaande verzoek om assistentie, verlossing en bevrijding. Daarna volgt de zegening van het doopwater, waarin ondermeer expliciet gerefereerd wordt naar de doortocht van de Israëlieten door de Rietzee(17). Vanzelfsprekend culmineert in dit gebed de gedachtenis (memoria resp. anamnese) aan de heilsgeschiedenis in het kruis- en verrijzenisgebeuren (cf. supra). Naar het einde toe van het wijdingsgebed laat de doopheer de paaskaars tot drie keer toe zakken in het doopwater en houdt haar daar tenslotte in, terwijl de gebedstekst met evidente reminiscenties aan de belangrijke lezing uit Romeinen 6 als volgt besluit: “zodat allen die door de doop samen met Christus zijn begraven, ook met Hem uit het graf zullen opstaan en met Hem leven tot in eeuwigheid. Amen”.

Hierna leggen de doopkandidaten, eventueel (maar eigenlijk liefst) samen met de aanwezige kerkgemeenschap, de doopbeloften af. In essentie bevatten die een verzaking aan het kwaad en de uitdrukking van het geloof in God als Vader, Zoon en Geest. Betekenisvolle riten zetten de overgang en transformatie die het doopsel inhoudt, extra in de verf: de bekleding met een wit doopkleed en de overhandiging van een doopkaars.

In het geval van volwassenen gaat de viering verder met het vormsel van de nieuwgedoopten. Met verwijzingen naar het Pinkstergebeuren bidt de vormheer een handopleggingsgebed, dat sterk epicletisch (pneumatologisch) van inslag is. Ook het daarop volgende gebed staat geheel in het teken van een vraag om de uitzending van de Geest over de nieuwgedoopten. Tenslotte worden ze met chrisma op het voorhoofd gezalfd en ontvangen ze het zegel van de heilige Geest.

Als afsluitend commentaar bij de drie besproken onderdelen van de paaswake moeten de vele thematische correspondenties ertussen en de onderlinge samenhang benadrukt worden. Zo merkt Louis Bouyer op: “Si, dans l’‘euchariste lucernaire’, nous avons trouvé comme un cantique à la clarté, dans cette prière [en bedoeld is hier het wijdingsgebed van het water], c’est toute une mystique de l’eau qui s’expose à nous”(18). En puttend uit de schat van de kerkvaders omschreef hij het doopsel zelf met “le beau nom d’‘illumination’”(19). Zonder twijfel is de verrijzenis zelf, in deze nacht plechtig gevierd, het bindmiddel tussen alle verschillende elementen, en tegelijk de ultieme referent van al wat deze nacht op het spel staat.

De eucharistie

Ook de eucharistie behoort echter tot de initiatiesacramenten en geldt zelfs als het hoogtepunt daarvan. Onder andere omwille van die reden is zij het vierde constitutieve bestanddeel van de paasnachtviering."

Overgenomen uit: J. Geldhof, De paaswake, een historische en theologische verkenning, in: D. Pollefeyt (red.), Als catechese tot volwassenheid komt, Antwerpen, Halewijn, 2009, p. 127-156, 128-133..

Noten:

(1)Cf. het Gemeenschapsmissaal voor zon- en feestdagen. Volledige uitgave onder leiding van J. van der Veken (Turnhout, Brepols, 1986), p. 317 e.v.
(2)Voor enige achtergrond, zie P. REGAN, Paschal Lucernarium. Structure and Symbolism, in Worship 82 (2008) 98-118. Dit artikel bespreekt enkele historische etappes in deze rite en uit zich erg positief over de hervorming van Pius XII in 1951 (cf. infra).
(3)Vanzelfsprekend zijn deze lezingen het verrijzenisgetuigenis volgens de synoptische evangeliën (respectievelijk Mt 28, 1-8, Mc 16, 1-7 en Lc 24, 1-12). Het getuigenis volgens Johannes (Joh 20, 1-9) wordt voor de dagviering van de Paaszondag gereserveerd.
(4)Vergelijk L. BOUYER, Le mystère pascal. Méditation sur la liturgie des trois derniers jours de la Semaine Sainte, Coll. “Lex orandi”, nr. 6, Paris, Cerf, 1945, p. 372: “On comprend alors que la fête de Pâques, la fête du Christ ressuscité, soit dans l’Église la fête de l’incorporation au Christ: pour les néophytes la fête de la nouvelle naissance au baptême, et, pour les chrétiens déjà ‘parfaits’, la fête du renouvellement commun de leur vie dans le Christ par le banquet eucharistique”. Verderop zullen we omwille van zijn sterke inhoudelijke reflectiekracht, zowel op theologisch als op spiritueel niveau, nog opnieuw verwijzen naar dit in meerdere opzichten opmerkelijke werk – dit ondanks het feit dat het dateert van (ver) vóór het concilie.
(5) In tegenstelling tot vaak gehoorde opinies ontleent de zondag in het christendom niet op de eerste plaats zijn betekenis aan zevende dag van de goddelijke scheppingsactiviteit maar aan de verrijzenis van ‘de Heer’ (‘dominus’ – ‘dominica’ – …). Cf. bijvoorbeeld L.M. CHAUVET, Les sacrements. Parole de Dieu au risque du corps, Paris, Les Éditions de l’Atelier, 1997, p. 52.
(6) Vergelijk L. BOUYER, Le mystère pascal, p. 433.
(7) Deze thematiek wordt meerbepaald óók nog in verband gebracht met schuld en zonde. Zo komt in de tekst van deze lofzang het beroemde begrip van de ‘felix culpa’ voor en wordt het volgende gezegd: “Deze heilige nacht verjaagt de zonden en vergeeft de schulden”. Het doopsel op zijn beurt wordt algemeen en traditioneel beschouwd als het eerste en belangrijkste sacrament van vergiffenis. Misschien was men zich daar in de Oudheid, toen de meeste doopkandidaten volwassenen waren, beter van bewust.
(8) Door deze lezingen ‘leçons’ te noemen, onderstreept Bouyer het ‘diep-catechetische’ en initiatiekarakter van de paasnachtviering.
(9) In het missaal van vóór de vernieuwingen onder Paulus VI waren er niet minder dan 12 lezingen voorzien. Cf. BOUYER, Le mystère pascal, p. 397-418.
(10) Respectievelijk Gen 1,1-2,2; Genesis 22,1-18; Exodus 14,15-15,1; Jesaja 54,5-14; Jesaja 55,1-11; Baruch 3,9-15.32-4,4; Ezechiël, 36,16-28. In de liturgie wordt de lezing van deze teksten afgewisseld met antwoordpsalmen en gebeden.
(11) L. BOUYER, Le mystère pascal, p. 386: “Le baptême des néophytes sera pour eux comme un nouveau passage à travers la Mer Rouge, qui les amènera du royaume des ténèbres au royaume du Fils de l’amour divin, à la suite du Ressuscité, passé de la mort à la vie”.
(12) L. BOUYER, Le mystère pascal, p. 404.
(13) In de kunst en de architectuur is deze symboliek rond het getal acht sterk doorgedrongen en ‘multisque multivarie modis’ toegepast. Men denke bijvoorbeeld aan octogonale kerktorens en baptisteria, maar ook aan ingewikkelde patronen die de compositie van schilderijen hebben bepaald. Vergelijk Peter SCHMIDT, Het Lam Gods, Leuven, Davidsfonds, 2006, p. 112-116; 134-137.
(14) De aard van dit wijdingsgebed dient dus theologisch gezien sterker geïnterpreteerd te worden dan zomaar een zegening. Ze is in een welbegrepen zin ‘eucharistisch’…
(15) Het is interessant om erop te wijzen dat de doopliturgie van vóór Vaticanum II geen hernieuwing van de doopbeloften kende. Bouyer bespreekt ze alleszins nergens maar lijkt tussen de regels van zijn tekst door de zinvolheid en pertinentie daarvan toch te veronderstellen.
(16) Omwille van praktische redenen kunnen de doopsels ook voltrokken worden in de buurt van het altaar, het centrum van de viering.
(17) “God, Gij hebt het nageslacht van Abraham droogvoets door de Rode Zee laten trekken toen zij uit de Egyptische slavernij waren bevrijd” (Gemeenschapsmissaal, p. 345).
(18) L. BOUYER, Le mystère pascal, p. 425. Vgl. ibid., p. 428: “Comme le Lucernaire nous a révélé le mystère de la lumière dans la résurrection, cette consécration en exprime le mystère de vie, sous le symbolisme familier à l’Écriture et à la tradition: les sources d’eau” – waaraan hij toevoegt dat zowel aangaande de lichtsymboliek als betreffende de watersymboliek het Johannesevangelie van de grootste betekenis is.
(19) L. BOUYER, Le mystère pascal, p. 389. (Cf. supra)

naar boven

Pasen

Paaszondag had oorspronkelijk geen eigen liturgie omdat de Paaswake duurde tot de vroege zondagmorgen. Met het verdwijnen van het gebruik van de Paaswake kwam er een eigen liturgie op Paaszondag. In de eerste lezing getuigt Petrus van het Paasmysterie van de Heer (Hnd 10,34a.37-43). Voor de tweede lezing kan men kiezen tussen twee teksten van Paulus: zoekt wat boven is (Kol 3, 1-4) of ons paaslam is geslacht (1 Kor 5, 6b-8). Als evangelie wordt het verrijzenisverhaal van Johannes voorgelezen (Joh 20, 1-9)

Uit: J.LAMBERTS, Volksgebruiken in de loop van het liturgisch jaar, Averbode, Altiora, 2001, p. 122-123.

naar boven