Je bent hier: Startpagina › Pastor zijn › Algemeen › Recensies › Recensies 2

Recensies

Zorg voor het verhaal. Achtergrond, methode en inhoud van pastorale begeleiding

RUARD GANZEVOORT & JAN VISSER, Zorg voor het verhaal. Achtergrond, methode en inhoud van pastorale begeleiding, Zoetermeer, Meinema, 2007.

De Nederlandse protestantse pastoraaltheoloog Ruard Ganzevoort schreef samen met zijn voormalig promotor Jan Visser een werk dat zonder meer als standaardwerk op het gebied van pastoraaltheologie in Vlaanderen en Nederland beschouwd kan worden. Het boek is opgevat als handboek te gebruiken in opleidingen pastoraat en bevat daarom ook opdrachten en toetsingsvragen. Het is zeer vlot en begrijpelijk geschreven en bevat telkens ook korte verwijzingen naar verdere literatuur, vaak ook in het Nederlands.

Het werk is opgebouwd uit drie grote delen. Deel één kreeg als titel ‘achtergronden’ en bevat een inleiding in wat pastoraat is en wat belangrijke modellen van pastoraat zijn. De pastor wordt omschreven als getuige (kerugmatisch en charismatisch pastoraat), als helper (therapeutisch en systemisch pastoraat), als metgezel (evenmenselijk en presentie-pastoraat) en als tolk en gids (hermeneutisch pastoraat). Hoewel niet alle vormen van pastoraat aan bod komen en de beschrijvingen soms erg beknopt zijn, is deze vierdeling bijzonder verhelderend. Speciale aandacht wordt besteed aan narratief pastoraat als een vorm van hermeneutisch pastoraat.

Deel twee handelt over methoden, waarin het gesprek, verhalen, bijbel, gebed en rituelen aan bod komen. Opvallend en zeer boeiend in dit tweede deel is ook het hoofdstuk ‘theologie in het pastoraat’, waarbij de auteurs ingaan op de theologische competenties van de pastor. Doorheen het gehele boek worden verbanden tussen theologie en pastoraat gelegd, waardoor de eigenheid van pastorale zorg een duidelijke invulling krijgt.

Deel drie draagt de algemene titel ‘inhoud’ en behandelt de thema’s ‘levensloop’, ‘verlies’, ‘woede en geweld’, ‘schuld en schaamte’ en ‘angst en verlangen’. In het derde deel worden heel wat inzichten van de auteurs op een begrijpelijke manier gepresenteerd.

Het boek sluit af met een epiloog over de biografie en de spiritualiteit van de pastor. Dit werk draagt duidelijk de stempel van het ‘narratieve pastorale model’, wat ook uit de titel blijkt, maar is veel meer dan een inleiding in narratief pastoraat. Voor het gebruik binnen de Vlaamse katholieke setting, is het af en toe wenselijk om te hertalen of aan te vullen op basis van de concrete contexten. Dit boek biedt vooral een handleiding voor het individuele pastoraat. Wie reflecties zoekt over diaconie, over gemeenschapsvorming, over conflicten en samenwerkingsverbanden in een pastorale context, kan elders terecht. Eén van de grote verdiensten van dit boek is de praktijkbetrokkenheid: er worden heel wat casussen belicht en de lezer wordt voortdurend uitgedaagd om over de eigen praxis en de eigen spiritualiteit en theologie na te denken.

Annemie Dillen

Uit: Pastorale Perspectieven nr. 137

naar boven

Tot de kern komen. De kunst van het pastorale gesprek

JOHAN SMIT, Tot de kern komen. De kunst van het pastorale gesprek, Kok, Kampen, 2006, 143 p.

Met zijn boekje wil J. Smit jonge pastores helpen 'om bewuster, sneller en beter pastorale gesprekken te voeren'. Aangezien pastores jong blijven in het pastoraat, is het aangeraden dit luchtig en sprankelende boekje dat tegelijk de kern van het pastorale gesprek raakt, te lezen. Pastores verlangen er immers naar om levendige en diepgaande gesprekken te voeren, liefst ook nog efficiënt, met zo weinig mogelijk tijdverlies zodat zoveel mogelijk mensen ervan kunnen genieten. En over dat genieten gaat het bij Smit, over het deugd doende van een goed pastoraal gesprek. Van bij het begin van zijn betoog staat spiritualiteit als het meest eigene van het pastoraat centraal. Doel is om door pastorale ontmoeting bij te dragen tot de levenskracht van mensen. Daartoe is totale communicatie nodig, taal en gebaar om het verborgene van mensen te openbaren en toegankelijk te maken. "Pastoraat is op zoek gaan naar parels in de innerlijke ruimte van de pastorant". Worden deze parels gevonden, "dan gebeurt er iets bijzonders. God!" (p.18). Mogelijke kritiek op Smits definitie van pastoraat betreft het teruggeven van de parels aan de gesprekspartner zodat die het beste van zichzelf voor zijn naasten ter beschikking krijgt. M.a.w. hoe deugdelijk een pastoraal gesprek ook moge zijn, het is ons inziens geen doel op zich, maar dienst aan het leven van de mensen in kwestie. Dat dit niet kan zonder deskundigheid in het 'schouwen' in de innerlijke ruimte van de persoon, wordt door Smit dan weer vlot uitgewerkt. Doordat hij zijn eigen leerweg ter sprake brengt, is meteen duidelijk dat 'iets van God wakker roepen in het gesprek' niet evident is. Gevolg van deze leerweg is zijn model om de innerlijke ruimte van de pastorant te verkennen. Dat gebeurt in vier stappen, met een drempeltje tussen iedere stap: door de feiten te laten vertellen (1) worden de gevoelens van de pastorant(e) mee uitgesproken (2), zo komt zijn/haar identiteit aan het licht, wordt duidelijk hoe hij/zij in het leven staat (3) waardoor de innerlijke relatie tot het levensgeheim hoorbaar wordt (4). Eens dat model helder is uiteengezet, besteedt Smit aandacht aan de wijze waarop de gelaagdheid van de innerlijke ruimte in het gesprek te peilen valt. Een na een brengt hij de innerlijke ruimte van de pastor, de fysieke component van de innerlijkheid en de (symbolische) taal die erbij hoort, ter sprake. Ook enkele praktische aanbevelingen om bijvoorbeeld 'het zitten naar je hand te zetten' ontbreken niet. Dan wordt het gesprek als dusdanig verder uitgediept. Belangrijk punt is het oppikken van ambivalenties bij de gesprekspartner, veelal gecondenseerd in het woordje 'maar'. Aan het einde biedt Smit uitkomst voor pastores die van sommige mensen bang zijn en tegenover anderen allergisch reageren. Lukt het de pastor om door scholing, zelfreflectie en ondersteuning, deze angst en allergie te overwinnen, dan is ook met deze 'lastige' mensen omgang mogelijk in het krachtveld van de Geest. In deze ruimte "wordt pastoraat zoals het bedoeld is: vrolijk, krachtig, spannend, vitaal" (p. 143). 'Tot de kern komen' is een doe-boekje, zowel geschikt voor beginnende pastores als voor oude rotten in het vak die weer meer plezier in hun werk zoeken.

Marina Riemslagh

Uit: Pastorale Perspectieven nr. 137

naar boven

Daar doe ik het voor! Zorg voor de hele mens

DOMINIEK LOOTENS (red.), Daar doe ik het voor! Zorg voor de hele mens, Halewijn, Antwerpen, 2007, 95 p. + CD-rom. (Vind hier de inhoud van de CD-rom op Elisabeth)

Met Daar doe ik het voor! spelen D. Lootens en zijn ploeg echt in op een gat in de markt. De kennis en kundigheid om binnen de Caritasinstellingen met de 'C' om te gaan is de laatste 75 jaar immers nogal teruggelopen. Heel wat zorgverleners missen de toerusting om met de spirituele dimensie van de zorgvragers om te gaan. Daar wil dit boek aan tegemoet komen, enerzijds door gepubliceerde teksten anderzijds door een CD-rom met een cursus voor medewerkers in zorginstellingen. Dit alles onder het thema 'levensbeschouwing en spirituele zorg'.

D. Lootens opent met een stuk over de manier waarop de levensbeschouwing vorm krijgt: in voorwerpen en rituelen, in opvattingen en waarden, zowel emotioneel als in het dagdagelijkse handelen, in de omgang met elkaar, al dan niet binnen een geloofs¬gemeenschap. Vervolgens beschrijven A. Vandenhoeck en R. Vercamer de uitkomsten van hun onderzoek in een instelling voor personen met een verstandelijke handicap. Zowel medewerkers als ouders vragen naar spirituele begeleiding, ongeacht of ze een existentiële dan wel een religieuze levensvisie aanhangen. Dan heeft A. Lombaert het over pastoraat bij ouderen en dementen. Hoewel deze bijdrage bij momenten wat verward overkomt, zet het wel aan tot reflectie. Met ouderen werken vergt niet alleen een lange adem, het vraagt ook vaardigheden in gesprek en in meer lichamelijke vormen van contact maken. W. ter Horst schildert vervolgens een palet 'grondvormen van troost'. Zelfs waar de aanleiding om getroost te worden ontbreekt, spraken vooral samen eten, spelen, werken en 'andere horizonnen overschrijden' erg aan. Dan verkent B. Van den Heuvel aandachtspunten om als zorgverlener spirituele zorg te bieden. B. Paepen besluit met concrete aanbevelingen omtrent ruimtelijke en zintuiglijke liturgie in de zorgvoorziening. Tussen de artikels komen de cartoons van Zaza mij wat hard over. Ze weerspiegelen eerder de nood aan christelijke spiritualiteit dan dat ze er uitdrukking aan geven. Alles samen vormt het boek een vlot leesbaar en licht verteerbaar geheel waarin heel wat inspiratie te vinden is.

De CD-rom biedt als toegevoegd avontuur een echte meerwaarde aan het boek. Naast een minimale maar vlot leesbare en relevante kennis van kerkelijke begrippen, biedt ze verwijzigen naar niet-alledaagse websites. Bovendien wordt een vlot toe¬gankelijk werkboek voor spiritualiteit aangeboden. Speelse vragen en korte verhalen nopen tot nadenken over de eigen positie wat betreft de eigen spiritualiteit en de omgang met het geloof van zorgvragers. Het geheel werkt bemoedigend en appelerend. Het leidt de lezer zowel tot het besef iets met de eigen spiritualiteit te kunnen als tot mogelijkheden om als hulpverlener stil te staan bij de hulpvrager als 'hele mens'. Daar doe ik het voor! is een mooie uitgave op kwaliteitsvol papier die kan dienen waarvoor ze bedoeld is: als werkinstrument om in Caritasinstellingen de spirituele dimensie ter sprake te brengen. De uitgave is te bestellen via www.caritas.be .

Marina Riemslagh

Uit: Pastorale Perspectieven nr. 137

naar boven

Reflecteren kan je leren. Basisboek voor pastoraat en geestelijke verzorging

CORJA MENKEN-BEKIUS EN HENK VAN DER MEULEN, Reflecteren kun je leren. Basisboek voor pastoraat en geestelijke verzorging, Uitgeverij Kok, Kampen, 2007.

De auteurs van dit boek hebben de uitgever er kunnen toe overhalen om op de kaft van het boek een spiegel te plakken. Wie het boek bekijkt, ziet dus zichzelf. Een creatieve manier om meteen de bedoeling van het boek duidelijk te maken: jezelf zien, zien hoe je werkt, hoe je reageert op situaties, hoe je handelt in bepaalde contexten,… én daarover na-denken, reflecteren. Via de omweg van de reflectie is het de bedoeling de werkervaring te verdiepen, te verrijken en te professionaliseren. Volgens de auteurs is dit geen vrijblijvende optie, maar een wezenlijke noodzaak voor het pastoraal beroep. Of in hun eigen woorden: ‘Reflecteren kun je leren, is onze stelling. Als professionele pastor of geestelijk verzorger zul je het moeten leren, het is een onderdeel van je vak’ (p. 14).

Na een eerste lezing – dit impliceert een tweede lezing – ben ik ervan overtuigd dat dit boek werkelijk een wegenkaart biedt voor de reflexieve tocht die men als pastor moet maken. Wie de wegenkaart gebruikt, bepaalt zelf zijn route. Er wordt geen traject opgelegd. ‘In dit boek zijn we er steeds van uitgegaan dat er niet maar één theorie of methode is die ‘de goede’ mag heten. Veel hangt af van de persoon en de situatie waarin deze verkeert. […] Centraal staat dat de gekozen weg, gezien de situatie, het leven dient’ (p. 332). Ook dit boek wil dus de kwaliteit van werk en leven bevorderen.

De auteurs slagen zeer goed in dit opzet. Dat het boek een ‘basisboek’ genoemd wordt (cfr. ondertitel), kan ik dus volop beamen. Ik plaats straks wel een kritische opmerking bij de termen ‘pastoraat’ en ‘geestelijke begeleiding’. Eerst ontplooi ik de structuur van het boek.

Deel I focust op ‘de kunst van het reflecteren’. In drie hoofdstukken worden inzichten aangebracht en aan elkaar gekoppeld. Het eerste hoofdstuk handelt over de pastorale communicatie. De theorie van C. Rogers wordt als opstap gebruikt om het eigene van de pastorale communicatie te verkennen. Deze verkenning wordt met andere psychologische praktijktheorieën verdiept. Het volgende hoofdstuk gaat over de persoon van de pastor. Opnieuw wordt aan de hand van originele invalshoeken stilgestaan bij de beroepsidentiteit, de biografie, de theologie en de spiritualiteit van de pastor. Het derde hoofdstuk ontwikkelt een model voor reflectie, waarbij de voortdurende dialoog tussen praktijk en theorie van kapitaal belang is. De nood aan een degelijke pastorale diagnostiek laat zich vanuit dit model duidelijk kennen. De auteurs gaan dieper in op het ‘7x7-model’ van G. Fitchett.

De drie hoofdstukken zijn doorspekt met verhelderende voorbeelden uit de praktijk (deze voorbeelden zijn afkomstig uit stageverslagen die de auteurs verzameld hebben in de context van een kerkelijke opleiding van de Protestantse Kerk in Nederland te Utrecht).

Deel II maakt de omweg naar theoretische beschouwingen die door de praktijk opgeroepen worden. Het vertrekpunt in hoofdstuk vier is de presentietheorie van A. Baart. Deze theorie, ontstaan uit een reflectie op de praktijk van buurtwerkers wordt in dialoog gebracht met de pastorale theologie van N. Pembroke, die vertrekt vanuit filosofische inzichten van G. Marcel en M. Buber. ‘Beschikbaarheid’, ‘genade’ en ‘bevestiging’ staan er centraal. De auteurs besluiten dit hoofdstuk als volgt: ‘Presentie vormt het hart van de pastorale zorg. Met presentie is echter niet alles gezegd. Er zit aan het pastorschap ook een representerende kant’ (p. 160). Deze representerende kant wordt ter sprake gebracht in hoofdstuk vijf (de spirituele dimensie van het pastoraat) en zes (de ethische dimensie van het pastoraat). Er worden twee theorieën opgevoerd, de ene vanuit katholieke hoek (H. Andriessen), de andere vanuit protestantse hoek (H. van der Meulen). Telkens worden de implicaties voor geestelijke begeleiding belicht. In hoofdstuk zes wordt de ethische dimensie expliciet onder de aandacht gebracht. Verschillende modellen krijgen de aandacht (D. Browning, contextueel pastoraat, R. Gula) en worden becommentarieerd vanuit het reflectiemodel in hoofdstuk drie.

Het derde deel van het boek verzamelt acht concrete casussen die als illustratie moeten dienen voor wat in deel I en II is opgebouwd. De casus wordt telkens kort ingeleid en beschreven. Waar mogelijk volgt een reflectie door de pastores zelf. Na deze combinatie van casusbeschrijving en reflectie bieden de auteurs ook telkens hun eigen perspectief en commentaar op het geheel.
In deel IV ten slotte vindt de lezer een vijftal bijlagen, waar hulpmiddelen opgenomen zijn (casusbeschrijving, verbatimverslag, protocolanalyse, critical incident technique, boekrecensie schrijven). Het boek wordt afgesloten met een omvangrijke literatuurlijst.

Ik beschouw dit boek als een waardevolle bijdrage aan de professionalisering van de pastorale zorg. De thematische leidraad is het leren reflecteren, en de auteurs hebben dit thema met een brede en originele bril benaderd. Deel I en vooral deel II blinken wat mij betreft uit in relevantie. Deel III heeft een andere opbouw en een ander genre (telkens casus-reflectie-commentaar), maar is daarom niet minder waardevol.

Besluiten doe ik met een kritische noot over de nevenschikking van pastoraat en geestelijke verzorging. In hun inleiding definiëren de auteurs beide begrippen. Het belangrijkste verschil lijkt te zijn dat pastoraat gebeurt in het licht van het evangelie, terwijl geestelijke verzorging gebeurt in het licht van de levensbeschouwing van de ‘cliënt’ (p. 15). Verder zijn de definities volkomen parallel. Dit nevenschikkend onderscheid wordt hier ingevoegd, maar wordt in het boek niet op die manier gebruikt (zie bij voorbeeld p. 162: ‘de pastor,… die in de geestelijke verzorging werkzaam is’). Doorheen het boek krijg ik de indruk dat ‘pastor’ en ‘pastoraat’ als koepeltermen gebruikt worden, terwijl ‘geestelijke verzorging’ gebruikt wordt in de context van zorgvoorzieningen (‘predikant’ is het pendant voor het territoriale… pastoraat). Hierover moet mijns inziens verder gereflecteerd worden. Of was deze inconsequentie de prijs die men voor de spiegel moest betalen?

Pieter Vandecasteele

Uit: Pastorale Perspectieven nr. 137

naar boven

Als de schaduwen langer worden. Psychologische perpectieven op ouder worden en oud zijn

A. MARCOEN, R. GROMMEN, N. VAN RANST (Red.), Als de schaduwen langer worden. Psychologische perspectieven op ouder worden en oud zijn.

“Als de schaduwen langer worden” zou de titel van één of andere roman kunnen zijn. Niets is minder echter waar, want zoals de ondertitel laat vermoeden hebben we hier te maken met een waar handboek over de psychologische perspectieven op ouder worden en ouder zijn. Dit handboek is er gekomen op initiatief van het Hoger Instituut voor Gezinswetenschappen te Brussel, dat al jaren actief is op het terrein van alles wat ouderen aanbelangt. Zij vonden de tijd rijp om hun expertise te bundelen temeer er op dit terrein in het Nederlandstalig gebied bijna geen publicaties zijn. De auteurs hebben de bedoeling de belangrijkste thema’s en wetenschappelijke inzichten inzake de psychologie van het ouder worden aan bod te laten komen in een toegankelijke taal. Zij doen dit op een voortreffelijke wijze in vijf delen.

In een eerste deel gaan ze in op de psychogerontologie als wetenschap. Daarin wordt onder andere ingegaan op de verschillende manieren waarop de psychogerontologie als wetenschap te werk gaat. Ook wordt er aangegeven hoe wij allen, zowel leken als wetenschappers, beïnvloed worden door impliciete of expliciete ouderenbeelden. Daarnaast komt ook de oudere als zinzoeker aan bod.

In een tweede deel worden allerlei veranderingen die bij het ouder worden horen van naderbij bekeken: psychologische veranderingen, lichamelijke en cognitieve veranderingen, verschuivingen in tijdsbeleving, wijzigingen in zelfbeleving,…

In deel drie verkennen de auteurs het relatienetwerk van de oudere. De partnerrelatie wordt beschreven met veranderingen in intimiteit en seksualiteitsbeleving. Er wordt nagegaan welke gevolgen het ouder worden heeft op de bredere familiekring (kinderen en kleinkinderen, broers en zussen). Er wordt ook gewezen op het belang van vriendschap op latere leeftijd, en dit o.a. als bescherming tegen eenzaamheid. Er wordt hakhout gemaakt met het hardnekkige vooroordeel dat ouderen per definitie ‘eenzaam’ zouden zijn. Tegelijk wordt aangegeven hoe men eenzaamheid kan vaststellen en welke interventies men kan doen om eenzaamheid aan te pakken.

Deel vier, optimaal ouder worden, gaat in op het welbevinden van ouderen en ontwikkelingstaken in de ouderdom. Tegelijk wordt aangegeven wat onder succesvol ouder worden moet worden verstaan.

Het laatste deel bespreekt de psychische problemen en stoornissen die bij ouderen kunnen voorkomen. Hier wordt een hoofdstuk gewijd aan een pastoraal niet onbelangrijk aspect van ouder worden nl. de zingevingsvragen bij ouderen en hoe ouderen daarop een antwoord moeten zoeken om tot levensvervulling te komen. Hier verwijst Marcoen naar de invloedrijke logotherapie van Viktor Frankl die benadrukt dat een mens, in welke situatie hij ook zit, jong of oud, arm of rijk, ziek of gezond, de opdracht heeft een zin te zoeken voor zijn leven.

Deze meer dan 400 bladzijden Vlaamse gerontologie kunnen beschouwd worden als HET basiswerk voor de psychologische perspectieven van het ouder worden. De diepgang en de verwijzingen naar vaak heel recent onderzoek maken het tot een bijzonder geslaagd studieboek. De heel gestructureerde indeling maakt dit boek ook geschikt als naslagwerk. Dit boek mag niet ontbreken in de bibliotheek van een woon- en zorgcentrum, ook omdat het relevant is voor de praktijk en algemeen aanvaarde opvattingen (bv. met het ouder worden gaat het geheugen achteruit,…) in vraag stelt of minstens nuanceert. Het boek bevat niet alleen een schat aan kennis en informatie, het is ook met wijsheid geschreven. Zeer de moeite waard.

Marc Van Wesemael

Uit: Pastorale Perspectieven nr. 136

naar boven

Ouder worden. Het leven als antwoord

L. Van de Ven, Ouder worden. Het leven als antwoord, Davidsfonds, Leuven, 2004, 226p.

Luc Van de Ven is klinisch gerontopsycholoog, verbonden aan de Universitaire Ziekenhuizen van de KULeuven. Reeds 25 jaar begeleidt hij daar ouderen met hun families.
In dit boek, ‘Ouder worden’, gaat hij in op verschillende thema’s die hij in zijn praktijkbegeleiding is tegengekomen. Het gaat om gekende thema’s als dementie, verdriet bij ouderen,… Maar ook thema’s waarover voor groot publiek minder is gepubliceerd zoals geneesmiddelenafhankelijkheid, ouderenmishandeling, persoonlijkheidsstoornissen,…
Bij elk thema start de auteur met één of ander verhaal, waarmee hij het thema wil inleiden en tegelijk wil voorkomen dat enkel een theoretische benadering wordt gegeven. Hij wil de oudere, zijn persoon en zijn verhaal concreet aan het woord laten. Dit maakt het geheel zeer herkenbaar en aangenaam om lezen.

Marc Van Wesemael

Uit: Pastorale Perspectieven nr. 136

naar boven

Het verhaal van je leven. Een lees- en handboek voor onderling pastoraat van ouderen

A. Broers, Het verhaal van je leven. Een lees- en handboek voor onderling pastoraat van ouderen, Unie KBO, ’s-Hertogenbosch, 2004.
Over dit merkwaardige boekje moesten we wel berichten in het huidige nummer van de pastorale nieuwsbrief. Het is een uitgave van de Unie KBO, de grootste ouderenorganisatie van Nederland. Het boekje is tot stand gekomen vanuit de ervaring dat ouderen (ook) onderling aan pastoraat (kunnen) doen. Auteurs van dienst zijn – naast A. Broers – A. Van Balkom, R. Mes, N. Jacobs-Rouleaux en A. Verweij.
Dat er steeds minder priesters, religieuzen en pastoraal werkenden zijn, is slechts één van de aanleidingen voor deze publicatie. Een andere, meer inhoudelijke motivatie is het besef dat een geloofsgemeenschap gedragen wordt door de gelovigen zelf. ‘Onderling pastoraat betekent: elkaar het sacrament van de nabijheid geven, de weldaad van aandacht’ (p. 8).
Vijf thema’s worden in evenveel hoofdstukjes behandeld: omgang met de tijd, ouder worden als grenservaring, relaties, afscheid en ten slotte geloof. Ieder hoofdstuk bevat tekstjes, gedichten, stellingen, vragen,… om over na te denken of om over in dialoog te treden. Dit is geen boek om in één keer uit te lezen, maar om af en toe eens ter hand te nemen. Zowel de vormgeving als de inhoud is zeer verzorgd. Het concept van ‘onderling pastoraat’ is vermoedelijk wel wat optimistisch (in Vlaamse context), maar het boek kan zeker een grote hulp zijn in pastorale begeleidingssituaties. Een aanrader.

Pieter Vandecasteele

Uit: Pastorale Perspectieven nr. 136

naar boven

De kunst van het ouder worden

H. Hesse, De kunst van het ouder worden, Soesterberg, Aspect, 2001.

De alom geprezen en graag gelezen Herman Hesse heeft nooit de bedoeling gehad één of ander essay te schrijven over het ouder worden. Wel kunnen we hier en daar verspreid in het uitgebreid werk van deze nobelprijswinnaar gedichten of romanpassages aantreffen die betrekking hebben op ouderdom. Zelf werd hij 85 jaar en heeft hij dus het geluk gekend over het ouder worden ruim te reflecteren. Volker Michels, die zich verdiepte in het oeuvre van Hesse, selecteerde passages uit romans, brieven, gedichten en gebeden rond het thema ‘de kunst van het ouder worden’. Een verrassende verzameling, verrijkt met foto’s van Hermans zoon. Een niet te versmaden kleinood voor elke Hesseliefhebber en voor iedereen die zoekt naar mooie teksten rond ouder worden!

Marc Van Wesemael

Uit: Pastorale Perspectieven nr. 136

naar boven

Leef-tijd. Duizend en één spreuken over ouder worden

K. Reestman, Leef-tijd. Duizend en één spreuken over ouder worden, Damon, 1995, 158.

Reestman zorgt met deze verzameling voor een handzaam boekje met welgeteld 1001 spreuken en gezegden over het ouder worden. Heel gevarieerd, vanuit verschillende tradities (Seneca, Leonardo da Vinci, Chang Chao (Chinees), vanuit Jiddische wijsheid,…). De spreekwoorden zijn ondergebracht in algemene rubrieken (dood, maatschappij, ouderdom-negatief, ouderdom-positief, leren,…) waardoor je er gemakkelijk je weg in vindt. De moeite om zo nu en dan eens ter hand te nemen. Inspiratie is dan nooit ver weg.

Marc Van Wesemael

Uit: Pastorale Perspectieven nr. 136

naar boven

Soutenir une démarche spirituelle en milieu hospitalier

G. Rimbaut, Soutenir une démarche spirituelle en milieu hospitalier. Analyse de dialogues vécus en aumônerie hospitalière et réflexion théologique pour l’action pastorale, Lumen Vitae/Novalis, Bruxelles, 2006

Vastgeroest of spiritueel levend? Zodra iemand spreekt, getuigt hij van de wijze waarop hij in het bestaan staat. Levend is iemand die, verankerd in de harde realiteit, het leven (toch) als geschenk kan ontvangen, deze gave kan erkennen, en vanuit de overvloed van zijn innerlijk, weer leven kan doorgeven aan anderen. Mensen in spirituele nood daarentegen kunnen de contradicties van het leven niet behappen, hebben eerder een pessimistische visie op de mens, spiritualiseren hun zelfgenoegzaamheid en gaan oordelend met anderen om. Kortom, ze zijn niet in staat om de gave(n) van anderen te erkennen noch om die van zichzelf terug te geven.

Deze ‘dynamique du don’ die mensen levend houdt, kwam Rimbaut op het spoor doordat ze op zoek ging naar de wijze waarop ziekenhuispastores hun begeleiding vorm geven, nu minder beroep gedaan wordt op het kerkelijk invullen van rituelen. Rimbaut verzamelde – in het kader van haar doctoraat in praktische theologie aan de universiteit van Angers – 158 pastorale gesprekken en ordende deze in drie groepen (p. 47-48). Mensen die geen openheid vertonen voor verticale transcendentie of het oneindige, of daar niet naar verwijzen, vormen een eerste groep. Daarnaast zijn er mensen die refereren naar een transcendente ervaring zonder deze in verband te brengen met godsdienstigheid. De derde groep bestaat uit mensen die zichzelf expliciet christelijk noemen en bijgevolg trancendentie godsdienstig interpreteren. Zoals verwacht zijn er in alle drie de groepen, zowel spiritueel levende mensen als personen die tegen voor hen onoverwinnelijke obstakels aanlopen in hun spiritueel leven.

Al dan niet spiritueel leven, blijkt samen te hangen met een houding van erkenning (p. 87). Erkennen van wat men krijgt blijkt fundamenteel te zijn. Door te erkennen, wordt egocentrisme doorbroken, kan de persoon zich openen. Zonder deze primaire beweging, weg van zichzelf, is spiritualiteit onmogelijk. Mensen met een pover spiritueel leven blijven op zichzelf besloten. Rimbaut merkt op dat deze geslotenheid zichtbaar wordt in ongenoegen over het verleden, actueel op zichzelf besloten behoeften, en de onmogelijkheid om de ander(en) als partners in een gezamenlijk project te erkennen. Terwijl spiritueel leven juist gekenmerkt wordt door de erkenning van het onverwachte dat zich zomaar, vaak in de meest benarde situaties, als geschenk aandient. Een erkennende houding komt overeen met een optimistische ingesteldheid. Ze weigert veroordeling en uitsluiting, en opent een broederlijke verhouding met alle mensen.
Gaat spiritualiteit gepaard met godsgeloof, dan wordt geloven een werkwoord. De persoon engageert zich dan tot een liefdesrelatie die concrete constructieve actie onderneemt, zowel ten bate van medemensen als ten bate van de ontwikkeling van alle leven. Spiritualiteit heeft de neiging het hele leven te doordringen.

Door de gesprekken tussen patiënten en ziekenhuispastores te ontleden, ontstond een visie op pastorale begeleiding als spirituele begeleiding . Daaronder verstaat Rimbaut de begeleiding van alle vormen van spiritualiteit, ook de christelijk geïnspireerde. De ommekeer van ‘dood’ naar ‘levend’ gebeurt immers vanuit de ontmoeting met de (A)ander(en). Waar de verschrikking van het actuele leven taal krijgt, erkenning en medeleven, kan de persoonlijke eindigheid doorworsteld worden, tot er nieuwe openheid ontstaat voor de kleine schoonheid, de genegen gebaren van naasten en de relatie met God. Om deze weg te begeleiden moet men aan den lijve weten hoe het werkt, moet men zelf deze weg van (tegensprekelijke) ontmoeting gaan, open en bereid zijn om door ontmoetingen te veranderen. Deze spirituele weg begeleiden, verandert bijgevolg de rol van de pastor, die meer aanwezig en open-barend het evangelie moet vertolken (p. 100).
Ervaringen van spiritueel leven en (christelijk) gelovig leven komen overeen voor wat hun drievoudige grondstructuur betreft: opgave/gave (1), ontvankelijkheid (2), zelfgave (3). Alle spiritualiteit wortelt in de werkelijkheid zoals die is, vol van (levens)opgaven (zoals bv. ziekte of tegenslag) en levenskansen (mogelijkheden die zich doorheen de tegenslag aandienen zoals bv. genieten van vriendelijke verzorging) (1). Het is wat het is. De persoon moet zich hoe dan ook met deze ambivalente realiteit verhouden. Een gelovige dient zich doorheen de confrontatie met de dagdagelijkse werkelijkheid te verhouden met zijn grond, de Ander, God. Doorheen deze confrontatie met de werkelijkheid, ontvangt de persoon zichzelf als nieuw, anders zichzelf (2). Daarvoor is gesprek nodig. In gesprek kan het hart een door de ander gericht woord horen, waardoor de persoon zichzelf door de ogen van de ander, anders, als nieuw kan ontvangen. Het is wat het is, gekregen goed. Rimbaut noemt de gelovige tegenhanger van deze zelfaanvaarding ‘zichzelf ontvangen van Jezus-Christus, Woord ten leven’. Zelf vertaal ik dit als ‘mij in navolging van Jezus Christus geborgen weten in het levenwekkend woord van God die mij liefheeft’. En tenslotte blijft de persoon spiritueel op zijn honger zolang hij zich vanuit dit aanvaard weten, niet kan engageren in de erkenning van en in gemeenschap met anderen (3). Het is wat het is, gekregen om te geven. Gelovig heet dit ‘met God en mensen in gemeenschap leven en Gods levensgave al doende gedenken’.

Pastorale gesprekken focussen op de spirituele ontwikkeling van mensen voor zover ze helpen om de werkelijkheid te erkennen zoals die is, ze de openingen in het gesprek te baat nemen om mensen te helpen opademen en hen helpen terug thuis te komen in gemeenschap met anderen. Doordat de pastor naar God verwijst, kan hij mensen helpen om zichzelf weer in gesprek te brengen met de Ander, en diens inzet erkennen als zijn unieke bijdrage aan Zijn wereld, ‘Rijk Gods’. In die zin kan de pastor functioneren als een soort interface tussen spiritueel leven en doorleefd gelovig leven.

Marina Riemslagh

Uit: Pastorale Perspectieven nr. 136

naar boven

Jezus van Nazareth

J. Ratzinger – Benedictus XVI, Jezus van Nazareth, Lannoo, 2007.

In meerdere opzichten is het Jezusboek van paus Benedictus XVI uniek en origineel. Ten eerste is het genre van het boek moeilijk te definiëren; het is niet zomaar theologie, exegese of spiritualiteit. Het is een diepgravende combinatie van deze drie elementen, waarbij de schrijver er niet voor terugdeinst zijn eigen zoektocht naar Jezus op een openhartige manier te verdisconteren.

Ten tweede stelt de paus uitdrukkelijk dat het niet gaat om een leerambtelijk document. Hij geeft zijn persoonlijke visie weer en is graag bereid daarover in discussie te treden. (Hier ligt trouwens de reden waarom het voorwoord zowel ondertekend is met ‘Joseph Ratzinger’ als met ‘Benedikt XVI’.)

Ten derde levert het boek een belangrijke en gezaghebbende bijdrage aan een permanent debat dat zowel professionele theologen als gewone gelovigen beroert, en dat draait rond de even simpele als beklijvende vraag: wie was/is die Jezus toch? Uit de manier waarop Ratzinger deze vraag behandelt, zullen theologen zowel als niet-theologen veel inspiratie kunnen putten. En vanzelfsprekend zal zijn benaderingswijze ook tot discussiestof leiden.

Qua opbouw kent het boek een logisch en helder patroon, dat min of meer de gang van Jezus’ optreden volgt zoals we dat kennen vanuit het relaas van de vier evangelisten. De tien hoofdstukken voeren de lezer mee vanaf de doop van Jezus in de Jordaan, over zijn verkondiging van het Rijk Gods en de parabels heen tot aan de transfiguratie. Voorts besteedt Ratzinger uitvoerig aandacht aan de bergrede, het Onzevader, de uitspraken van Jezus over zichzelf, de apostelen en de meest opvallende dragende metaforen uit het Johannesevangelie (zoals bvb. ‘water’, ‘herder’ en ‘brood’).

In dit verband is het belangrijk om erop te wijzen dat dit Jezusboek een ‘eerste deel’ is. Ratzinger hoopt nog tijdens zijn pontificaat verder te kunnen werken aan zijn project. Hij wil daarin ondermeer nog de verhalen over Jezus als kind en de gebeurtenissen rond zijn dood en verrijzenis verwerken.

De fundamentele leessleutel die Ratzinger gebruikt om de figuur van Jezus op het spoor te komen, is enerzijds zijn relatie tot de Vader, en die van de Vader tot zijn Zoon. Het is Ratzingers overtuiging dat de discussies over en de zoektochten naar de ware historische Jezus weliswaar zin hebben, maar dat die uiteindelijk niet tot de kern van de zaak kunnen doordringen – tenminste niet wanneer ze claimen op een ‘louter historisch’ standpunt te blijven staan.

Anderzijds hecht Ratzinger veel belang aan het begrijpen van de evangelies vanuit hun voeding door het Oude Testament en hun specifieke verstaanscontext. Geduldig en nauwgezet legt hij uit hoe de betekenis van vele nieuwtestamentische passages slechts begrepen kan worden met een beroep op de bijbel als één samenhangend geheel. Daarom is het in de visie van Ratzinger nefast om het Oude Testament niet of slechts beperkt bij de boodschap van Jezus te betrekken. Maar ook tussen de evangelies onderling en aangaande de andere geschriften van het Nieuwe Testament kunnen volgens hem geen principiële (onder)scheidingen worden aangebracht.

Een bijzondere plaats evenwel wordt in het boek aan Mozes verleend. Het is bovenal zijn band met God die volgens Ratzingers lezing van de heilsgeschiedenis door Jezus nóg geïntensiveerd is. Want terwijl Mozes God niet van aangezicht tot aangezicht kon (en mocht) zien, is de vertrouwdheid van Jezus met zijn Vader van dien aard, dat hij ook het allerintiemste met hem deelt. En daarvan heeft hij op een indringende manier in woord en daad, in gebaar en lot getuigenis afgelegd.

Deze sterke christologische focus doordesemt het hele boek. Ratzinger gebruikt hem bovendien, wanneer hij de link legt met actuele de gang van zaken in de wereld. Het is zijn overtuiging dat een meer authentieke ontmoeting met “Jezus van Nazareth” de mens en de wereld van vandaag allerminst kwaad zou doen. Integendeel, personen, structuren en mentaliteiten doen er goed aan zich te (her)profileren naar het modelvoorbeeld van Jezus. Indien zij daarin slagen, en precies in de mate ze erin slagen dat te bewerkstelligen tot op de diepste niveaus van de werkelijkheid, brengen zij het Rijk van God waarlijk naderbij. Ratzinger komt bij deze toepassingen vaak kritisch uit de hoek, maar bemoedigt ook. Vanuit zijn optiek is de kritiek er niet om te ondergraven maar om nieuwe fundamenten te leggen, of om de soliditeit van aloude fundamenten aan te tonen.

Wie het traject van Ratzinger als theoloog én paus tot hiertoe heeft gevolgd, zal overigens een aantal overeenkomsten zien met accenten die hij ook elders heeft gelegd. Zo is het thema van de liefde opvallend aanwezig in het Jezusboek, net zoals in zijn eerste encycliek Deus caritas est. In beide teksten grondt de liefde waartoe alle mensen zijn opgeroepen, uiteindelijk in de liefde van de Vader tot de Zoon en/in de Heilige Geest. Daarnaast is ook de zelfgave van God in het sacrament van de eucharistie prominent aanwezig in het Jezusboek – een gedachte die de ruggengraat vormt voor de onlangs verschenen apostolische exhortatie Sacramentum caritatis. Vaktheologen zullen daarbovenop nog talrijke parallellen ontdekken met Ratzingers uitvoerige discussie met de moderniteit, met standpunten die hij eerder innam in exegetische kwesties, en met theologische ideeën die hij in eerdere geschriften ontwikkelde.

Blijft in dit alles overeind dat Ratzinger zonder twijfel een erudiet en inspirerend denker is. Zeer stevig geworteld in de traditie van het – hoofdzakelijk – Duitse theologische onderzoek, wijst hij in dit Jezusboek wegen aan om op het spoor te komen wie Jezus moet geweest zijn. Het is daarbij de expliciete bedoeling van de schrijver dat de lezers in staat zullen zijn om via die wegen andere te vinden, en om ook andere zoekers wegen aan te wijzen. Want het is slechts wanneer mensen samen op weg gaan, dat hij in hun midden komt, en herkend wordt…

Joris Geldhof

Uit: Pastorale Perspectieven nr. 136

naar boven

Wegwijzers naar een inclusieve geloofsgemeenschap met mensen die een verstandelijke handicap hebben

Herman P. Meininger (red.), Van en voor allen. Wegwijzers naar een inclusieve geloofsgemeenschap met mensen die een verstandelijke handicap hebben, Uitgeverij Meinena Zoetermeer, 2004.

Eén en ander doet denken aan wat Jan Hendriks, universitair hoofddocent gemeenteopbouw, in zijn hele loopbaan heeft duidelijk gemaakt: als de kerk wil overleven naar de toekomst, zal zij moeten werken aan een open identiteit. Hendriks poneert met de metafoor van de kerk als ‘herberg’ dat gastvrijheid het waarmerk van de kerk zal moeten zijn. Dit betekent dat de kerk zich (w)meer gastvrij zal moeten opstellen voor ‘vreemdelingen’ (lees hier ook: mensen met een mentale handicap) allerhande, en alle belemmeringen om hen volwaardig te laten participeren opruimt. Niet toevallig misschien is Meininger wetenschappelijk onderzoeker aan dezelfde Vrije Universiteit van Amsterdam, waar ook Hendriks doceerde.

De kern van Meiningers betoog is precies dat mensen met een mentale handicap een waardevolle plaats verdienen in onze kerk. Hij houdt een pleidooi voor een ‘inclusieve geloofsgemeenschap’: mensen met een mentale handicap zijn misschien in eerste instantie een ‘verstoring’ van de orde. Maar precies door hun vreemdheid hebben zij een bepaalde rol in de gemeenschap en herinneren zij ons aan wat geschreven staat in Lev.19,34: “Vreemdelingen die bij u wonen hebben dezelfde rechten als een geboren Israëliet. U moet hen beminnen als uzelf, want u zelf bent vreemdeling geweest in Egypte”.

Met deze bundel breekt Meininger een lans om in alle aspecten van kerk-zijn nl. het vieren, het leren, het delen, de pastorale presentie en het beleid, dit wezenskenmerk van gastvrijheid te doordenken. Hij laat hierbij mensen aan het woord die in de pastorale praktijk staan op een parochie (gemeente) of in een voorziening van personen met een mentale handicap zowel als mensen die een meer docerende, theologische opdracht vervullen. Dit maakt het geheel rijk en gevarieerd.

Een beweging die voortdurend gemaakt wordt is dat het betrekken van personen met een mentale handicap in onze kerkgemeenschap een reflectie op gang brengt naar de eigenheid van het kerk-zijn zelf. In dit opzicht is het boek niet alleen een pleidooi voor het ontwikkelen van een gastvrijheid vanuit de kerkgemeenschap maar wil hij met dit boek ook het idee van ‘inclusieve gemeenschap’ doordenken in al zijn consequenties en de praktijkervaring die hiermee reeds is opgedaan aan het woord laten.

In een eerste deel over ‘vieren’ worden heel concrete ervaringen weergegeven van wat het betekent liturgie te vieren met personen met een mentale handicap. De nadruk wordt gelegd op de dialoog die er dient te zijn tussen de voorganger en vierende gemeenschap. Dit kan niet zonder verbeelding en expressie. Personen met een mentale handicap worden, net als wij trouwens, bijzonder geraakt via zichtbare en voelbare prikkels. Gebaren, symbolen, aanraking, muziek,… spreken intenser aan dan 1000 woorden. Aandacht voor het dramatische van de liturgie (uitbeelden van een evangelieverhaal bijvoorbeeld) maakt wat op het eerste gezicht vreemd lijkt, plots veel herkenbaarder wordt.

In een tweede deel, ‘leren’, treffen mij vooral de ervaringen van het leerhuis. Samen op weg gaan betekent daar dat men niet louter kijkt naar de leerproblemen, maar dat men doorstoot tot de ontdekking van de mogelijkheden van mensen met een mentale handicap.

Een derde deel, ‘pastorale presentie’ genaamd, bevat verschillende bijdragen over presentie, levensverhaal en levensvragen, en het begeleiden van verwerkingsprocessen bij ingrijpende gebeurtenissen als ernstige ziekte en overlijden. Als een refrein komt het ‘meeleven’, ‘empathisch luisteren’, ‘present-zijn’, ‘trouw en authenticiteit’ terug. De pastor kan wel heel wat doen, maar het komt er vooral op aan er te zijn, een eindje mee te lopen…

In een laatste hoofdstukje van dit deel worden andermaal de vier functies van pastoraat aangehaald zoals Gerben Heitink deze heeft uitgewerkt in zijn boek Pastorale zorg: helen, bijstaan, begeleiden en verzoenen. Hier worden zij toegepast op de specifieke situatie van Jaap, een ernstig gehandicapte jongen. Hierdoor laten de auteurs op een bijzondere wijze zien hoe een eerder theoretisch kader (Heitink is pastoraal theoloog) handen en voeten krijgt in de pastorale praktijk.

In deel 4, ‘gemeenteopbouw en beleid’ gaat het over de kwestie of en in welke mate mentaal gehandicapte mensen deel uitmaken van de kerkgemeenschap. M.a.w. welke plaats krijgen zij toebedeeld? In een eerste hoofdstuk wordt daarbij het kerkmodel van J. Hendriks, de kerk als ‘herberg’, concreet onder de loep genomen. Hoe gastvrij zijn deze zogenaamde open kerkgemeenschappen wel t.a.v. mentaal gehandicapte mensen? Of hebben zij hen alleen maar nodig voor het eigen karakter van hun gemeenschap en is zonder hun aanwezigheid de kerkgemeenschap niet compleet? In deze eerder retorische vraag schuilt al meteen het kernpunt van de discussie: De kerkgemeenschap is niet als vanzelf gastvrij wanneer er ook mensen met een mentale handicap aanwezig zijn, maar, wanneer in het horen van de vraag van de mens met een mentale handicap er naast appèl en reflectie ook een daadwerkelijke toewending optreedt. De anawim, de ‘arme’ is dan niet langer de mindere, maar staat in het midden van de gemeenschap en krijgt de volle aandacht. De ‘mindere’ mag echter niet beschouwd worden als ‘object’ van onze barmhartigheid, maar dient altijd te worden benaderd als subject. Zo is het bijvoorbeeld fantastisch wanneer mensen met een mentale beperking toch een bepaalde functie opnemen is de kerkgemeenschap, waarvan J. De Vries melding geeft: zij nemen er het ambt van diaken en ouderling op zich.

Verwerken, luisteren en erkennen zijn begrippen die centraal staan in de bijdrage van Meininger in deel 5, ‘Dienen door delen’. Hij betoogt er dat deze drie begrippen van wezenlijk belang zijn in het diakonaat t.a.v. mensen met een mentale handicap. Terecht wijst hij op de noodzaak van een mentaliteitswijziging zodat mensen met mentale beperkingen niet meer als object, maar meer als subject worden benaderd. Ook H. Noordegraaf komt in zijn bijdrage op voor een gelijkwaardigheid van mensen met een mentale handicap. Hij wijst erop dat dit in een op prestatiegerichte samenleving niet zo vanzelfsprekend is. Eén en ander heeft te maken met het onderliggend mensbeeld dat we hanteren. Alleen al een zich hiervan bewust worden kan aanleiding zijn tot gelijkwaardige benadering. Het besef van wederkerigheid kan hierbij een hefboom zijn. En wellicht zullen we dan ook het ‘voor hen’ vervangen door ‘met hen’.

Deze bundel geeft zowel vanuit de theologie als vanuit de pastorale praktijk voorbeelden en reflecties die voor ons allen, zowel maatschappelijk als voor de christelijke geloofsgemeenschap, richtinggevend zijn in de omgang met mensen met een mentale handicap. De sterkte van dit boek ligt hem in de samenhang tussen zowel een theoretische benadering als de stem vanuit de praktijk. De korte stukken (19 bijdragen op 290 bladzijden) lenen zich ook bijzonder als uitgangspunt voor reflectie- en discussiegroepen rond allerlei aspecten van het thema ‘inclusieve geloofsgemeenschap’.

Marc Van Wesemael

Uit: Pastorale perspectieven nr. 135

naar boven

Het permanent diaconaat op zoek naar zichzelf. 35 jaar diakens in Vlaanderen

Johan Van der Vloet en Roger Vandebroek, Het permanent diaconaat op zoek naar zichzelf. 35 jaar diakens in Vlaanderen, Uitgeverij Halewijn, 2006, 14,5 euro.

Naar aanleiding van 35 jaar diakens in Vlaanderen had er in 2005 een studiedag plaats in Leuven waar gerenommeerde sprekers het belang de evolutie van het diaconaat kwamen toelichten. Onlangs verscheen er in de cahiers voor praktische theologie een boek waarin een uitgebreid verslag werd opgemaakt van deze studiedag.

In Vlaanderen zijn meer dan drie honderd diakens actief op velerlei terreinen in de pastoraal, de parochies, liturgie, dienstverlening, zorg voor de armen, catechese en nog zoveel meer. Door dit boek krijgen we een dieper beeld en een overzichtelijke kijk op het diaken-ambt en de situatie van de diaken in het leven van de kerkgemeenschap.
In een eerste hoofdstuk schetst Professor Gielis het ontstaan van het diaconaat na het tweede Vaticaans Concilie. Hij vertelt aan de hand van documenten en de eerste getuigenissen hoe het diaconaat in Vlaanderen werd ingevoerd en de eerste diakens werden gewijd in 1970. Hij verheldert de term diaken als dienst aan de bisschop en de kerkgemeenschap en spreekt over de groei en de uitbouw van het diakenambt.

In een tweede bijdrage komt Kardinaal Ratzinger aan het woord over het herstel van het permanent diaconaat. De Weense pastoraaltheoloog Paul Zulehner geeft een helder inzicht over de toepassing en de situatie van het diaconaat in Duitstalig Europa. Hij deelt de diakens op in drie groepen: samaritanen (vooral armenzorg), profeten (armenzorg en structurele verandering) en levieten (eerder 'vervangers' van de priesters). Aan de hand van een sociologisch onderzoek en cijfermateriaal schetst hij een duidelijk beeld wie diakens zijn, wat ze doen, hoe ze hun ambt zien, hoe de echtgenotes meewerken, wat hun competenties zijn. Daarna schetst hij de ontwikkelingen voor de toekomst en stelt pertinente vragen.

In een volgend hoofdstuk brengt Alphonse Borras, professor kerkelijk recht en vicaris-generaal van het bisdom Luik, vanuit de Franstalige wereld een aantal theologische accenten aan. De diaken wordt teveel gezien als een vervanger van de priester, maar het ambt zou een beter omschreven invulling moeten krijgen en losgekoppeld worden van het allesomvattende priesterschap. De diaken heeft een specifieke opdracht: hij is gewijd voor de dienst in drie domeinen: de liturgie, het Woord, de liefdewerken (Zie Lumen Gentium nr. 29).

In 'Diakens in profiel' wordt door dia¬ken Roger Vandebroek (vicariaal verantwoordelijke voor de caritas in Hasselt) een onderzoek gevoerd in Vlaanderen naar de activiteiten van de diaken en zijn echtgenote. Aan de hand van een enquête worden alle opdrachten en beweegredenen van de diaken onderzocht en in kaart gebracht. Dat levert verrassende resultaten op.

In een laatste hoofdstuk schetst de Vlaamse pastoraaltheoloog (en vicaris voor caritas in West Vlaanderen) Kristiaan Depoortere de typologie van het per¬manent diaconaat. Het permanent dia-conaat is een kerkelijke zending naar andere mensen. De diaken is de garant van de dienstbaarheid van de Kerk. Wie gewijd wordt, is eveneens toegewijd. Diaken zijn, is permanent op weg zijn. Uit het slotwoord of tot opnieuw beginnen: een diaken is een speler in een geheel met de priester, de teamleden, de vrijwilligers in een parochie, federatie, bisdom onder leiding van de bisschop. Is dit niet de roeping van iedere christen? Heel zeker: heler, profeet en herder zijn, dat is de roeping van iedere christen. Opdat iedere christen haar of zijn roeping zou horen en kunnen realiseren, zijn er ondersteuners nodig, herinneraars, bijvoorbeeld diakens.

Dit boek schetst een verhelderend en realistisch beeld van het diakenambt, de diakens in hun leef- en werksituatie. Laat dit boek een werkinstrument zijn voor allen om dit gewijde ambt beter te begrijpen, verder uit te diepen en op de vele vragen een gelovig en dienstbaar antwoord te geven.

Antoine Spaas, di

Uit: Pastorale Perspectieven nr. 135

naar boven

Levensrituelen. Dood & Begrafenis

L. LEIJSSEN, J. BLEYEN, K. DOBBELAERE, L. VOYÉ (red.), Levensrituelen. Dood & begrafenis, KADOC – Studies 31, Leuven, Universitaire Pers Leuven, 2007.

Het laatste boek in de KADOC-reeks rond levensrituelen wordt opgedragen aan prof. dr. Lambert Leijssen ter gelegenheid van zijn emeritaat. Dood en begrafenis sluit de reeks af na Geboorte en doopsel (1996), Het vormsel (1991) en Het huwelijk (2000). De bedoeling van de reeks was het multidisciplinair beschrijven en interpreteren van levensrituelen op scharniermomenten.

Dood en begrafenis richt zich op het omgaan van mensen met de ervaring van sterven en afscheid nemen. Rituelen voor, tijdens en na de dood maken het mogelijk om op menselijke wijze om te gaan met het sterven. De opvattingen over sterven en rituelen zijn in de laatste decennia veranderd. In dit boek wordt daarom gekozen voor een ruimere antropologische benadering. Elf auteurs leverden een bijdrage aan het thema. De verschillende artikels worden ondergebracht in drie delen.

Het eerste deel, met de dood voor ogen, kijkt naar de menselijke houding tegenover het sterven. Jacques De Visscher ziet, vanuit antropologisch perspectief, de dood als een fenomeen dat de persoonlijke biografie overstijgt. Elk sterven heeft een betekenis voor de mensengemeenschap. Het behoort tot de wereldlijke biografie. Karel Dobbelaere en Jaak Billiet bekijken vanuit sociologische hoek de nood aan religieuze rituelen bij de dood. De deelname aan religieuze rituelen is in de voorbije decennia afgenomen. Toch is er een keerpunt. De auteurs stellen vandaag een grote samenhang vast tussen geloofsopvattingen en deelname aan kerkelijke rituelen. Onderzoek wijst er tevens op dat de jongere generatie positief staat tegenover een religieuze begrafenis.Rita Ghesquire bespreekt het aan bod komen van het fenomeen van de dood in de jeugdliteratuur. Ze stelt vast dat het taboe rond de dood in de jeugdliteratuur doorbroken is. De dood wordt realistisch aangebracht, maar steeds minder vanuit een christelijke invulling of omkadering.Anne Vandenhoeck beschrijft vanuit de katholieke traditie de mogelijke rituelen bij een naderende dood. Ze houdt een pleidooi voor een aangepaste stervenszegening of stervenswijding waarin leken voorgaan.

Het tweede deel van het boek handelt over de confrontatie met de dood zelf en de rituelen die daarbij plaats vinden. Lilian Voyé merkt op dat het aantal religieuze begrafenissen hoog blijft. Naar inhoud weerspiegelen ze meer dan vroeger de gerichtheid op de betekenis en het belang van de individuele persoon. De vieringen staan open voor teksten, gebeden en muziek naar keuze, maar toch blijven de symbolische betekenissen van de religieuze uitvaart zeer belangrijk. Jozef Lamberts beschrijft vanuit de liturgiewetenschap het verloop van de katholieke uitvaartdienst als uitdrukking van het verrijzenisgeloof van christenen.Lieven Boeve reflecteert op dat verrijzenisgeloof vanuit systematisch-theologische hoek. Het geloof in de verrijzenis en de opstanding van het lichaam legt een grote nadruk op een authentiek leven nú. Daarin verschilt het christelijk geloof van de groeiende interesse in een hiernamaals vanuit een vaag kosmische invulling.

Het derde deel van het boek richt zich op de fase van rouwen en herinneren na de dood. Manu Keirse spoort aan om de rouwarbeid niet te miskennen. Hij beschrijft de rouwtaken die nodig zijn om tot aanvaardbare vrede met een nieuwe realiteit te komen. Johan Meire bestudeert vanuit historisch – antropologische hoek de verwevenheid van private en publiek rouw rond het jaarlijks herinneren van mensen die gestorven zijn voor het vaderland. De verwevenheid kan plaatsvinden omwille van de rol van de offer – metafoor als groot verhaal. Jan Bleyen, ten slotte, ontmaskert de klacht dat de dood een nieuw probleem is voor Vlaanderen. Reeds in 1950 werd het door de samenleving moeilijk omgaan met de dood aan de kaak gesteld. Dood en begrafenis is geïllustreerd met foto’s van Carl Uytterhaegen die de band tussen dood en cultuur verbeelden. Het boek is een aanrader voor al wie in de kerkgemeenschap te maken heeft met sterven en overlijden en openstaat voor nieuwe impulsen tot reflectie over het fenomeen van de dood en hoe mensen in onze cultuur ermee omgaan.

Anne Vandenhoeck, ACPT / Caritas West-Vlaanderen

Uit: Pastorale Perspectieven nr. 138

naar boven

Creatief ondernemen & sprankelend inspireren

L. ZEVENBERGEN, En nu laat ik mijn baard staan. Creatief ondernemen & sprankelend inspireren, Business Contact, Antwerpen, 2006.

Leen Zevenbergen pleit er in dit boek voor dat managers ‘hun baard zouden laten staan’. Hiermee wil hij zeggen dat het noodzakelijk is dat hedendaagse managers tijd maken om hun stropdas af te doen, en met de benen op het bureau en met een fris hoofd zich bezinnen op welke wijze hun medewerkers gelukkig kunnen zijn in/op hun werk. Echte antwoorden vind je niet in dit boek. Wel reikt de auteur een viertal pistes aan die je als voorwaarde kunt beschouwen opdat medewerkers de nodige ‘fun’ kunnen beleven in hun job.

Piste één is ‘creativiteit stimuleren’ op het werk. Daarvoor is het nodig dat medewerkers meer moeten kunnen ‘spelen’, spelen met ideeën. Belangrijke randvoorwaarde hierbij is dat managers hun medewerkers ook de tijd geven om eens ‘niks’ te doen. Tegelijk merkt Zevenbergen op dat overdreven regelgeving creativiteit in de weg staat. Er moet volgens hem een goede balans zijn tussen Orde en Chaos. De Chaos is er om de flexibiliteit en creativiteit te bewaren; de Orde is er om de productiviteit en efficiency te garanderen.

Een tweede piste benoemt hij als ‘zin voor innovatie’. Een bedrijf dat innovatie omarmt, wordt volgens Zevenbergen meteen ook een leuker bedrijf. Om echt tot innovatie te kunnen komen, zijn een hoop elementen nodig: de visie, de droom, de ambitie en niet in het minst de mogelijkheid om te mislukken. Dit is niet zo eenvoudig meent Zevenbergen, en toch de moeite waard.
Een derde piste bestaat volgens de auteur uit ‘het ondernemen’. Hij vat dit samen in de vijf D’s: Dromen, Denken, Durven, Doen en Doorzetten. Best in die volgorde, maar soms kun je eerst Durven en dan pas Denken plaatsen, anders komt het er misschien nooit van. Om goed te ondernemen moet je tussen je klanten staan, en de klant altijd laten voorgaan. Best laat je zelfs de klant meewerken aan de nieuwe creatie.

Tenslotte spreekt Zevenbergen van een laatste piste: het sprankelend inspireren. Hij bepleit dat medewerkers plezier zouden hebben in hun werk (wat iets anders is dan plezier op het werk!). Managers vinden vaak wel dat plezier in het werk belangrijk is, maar het mag niets kosten. Volgens Zevenbergen moeten managers goed voor ogen houden dat medewerkers hun organisatie behandelen zoals ze door hun organisatie behandeld worden. Plezier in je werk heeft niets met feesten te maken, maar met collega’s, met je werkomgeving, met de ‘flow’ waarin je verkeert. Het is belangrijk te zien dat gelukkige medewerkers, medewerkers die flow beleven in hun werk niet zozeer geld kosten, maar ook geld opbrengen!

Zevenbergen besluit zijn lezenswaardig boek met de reflectie over leiderschap. Organisaties kunnen best bezield en geïnspireerd zijn zonder een inspirerende leider. Maar tegelijk kunnen er ook inspirerende leiders voorkomen zonder een inspirerende organisatie. Een belangrijke voorwaarde opdat de leider de organisatie kan inspireren en begeesteren is authenticiteit, een duidelijk visie op de toekomst, een helder en krachtig verhaal dat begrijpelijk is en dat mensen inspireert. Dit is ook wat Leen Zevenbergen ons brengt in dit boek.

Dorine Cool, WZC Zonnehove – Sint-Denijs-Westrem

Uit: Pastorale Perspectieven nr. 138

naar boven

Leven met spiritualiteit

A. GRÜN, Hartstocht. Leven met spiritualiteit, Ten Have, Kampen, 2007.

Met een aantal profeten van het zware kaliber als Elia en Amos, die vurig en vol hartstocht hebben gevochten voor gerechtigheid, en met de vurige tongen waarmee Jezus’ Geest zich met Pinksteren uitstortte over de apostelen, heeft Anselm Grün alles langs zijn kant om een boekje (slechts 64 pagina’s) over hartstocht en christelijke spiritualiteit te schrijven. In vier hoofdstukken ontplooit hij het hele thema: 1. wat is spiritualiteit? 2. wat is christelijke spiritualiteit 3. spiritualiteit en levenskunst 4. spiritualiteit en hartstocht.

Al naar gewoonte verwijst de auteur naar de geschriften van de vroege monniken, die een negental hartstochten onderscheiden. Belangrijk is volgens hem deze hartstochten te leren kennen, want zij kunnen je enerzijds naar de afgrond voeren (wanneer je je erdoor laat bepalen) of kunnen anderzijds een belangrijke bron van levensenergie en creativiteit zijn. Gezonde integratie van de hartstochten in je leven is voor hem de weg die wij allen te gaan hebben. Daaruit komt een geaarde én hartstochtelijke spiritualiteit voort.

Even raakt de auteur het thema ‘spiritualiteit en werk’ aan. Hij vindt het een ware oefening om in de juiste houding bij het werk te zijn. Hij stelt dat het belangrijk is je aan je werk over te geven, veeleer dan je werk te gebruiken en alles om onszelf te laten draaien. Een echte oefening in deemoed dus!

Hij sluit het boekje af met de bedenking dat een christelijke spiritualiteit steeds zal proberen beide polen van gebed en werk, van mystiek en politiek, van gevecht en contemplatie op nieuwe manieren met elkaar te verbinden.

Een helder boekje, dat doorstoot tot de kern van ons christelijk geloof en dat aanzet tot hartstochtelijk leven en werken. Een lezenswaardige kleinood, die werd geschreven naar aanleiding van de maand van de spiritualiteit in oktober-november 2007!

Marc Van Wesemael, vzw Zorg-Saam

Uit: Pastorale Perspectieven nr. 138 

naar boven

Met ziel en zakelijkheid. Paradoxen in leiderschap

L. SCHUIJT, Met ziel en zakelijkheid. Paradoxen in leiderschap, Scriptum, Schiedam, 2001.

Het boek van Lenette Schuijt begint met de gedachte dat in onze samenleving een groeiende belangstelling is naar zingeving en dat de leidinggevenden vandaag moeten zorgen voor inspiratie en daartoe de nodige condities scheppen. Dit is ongetwijfeld juist, maar moet de leidinggevende niet evenzeer zich ervan bewust zijn dat medewerkers in de keuze van hun werk zelf al kunnen kiezen voor de zin die aangepast is aan hun mogelijkheden en verlangens? Zin kan daarenboven ook gevonden worden door de eigen invulling die medewerkers aan hun job geven of door factoren zoals collega’s, een goede combinatie tussen werk & gezin,…

Ziel en zakelijkheid lijken volgens de auteur vaak tegenover elkaar te staan in organisaties. Onze ervaring is, dat dit in de zorgsector niet zó’n contrast is en dat het thema ‘kwaliteit van zorg’ het brandpunt is waarrond onze medewerkers zich willen verzamelen en waarvoor zij zich willen engageren. Wel merken wij dat medewerkers worstelen met werkdruk die hen niet steeds toelaat de gewenste kwaliteit te bereiken. Misschien ligt hier wel een belangrijk knelpunt voor de zingeving in de zorg?

De paradox dat leiderschap gevangen zit tussen ‘kortetermijndenken’ en ‘langetermijndenken’ is wat ons betreft minder herkenbaar, temeer daar onze organisatie zich ook expliciet inlaat met de ‘lange termijnvisie’ en onder andere door de opdrachtverklaring die hieraan concrete invulling geeft.

Wat ons in het boek bijzonder heeft getroffen is dat authentiek leiderschap ‘met ziel en zakelijkheid’ volgens de auteur ‘van binnenuit’ is geïnspireerd. Lenette Schuijt houdt dan ook een groot pleidooi voor een cultuur van verinnerlijking: expliciete ruimte voor innerlijkheid, verwerking van emoties, intervisie (zowel formeel als informeel georganiseerd), het relativeren van jezelf, je laten leiden door iets groter, erin geloven dat niet enkel het doel maar ook de weg belangrijk is,…

Soms wordt de auteur naar mijn persoonlijk oordeel wat ‘zweverig’ als het gaat om meditatie, aandacht voor ademhaling,… wat volgens haar moet leiden tot dichter bij jezelf en je inspiratie komen. De zoektocht hiernaar is belangrijk, maar vult ieder van ons op zijn eigen manier in: tot rust en inzicht komen tijdens het werken in je tuin, tijdens het sporten,… Ook dan kun je – ongeforceerd – in verbinding komen met het diepere in jezelf. Van dergelijke tips had ze er gerust meer kunnen vermelden, bij de vele tips die ze al heeft opgenomen in haar boek. Het zou het boek in zekere zin wat meer ‘down to the earth’ hebben gemaakt.

Wouter Van der Vurst, WZC Sint-Antonius – Grembergen

Uit: Pastorale Perspectieven nr. 138 

naar boven

De laatste eer. Over het voorbereiden van het laatste afscheid

M. VAN DEN BERG, De laatste eer. Over het voorbereiden van het laatste afscheid, Meinema, 2007.

Vroeg of laat gebeurt het elkeen: iemand uit de naaste omgeving sterft. De aandacht gaat naar de overledene, naar het voorbereiden van de uitvaart. Dit laatste afscheidsmoment roept soms heel wat vragen op. Vanuit zijn praktijkervaring wil de auteur mensen op weg zetten om aan hun dierbare een eervolle en unieke uitvaart te geven. Het boekje geeft een antwoord op praktische vragen zoals welke kist te kiezen, waar opbaren en begraven, welke kleding te dragen, hoe kinderen bij de uitvaart betrekken, enz. Hoewel dit boekje duidelijk in een Nederlandse setting is geschreven, kunnen ook Vlamingen verschillende handvaten en tips uit dit boekje halen.

‘De laatste eer’ is een handige gids zowel voor professionelen als voor de gewone man in de straat, om vorm te geven een uitvaart ‘die de overledene niet verheerlijkt, maar recht doet aan zijn leven en sterven’.

Uit: Pastorale Perspectieven nr. 138

naar boven

Een bed bij het raam

S. VANDEN HEEDE, Een bed bij het raam, Uitgeverij Lannoo, 2007.

Stans moeder moet op een dag naar het ziekenhuis. Voordat ze in de auto stapt, draait ze zich lachend om en zwaait naar Stan. Na de operatie gaat Stan met papa op bezoek. Kom je naar huis? vraagt Stan aan z’n moeder. Nu nog niet, later, als ik beter ben, belooft mama. Stan wacht vol hoop en ongeduld op de thuiskomst van zijn moeder, maar wanneer het zover is blijkt het allemaal anders te verlopen dan hij had gedacht. Mama is niet beter, ze is altijd moe en moet veel rusten. Daarom hebben ze voor haar een nieuw bed gezet, beneden bij het raam. Stan blijft toekomstplannen maken voor zijn moeder tot op het moment dat papa vertelt dat mama zo ziek is dat ze nooit meer beter wordt…

Voor mensen in soortgelijke situaties zullen er heel wat herkenbare en ontroerende passages in het boek voorkomen. Het is een mooie weergave van wat zich bij het naderende levenseinde van een geliefd persoon allemaal kan afspelen in de beleving van een kind. De gewone dingen van het leven komen plots in een ander daglicht te staan. Ook de verrassingscake met een wensboon erin krijgt in dit boek wel een heel aparte betekenis... maar om die te weten te komen moet je het vlotgeschreven boekje zelf maar eens lezen en je laten ontroeren door dit gevoelig en intiem portret van een kleine jongen die het naderende verlies van z’n moeder probeert een plaats te geven.

Dit aangrijpend boek met sfeervolle illustraties van Jan De Kinder werd geschreven op vraag van de Federatie Palliatieve Zorg Vlaanderen. Het kan een ondersteuning zijn bij het ter sprake brengen van dergelijke thema’s en is zeker een aanrader voor jong en oud.

Elke Janssoone, BuSO Spermalie

Uit: Pastorale Perspectieven nr. 138 

naar boven

Bijbelse figuren in de islamitische traditie

M. FREDERIKS (red.), Bijbelse figuren in de islamitische traditie, Uitgeverij Meinema, Zoetermeer, 2007.

Iedereen die verhalen doorvertelt, past de verhalen aan de omstandigheden en het publiek waarvoor het verhaal verteld wordt. De verteller laat hier en daar wat weg of voegt iets toe om datgene wat hij belangrijk vindt beter te laten uitkomen. Dat is zeker zo met invloedrijke verhalen uit religieuze tradities.

In deze boeiende bundel wordt beschreven hoe acht figuren uit de bijbelse tradities hun plaats gekregen hebben in de islamitische traditie. In de Koran vormen de overleveringen van de grote profeet Mohammed de leidraad. Maar op veel plaatsen komen andere profeten voor het voetlicht. Soms uitvoerig, vaak slechts fragmentarisch. De tekst van de Koran zelf en de exegese van de Koran moeten volgens sommigen voldoende zijn om tot een goede interpretatie te komen. Anderen zochten en zoeken echter ‘aanvulling’ of ‘aanpassing’ met inzichten die voortvloeien uit het heel eigen genre van de profetenverhalen, waarbij veelvuldig en op heel eigen wijze geput wordt uit de joodse, rabbijnse uitleg van de Thora en mondelinge of schriftelijke toelichtingen.
In de bijdragen wordt rekening gehouden met lezers die niet vertrouwd zijn met de terminologie uit de islamitische traditie. Het Arabische jargon wordt steeds vertaald en uitgelegd. Daarbij wordt de humor die in veel van deze verbeeldingen van grote bijbelse figuren doorklinkt, niet uit de weg gegaan. De grootste kracht van de bijdragen ligt in de nadruk die de auteurs leggen op de actuele invloed die deze verhalen kunnen hebben.

Zo ziet Martha Frederiks in haar bijdrage over Hagar het grote belang van het doorleefde vertrouwen op God en dat dit vertrouwen een bemoedigende stimulans kan zijn voor hen die een emancipatie van moslimvrouwen nastreven. Zij lardeert haar bijdrage met een ‘intermezzo’ van de hedendaagse dichteres Mohja Kahfi, dat de uitvoerig geannoteerde studie meteen een hedendaags gezicht geeft.

In een bondige en minder gemakkelijk te volgen bijdrage gaat Bernd Radtke, specialist in de historische ontwikkeling van het islamitische denken, in op de rol die Abraham in de islamitische traditie speelt.

Nico Landman beschrijft hoe de figuur van Lot in alle drie de tradities verweven blijft met ‘de zonde van Sodom’, welke die nu ook precies mag zijn (geweest). Op een secure maar tegelijk boeiende wijze laat hij zien hoe menselijke zwakheden van Lot in islamitische vertellingen onder het tapijt geveegd worden. Een profeet kan immers niet zondigen. Juist door de aanpassingen wordt het een verhaal waarvan het publiek zowel kan huiveren als genieten; prediking en volksvermaak.

Karel Steenbrink heeft twee bijdragen geleverd. In de eerste laat hij zien hoe de koranpassages over de profeet Noach die weerstand ondervond toen hij de ene God predikte, de moeilijkheden van Mohammed toen hij als profeet opstond, weerspiegelen. Steenbrink vertelt meteen ook hoe zijn uitleg in Indonesië ontvangen werd.

Zijn tweede bijdrage is een weergave van zijn afscheidsrede als hoogleraar waarin hij de historisch-kritische methode loslaat op delen in de Koran die over Mozes gaan. Hieruit blijkt dat de Koran niet alleen put uit de Bijbel en de Talmoed, maar ook uit een arsenaal van mondelinge overleveringen. Hij besluit dat Mozes een belangrijke verbinding kan vormen tussen de drie religieuze tradities, omdat Mozes een migrant was en van religieus standpunt wist te veranderen.

‘De’ Islam wordt vandaag al te vaak in verband gebracht met geweld. Harry Mintjes moet zich in zijn bijdrage over Saul baseren op slechts één passage waarin deze koning in de Koran voorkomt. Toch acht hij wat er verteld wordt over Saul van cruciaal belang in de ook actuele gedachtewisseling over het gebruik van geweld en de zogenaamde ‘rechtvaardige oorlog’.
De islamitische geleerde Bunyamin Duran beschrijft de wijze koning Salomo. Verzen uit de Koran worden geciteerd waarin Salomo voorkomt als hij de koningin van Saba ontmoet en haar als gelijke beschouwt, maar ook een Salomo die nauwe relaties met mieren, paarden, vogels en planten onderhoudt. Salomo, zo laat Duran zien, kan een model zijn voor gelovigen dat hen aanzet om zich op de schoonheid van de schepping en de meest alledaagse dingen te concentreren en daardoor op God.

De laatste bijdrage gaat over Jona en is van de hand van Gé Speelman, docente godsdienstwetenschappen. Zij vergelijkt hoe Jona naar voren komt in de verschillende tradities en stelt zich dan de vraag of Jona een voorbeeld kan zijn voor gelovigen. Al zoekend op het internet leest zij hoe Jona een moderne identificatiefiguur kan zijn, zowel als het gaat om hoe het wèl, als hoe het niet moet. Een verhaal dat zegt dat mensen zich niet hoeven neer te leggen bij een onafwendbaar noodlot.

Jammer dat hier en daar de corrector wat spellingsfouten heeft laten staan en dat er wat inconsequenties in het notenapparaat van enkele bijdragen voorkomen. Maar oprecht: een bundel om aan te bevelen, vol menselijke en wonderlijke verhalen die ogen kunnen openen voor tradities die misschien de onze niet zijn, maar die verteld worden om mee te leven.

Frank van Gerven

Uit: Pastorale Perspectieven nr. 138

naar boven

Geloof - systeem - verwondering. Kennismaken met theologie

J. GELDHOF, Geloof – Systeem – Verwondering. Kennismaken met theologie, NV Uitgeverij Altiora Averbode, 2007.

Joris Geldhof is theoloog en docent aan de Faculteit Theologie en Religiewetenschappen van de KU Leuven. Hij schrijft deze inleiding in de theologiebeoefening als een essay. Dat verklaart misschien de vrije toon van het hele werk. Het kan goed dienst doen als een inleiding voor studenten, maar ook voor anderen die nog niet zo vertrouwd zijn met de eigenheid van het theologische denken. De auteur staat duidelijk in de christelijke, gelovige traditie en hij verdedigt die zonder in oude apologetiek te vervallen. Wel is het jammer dat hij ervoor gekozen heeft geen notenapparaat toe te voegen. In een nawoord verwijst hij wat summier naar de geleerden naar wie hij geluisterd en de geleerde werken waaruit hij geput heeft.

In een overzichtelijke inleiding verklaart hij de drie kernwoorden uit de titel. Een goede en oprechte theologiebeoefening kan geen van de drie pijlers veronachtzamen, want dan zou men de takken waarop het godgeleerde denken rust, afzagen. Hij pleit voor een evenwichtige manier van reflecteren. Theologie is “van, over en tot God spreken en denken” (p. 72). Het begrip ‘systeem’ staat niet voor niets tussen de begrippen ‘geloof’ en verwondering’ in.

Het eerste deel ‘Rondom de theologie’ begint met een beschrijving van ervaren wantrouwen tegenover de theologie. Daar legt Geldhof op een originele manier vormen en bronnen van ervaren vertrouwen naast. Nadrukkelijk plaatst hij de theoloog in het moeilijke, maar vruchtbare spanningsveld tussen geloof, cultuur en samenleving.

In het tweede deel ‘Binnenin de theologie’ beschrijft hij manieren van ‘over God spreken’, vindplaatsen van de theologie en de eigen werkwijzen die de theologiebeoefening hanteert. Dit doet hij aan de hand van vijf polaire begrippenparen: descriptief en normatief; a priori en a posteriori; narratief en demonstratief; analytisch en synthetisch; empirisch en visionair.

In dit overzichtelijke en doorwrochte gedeelte legt hij een degelijke basis voor theologiebeoefening. Van daaruit bekijkt hij de opdrachten die de theologie zichzelf moet stellen en gaat hij uitvoerig in op verschillende stijlen binnen de theologie en ziet hij vijf ‘partners’ met wie de theologie moet samenwerken: de filosofie, de taal- en tekststudie, de geschiedenis, de religiewetenschap en menswetenschappen als de pedagogie, de psychologie en de sociologie, die hij onder de wel heel brede term ‘therapie’ eigenlijk te beknopt beschrijft.

Een pleidooi voor sensitiviteit en voor een evenwichtig én gedreven spreken vormt het besluit van het werk. Jammer is dat juist in dit laatste gedeelte nogal wat fouten tegen zinsbouw en spelling voorkomen, alsof de corrector daar geen tijd meer had. Misschien dat potentiële lezers wat afgeschrikt worden om opnieuw een studieuze inleiding te gaan lezen. Maar dank zij de overzichtelijkheid en vaak originele invalshoeken is dit werk goed leesbaar en ook voor de ‘afgestudeerde’ theoloog geen overbodige kost.

Frank van Gerven 

Uit: Pastorale Perspectieven nr. 138

naar boven

Bibliodrama begeleiden - Wegwijzers voor de praktijk

J. AGTEN, E. HERREBOSCH, K. VERDUYN & L. VERVOORT, Bibliodrama begeleiden – Wegwijzers voor de praktijk, Uitgeverij Garant, Antwerpen/Apeldoorn, 219 p.

De opleiding Bibliodrama & Religieuze verhalen in beweging bestaat in Vlaanderen 15 jaar. Tijd, vonden de opleiders, om hun praktijkervaringen te bundelen, temeer omdat de interesse in het speels en niet-moraliserend omgaan met de bijbel stijgt. Enerzijds hopen de auteurs met hun boek een onderbouwde visie te geven op wat bibliodrama nu juist is voor al wie (kritisch) geïnteresseerd is, anderzijds willen ze ook tegemoet komen aan de vraag van oude en nieuwe cursisten die ‘bij’ willen blijven met de ontwikkelingen in bibliodramaland. Naar mijn mening slagen ze glansrijk in beide doelstellingen.

Het boek is helder gestructureerd in drie grote delen: Wat is bibliodrama ? Hoe speel en begeleid je het? Welke concrete werkvormen zijn mogelijk op school en in het pastorale werkveld? De kracht van dit boek ligt mijns inziens in de voortdurende zorg voor de kwetsbaarheid, de individuele ontwikkeling en het ‘weten’ van de bibliodramaspeler. Die speler kruipt in een bijbelse rol die hij graag wil verkennen, maar tegelijkertijd speelt hij daarin ook zichzelf. Zijn vragen, twijfels, houdingen, wanhoop, perspectieven en huidige leven zijn mee 'in het spel'. Bijbelverhaal en eigen leven kunnen elkaar daardoor soms diepgaand ontmoeten. Het vraagt dan ook veel van de begeleider om recht te doen aan zowel de individuele speler, het bijbelverhaal én de groep in zijn geheel. Dit praktijkboek geeft dan ook zin in en zin aan een gedegen opleiding om deze vaardigheden in de vingers te krijgen. Voor pastores die met groepen werken en graag creatief met (bijbelse) verhalen aan de slag willen blijven, is het daarom een aanrader.

De inleiding is van de hand van prof. dr. Didier Pollefeyt, godsdienstpedagoog aan de Faculteit Theologie en Religiewetenschappen van de KULeuven. In zijn bijdrage – een meerwaarde voor het boek ! – schetst hij de oorsprong en de huidige plaats van bibliodrama in de nieuwste ontwikkelingen rond geloofscommunicatie en pleit hij voor een kwaliteitsvolle begeleiding. Moge het duidelijk zijn: bibliodrama lééft in Vlaanderen.

Ann Verscuren

Uit: Pastorale Perspectieven nr. 138

naar boven

Professionele begeleiding en spiritualiteit. Pastorale supervisie nader verkend

S. KÖRVER, W. REGOUIN (red.), Professionele begeleiding en spiritualiteit. Pastorale supervisie nader verkend, Houten, Bohn Stafleu van Loghum, 2007, 235 p.

Wie denkt dat een boek over pastorale supervisie slechts voor een klein groepje pastoraalsupervisoren van belang is, heeft het verkeerd voor. Supervisie draagt immers bij aan de groei in professionele begeleiding en spiritualiteit van pastores. En daar gaat dit boek over. Zowel de opdeling ervan in behapbare artikels als de pastorale praktijkverhalen bieden de lezer een gevarieerde kijk op de uitdagingen die pastores aangaan. Het diepgaande en degelijke boek is opgebouwd uit 11 bijdragen die telkens op een deelaspect van pastoraat en supervisie focussen.

Na een nogal ingewikkeld verhaal van S. Körver over het verband tussen de historische evolutie van supervisie en de klemtoon die in een bepaald tijdsgewricht al dan niet op de persoon van de pastor gelegd wordt, schrijft A. Lanser verfrissend over de persoon en het levensverhaal. Onder het motto "Wie praat niet graag over zichzelf" schetst zij zowel de mogelijkheids¬voorwaarden om zichzelf te ontdekken door erkenning, als de noodzaak het eigen verhaal te vertellen als bestaansarticulatie. T. Witkamp schetst de existentiële dimensie van de pastor. Via een opstapje over de normatief-reflectieve professionaliteit van de pastor, belandt hij bij 'professionele liefde' die uitgaat naar de mens, als doel op zichzelf. De integratieve functie van spiritualiteit wordt door H. Zock uitgewerkt. Zij laat zien hoe nauw persoonlijke, spirituele en beroepsmatige ontwikkeling samenhangen. W. Smeets maakt onderscheid tussen ethiek van supervisie, wat eerder slaat op de kwaliteit van de supervisierelatie, en ethiek ín de supervisie, te begrijpen als hoe pastores ethisch oordelen en pastorale thema's die aan bod komen. Waarop de supervisor moet letten om een valabel rolmodel te zijn, brengt P. Vermeer ter sprake in 'Supervisie als voorbeeldleren'. Door zijn eigen reflecties transparant te communiceren, en door zogenaamde kernreflectie (reflectie op identiteit en betrokkenheid) op gang te brengen bij de supervisant, biedt de supervisor een integrerend model voor de praktijk van de pastor. In zijn bijdrage over omgaan met machteloosheid focust F. Kruyne op het eigene van het pastorale beroep: bij onoplosbaar lijden aanwezig blijven. De spirituele kwaliteit van aanwezigheid biedt de meerwaarde. Willen pastores zelf niet opbranden, dan hebben ze wel een dragende gemeenschap nodig. F. van Hattum speelt met metaforen: door van positie te wisselen, doet de realiteit zich anders voor. Door vergelijkingen, een detail naar voor te brengen of een beeld te gebruiken, kan de pastor zijn gesprekspartners helpen zich op een andere manier met de werkelijkheid te verbinden. J. Lap brengt het pijnlijke maar weinig besproken thema van pastores in conflict ter sprake. Sommige pastores melden zich immers voor supervisie wanneer hun eigen 'lichtvoetigheid' verlamd dreigt te geraken door 'het zware instituut'. S. Körver staat stil bij de tijdsbeleving in pastoraat en supervisie. Hij laat zien hoe wij gedomineerd worden door de kloktijd, terwijl creatieve antwoorden op trage vragen pas rijpen in verhalen uit de traditie. Ten slotte vat W. Regouin het boek samen. Zij merkt op dat in pastoraat en pastorale supervisie heel specifiek met mensen wordt omgegaan. De deskundigheid van pastores betreffende de existentiële dimensie van het bestaan, hun nadruk op de persoon en zijn levensverhaal, oog voor spiritualiteit en ethiek, de kwaliteit van pastorale presentie en interventie, kortom de beroepsdimensie van de pastor heeft aan andere beroepen heel wat te bieden.

Professionele begeleiding en spiritualiteit. Pastorale supervisie nader verkend is prettig uitgegeven: naast de tekst is plaats voor eigen notities. Het is een veelzijdig en boeiend boek dat in het boekenrek van iedere pastorale dienst thuishoort.

Marina Riemslagh

Uit: Pastorale Perspectieven nr. 138 

naar boven

Business spiritualiteit

Paul de Chauvigny de Blot S.J., Petra Pronk, Business spiritualiteit, Ten Have, 2007, 184 p.

‘Business spiritualiteit’ trok als titel mijn aandacht omdat de vermarkting van de zorg een steeds groter impact heeft op de evoluties in de zorgsector in de richting van vertechnisering en versnippering van dienstverlening in specialismen. Waar is de mens?

Paul de Blot, jezuïet, 82 jaar, omschrijft het concept spiritualiteit als een missie voor menselijkheid. Dat vraagt om discipline. Drie elementen spelen hierin een rol: 1. realisme, het analyseren van de evoluties; 2. idealisme, een continue reflectie op de praktijk geplaatst in een ethisch perspectief; 3. interactie, het communiceren met elkaar en leren aan elkaar.

Het boek zelf is een neerslag van een interview dat door journaliste Petra Pronk werd afgenomen. De stijl van het boek heeft daardoor een verhalend karakter, met gedachtespinsels en algemene suggesties die niet grondig worden uitgediept. Er komen nogal wat herhalingen voor. Dat zorgt voor vertraging bij het lezen. Als achtergrond en ter persoonlijke verdieping kan het boek zeker een bijdrage leveren. Maar wie op zoek is naar strategieën en stappenplannen, zal hier op z’n honger blijven zitten. Toch prikkelt de gedrevenheid van Paul de Blot om als pastor op het vlak van management na te denken én de menselijkheid in de zorg te thematiseren en, waar mogelijk, om te zetten in beleidsvoering. Laten we van elkaar leren, zou ik zeggen!

Filip Zutterman

Uit: Pastorale Perspectieven nr. 139

naar boven

Niets in mij gelooft dat. Over religie en moderne Nederlandse literatuur

Liesbeth Eugelink, ‘Niets in mij gelooft dat’. Over religie en moderne Nederlandse literatuur, Baarn, Ten Have, 2007, 303 p.

Eugelink heeft een dappere studie ondernomen. Over een tijdspanne van bijna vijf decennia zoekt ze naar de interactie tussen religie en de Nederlandse literatuur, en dat terwijl de religie een taboe was voor vele auteurs en critici. Pas vanaf de milleniumwissel komt hierin verandering en mag er weer over religie gesproken worden. Zij wil dit dominante beeld omdraaien. De stelling waarop zij haar onderzoek bouwt, luidt: ‘religie is niet zozeer terug van weggeweest, maar is vooral uit het verdomhoekje getreden’. Ook de vormgeving van haar studie is origineel en interessant. Elk van de acht hoofdstukken bevat 3 elementen: een bespreking van een auteur en zijn of haar œuvre, enkele kaderteksten die dieper ingaan op een element van het essay, en een interview met een (andere) schrijver. Deel 1 bevat vier hoofdstukken met materiaal uit de vier laatste decennia van vorige eeuw. Hierin komen chronologisch volgende thema’s aan bod. Tijdens de jaren zestig constateert ze een gevoel van onbehagen, en als er al iets van geloof aanwezig is, is het een kinderlijk geloof. De daaropvolgende jaren speelt de onzichtbare god een rol en wordt literatuur een vrijplaats voor de mystiek nà de dood van God. De jaren tachtig worden gedomineerd door de leegte. Ironie wordt dan een belangrijk stijlmiddel in de literatuur, maar ook als levenshouding geproclameerd. In de literatuur van de jaren negentig ontdekt Eugelink een band tussen seks en religie. Niet enkel wordt seks dan opgevoerd als een substituut voor religie, maar zij ziet religie ook opduiken als onderstroom die wegvoert van de zielloos geworden seks. De mystici en hun erotische taal zijn dan niet ver weg. Deel 2 (‘Nieuwe getuigen’) bevat eveneens vier hoofdstukken waarin zij hedendaagse schrijvers aan het woord laat die religie weer expliciet ter sprake brengen. Hier worden de thema’s in dubbelheid aangebracht: ‘zoeken en vinden’, ‘haat en liefde’, ‘depressie en verlichting’, en ‘in verbinding’. Het zijn telkens herkenbare ervaringen van de 21ste eeuw en hun tegenpool. Zij constateert dat het werk van gelovige auteurs (er zijn in de literatuurwereld ook enkele opvallende bekeringen in de tweede helft van de jaren negentig, waaronder Willem Jan Otten, Désanne van Brederode en Vonne van der Meer) steeds een getuigenis of belijdenis bevat. Dit veronderstelt meteen een andere leeshouding, namelijk ‘een die, in ieder geval tijdelijk, bereid is mee te gaan in het geloof’.

Dit boek is niet alleen interessant voor mensen die geïnteresseerd zijn in literatuur en religie, maar voor iedereen die wil zien hoe religie aan de orde komt in verhalen, buiten de gevestigde en gekende kaders. Een aanrader.

Lea Verstricht

Uit: Pastorale Perspectieven nr. 139 

naar boven

Waar draait het om als je christen bent

Timothy Radcliffe, Waar draait het om als je christen bent, Averbode, Uitgeverij Kok, 2007, 304 p.

Ze worden steeds talrijker, de boeken waarin theologen teruggaan naar de fundamenten van het eigen geloof. Niet toevallig natuurlijk, want in een wereld waarin heel wat mensen op zoek zijn naar hun religieuze ‘roots’ of een grote interesse tonen naar de grote verscheidenheid aan godsdiensten en hun inhoud, is er een grote vraag naar dit soort boeken. Ook de populaire auteur Timothy Radcliffe, theoloog en Dominicaan, waagt zich in ‘Waar draait het om als je christen bent?’, aan een terugkeer naar de bron. Een gemakkelijke of evidente zoektocht is het echter niet geworden.

In 11 hoofdstukken brengt Radcliffe ons al zoekend en speurend terug naar de fundamenten van het christendom. In het eerste hoofdstuk vertrekt hij vanuit het belang van pelgrim zijn; iets wat volgens hem in elke mens huis, en getuigt van een impliciete hoop. Maar hij legt ook de link met de ‘nu-generatie’, met het gebrek aan de belofte aan een toekomst die veel mensen in het westen teruggooit in het verleden. Precies daar ontvouwt zich een kans voor het christendom om haar verhaal te vertellen: een verhaal dat weldegelijk een brug legt naar de toekomst en dus een belangrijk tegenwicht kan zijn. In het tweede hoofdstuk vertelt de auteur aan zijn lezers waarom het christendom, en het geloof in God, ons zou moeten doen stralen van blijdschap en vrijheid omdat we doorheen het godsgeloof de zin van het leven ontdekken. Het is een vrijheid die ons, net als Jezus’ leerlingen, samenbrengt met prostituees en tollenaars; een inzet die naadloos voortvloeit uit de tekens die Jezus zelf heeft laten zien. We worden als gelovigen uitgenodigd om ‘pastor’ te zijn: ‘In wat voor puinhoop we ook leven, er kan een verhaal verteld worden dat er zin aan geeft, een verhaal dat leidt naar het koninkrijk.’ Werkt Radcliffe in dit tweede hoofdstuk rond de vrijheid van het christen-zijn, in het derde hoofdstuk staat de blijdschap centraal. Het is een blijdschap die voortvloeit uit het ‘liefhebben’ van anderen; door ons naar buiten te keren, komen we tot bloei. Blijdschap is hier dus niet zozeer het positieve tegendeel van verdriet, wel van een afgestompt hart. In het vierde hoofdstuk staat de moed centraal. Overtuigende getuigen van het evangelie kunnen we immers pas zijn, aldus Radcliffe, indien er een ‘onverklaarbare moed’ in ons huist; tegen alle angst en onzekerheid in. Dat is een moed die niet alleen noodzakelijk is voor een overtuigend getuigenis, maar ook enkel maar stand kan houden wanneer we als gelovigen een gemeenschap voor elkaar zijn waarin we de waarheid aan elkaar kunnen vertellen, kwetsbaar kunnen zijn tegenover elkaar, en we dus niet bang hoeven te zijn. Het vijfde hoofdstuk gaat dan weer in op ons geloof in ‘de goedheid van het lichaam’; wat in scherp contrast staat met hoe vaak christenen hun lichaam zien als ‘ongemakkelijke bagage’. Een dualisme dat een lange geschiedenis kent in het verhaal van de Kerk. Nochtans, zo licht de auteur toe, is onze seksualiteit – ‘Hier is mijn lichaam voor jou’ – ten diepste een eucharistische handeling, al is dat ook in onze maatschappij geen evidentie. Hoofdstuk 6 sluit dan weer nauwer aan bij de eerdere hoofdstukken door naast de vereiste ‘vrijheid’ en ‘moed’ ook het belang van de ‘eerlijkheid’ centraal te zetten. Mensen hebben weinig vertrouwen in politici of in de media, maar ook de geestelijkheid wekt dat vertrouwen niet. Mensen eisen de waarheid, transparantie, ook van de Kerk. Aangezien een cultuur die gebaseerd is op verzinsels al snel ieder besef van waarheid verliest, heeft ook de rede een groot belang. Twijfel en onzekerheid zijn geen fundamenten voor het leven. Daarom ook zijn rede en religie niet met elkaar in tegenspraak. Meer nog: het christendom moet ook de maatschappij herinneren aan haar verlangen naar waarheid.

In hoofdstuk zeven staat Radcliffe stil bij het feit dat de christen niet helemaal thuis is in de wereld, omdat hij pas volkomen thuis zal komen in het koninkrijk van God, maar hij tegelijk toch zeker ook niet buiten die wereld staat. Radcliffe verdedigt hier het belang van het patriottisme als tot een natie, stam of groep behoren. Maar tegelijk wijst hij erop dat deze identiteit uiteindelijk te klein is voor wie we als christenen zijn. Een tweede aspect dat de auteur in dit hoofdstuk aanpakt, is de christelijke nederigheid. Niet als een minachting van jezelf, maar juist als een gepast respect voor jezelf. Het achtste hoofdstuk sluit aan bij het vorige en verdiept zich in de uitdaging waar de Kerk voor staat om van de gelovige gemeenschap een gemeenschap te maken waarin we elkaar kunnen en mogen vertrouwen, maar waarbinnen we ook onze eigen identiteit niet hoeven op te geven. Een gemeenschap ook die zich verzet tegen de ‘tritheïstische antireligie’ die de cultivering van het onbegrensd verlangen, de verabsolutering van het privébezit, en geld als doel in zichzelf inhoudt.

De westerse wereld , maar eigenlijk meer en meer ook de rest van de wereld, zijn gekenmerkt door polarisering: links en rechts, progressief en traditioneel, liberaal en conservatief. Dat beïnvloedt ook ons kijken naar de verdeeldheid binnen de Kerk, stelt Radcliffe in hoofdstuk 9, al is het in wezen tegengesteld aan ons geloof. Het is hier dat de auteur een lans breekt voor de profetie; niet als een aanhoudende striemende kritiek, maar als een poging om wegen te vinden boven de verdeeldheid uit. Zelf probeert hij zo’n profeet te zijn door uitgebreid te verdedigen dat de gemeenschaps- en de koninkrijkskatholieken – een erfenis van Vaticanum II – niet noodzakelijk met elkaar in spanning staan. In het voorlaatste hoofdstuk borduurt Radcliffe voort op datzelfde thema, en geeft hij aan hoe moeilijk, maar ook hoe rijk en boeiend het kan zijn om om te gaan met tegengestelde en elkaar uitdagende visies, zeker als die binnen één geloof plaatsvinden. Werken aan onze theologie is een beetje als panda’s fokken, schrijft hij, het gaat héél langzaam. Hij besluit zijn discours met het elfde hoofdstuk, waarin hij het belang van de eucharistie belicht. De ‘zondagse plicht’ beschrijft hij als ‘een teken dat ik stevig geworteld ben in God die met zijn volk getrouwd is’. Het heeft dus niets met wetticisme of inperking van mijn vrijheid te maken, maar alles met de thuiskomst bij God en met de herinnering aan datgene waarom het draait als je christen bent.

Het boek van Radcliffe teert, ondanks de soms kritische invalshoeken, nergens op de crisissen of problematieken in de hedendaagse Kerk. Zonder apologetisch te worden, slaagt hij erin om de fundamenten het christen-zijn bloot te leggen en de lezers aan het denken te zetten. Hij daagt in zijn schrijven uit, maar wil niet overtuigen. Wat hij doorheen het boek aanraakt is veelzijdig en zeer relevant, al zijn er – typisch voor dit soort boeken uiteraard – wel aspecten die onderbelicht zijn gebleven. Ik schreef eerder al dat het geen gemakkelijke of evidente zoektocht is geworden. Dat wil zeggen: Radcliffe eist wel wat van zijn lezers. Enige theologische achtergrond bijvoorbeeld. Een beetje vreemd wel voor een boek waarvan je op het eerste gezicht zou denken dat het is geschreven voor zoekers, onbekend of slechts vaag bekend met het christendom. De eerste hoofdstukken omzeilen nog relatief makkelijk die klip, met enkele voorbeelden, anekdotes uit zijn eigen (geloofs)leven of verwijzingen naar bekende literatuur. In andere hoofdstukken maakt hij nogal grote theologische sprongen waarvan je je wel de vraag kan stellen of iedereen in staat is ze mee te maken; hier en daar had zeker een extra woordje uitleg gemogen. Radcliffe voldoet dus helaas niet helemaal aan de verwachtingen die de titel wekt; al hoort deze kritiek niemand echt af te schrikken. Het blijft een buitengewoon interessant boek dat zich meestal goed laat lezen en de zoekende of herbronnende lezer kan boeien.

Wim Smit

Uit: Pastorale Perspectieven nr. 139 

naar boven

Pastores gaan voorbij. Witboek over de kracht en pijn van vrijwilligers in de katholieke kerk

Marie-José Janssen en Gerard Zuidberg, Pastores gaan voorbij. Witboek over de kracht en pijn van vrijwilligers in de katholieke kerk, Ten Have-Kampen, 2008.

De auteurs kozen enkele jaren geleden voor een plaats als vrijwilliger in de kerk. De zorg voor die vrijwilliger is het startpunt voor het onderzoek waarvan dit boek de weergave is, aangevuld met verdere suggesties om de lokale geloofsgemeenschappen in stand te houden. De vrijwilligers beschouwen zij niet alleen als de blijvende basis van de kerk, maar ook willen zij de specifieke bijdrage van vrijwilligers aan de kerk honoreren. Het boek bestaat uit vijf delen: feiten, getuigenissen, analyse, wegen uit de impasse en een reeks bemoedigingen. Ze baseren hun werk op onderzoeken die al gebeurd zijn (Kaski) en op een vragenlijst die ze aan parochiële vrijwilligers stuurden. Ze vermelden daarbij dat ze reacties kregen uit alle Nederlandse bisdommen. Het boek streeft geen volledigheid na, maar wil enkele signalen geven die de ontwikkelingen in de kerk schetsen waarin zowel de kracht als de pijn van de vrijwilliger aan het licht kan komen. Het hoofdaccent van het boek ligt op de confrontatie van de zorg voor de lokale gemeenschappen en het beleid dat in de Nederlandse bisdommen wordt gevoerd. De voorbije decennia leerden mensen in team verantwoordelijkheid dragen voor een gemeenschap. Verbondenheid en vorming waren daarbij belangrijk. Ook de liturgie nam een belangrijke plaats in in het leven van de gemeenschap. De striktere regelgeving op vlak van liturgie, de schaalvergroting en de ‘nieuwe generatie priesters’ komt niet tegemoet aan wat in de gemeenschappen aan dynamiek was ontstaan. Hierin ligt de pijn van de meeste vrijwilligers: elke vorm van overleg wordt geweerd. De reacties van de individuen en gemeenschappen verschillen van situatie tot situatie. Het risico bestaat dat de verbondenheid als kracht tot kwetsbaarheid wordt in de nieuwe situatie: groepen sluiten zich af van buitenstaanders, er ontstaat gebrek aan kritische verdieping en er is te weinig structurele ondersteuning. Het boek duidt verder enkele mogelijkheden aan om met de nieuwe situatie om te gaan. Het eindigt met het aanreiken van een perspectief aan mensen die vervreemd of ontheemd zijn geraakt. Een goede aanzet tot verdere reflectie en studie.

Lea Verstricht

Uit: Pastorale Perspectieven nr. 139 

naar boven

Het boek van de troost - met kinderen denken over afscheid & verlies, leven & geluk

Kolet Janssen en Rebekka Jonkers; ill. Merel Eyckerman, Het boek van de troost – Met kinderen denken over afscheid&verlies, leven&geluk, Davidsfonds/Infodok, 119 blz.

Kolet Janssen schreef, samen met één van haar kinderen, dit informatieve boek dat bedoeld is voor +10- jarigen. Ze heeft dat op een frisse manier gedaan, dwz heel concreet, bijzonder inlevend en zonder taboes. Het boek bestaat uit korte, informatieve stukjes die afgewisseld worden met uitspraken en getuigenissen van kinderen. Er komen ook enkele volwassenen aan het woord, zoals een begrafenisondernemer en de pastor van een kinderziekenhuis. Heel af en toe - te weinig? - is er plaats voor een werkblad waar de jonge lezers zelf iets kunnen neerschrijven. De gedichten en fijne tekeningen geven het boek tenslotte lucht, licht en ruimte. Wél jammer dat de lettergrootte aan de kleine kant is.

Er zijn vier grote delen terug te vinden. Een eerste behandelt verlies in de brede zin van het woord. Zo wordt er aandacht besteed aan het verliezen van 'kleine dingen' (zoals speelgoed en je lievelingskleren) en van geliefde plekjes (je klaslokaal, je vertrouwde huis, je eigen land bij migratie). Afscheid nemen kan men van een vriendschap, van een huisdier, van een gezond lichaam, van een opa die dement wordt, van ouders die samen waren of van je eigen wortels bij adoptie. In het tweede deel gaat het uitdrukkelijk over afscheid nemen van het leven. Er wordt zakelijk beschreven wat 'dood' eigenlijk betekent, hoe het lichaam verzorgd wordt na de dood, hoe het er aan toe gaat bij een begrafenis of crematie en welke rituelen er zijn in verschillende culturen. In dit deel komen ook theoriën over rouw en herstel aan bod. In een derde deel wordt er ingegaan op de verschillende levensbeschouwingen over een eventueel leven na de dood. Het laatste deel kreeg de titel 'Geluk en troost' en gaat kort in op nieuwe kansen na verlies, hoe je gelukkig kan zijn en hoe je kan troosten.

De verdienste van dit werk ligt zeker in de eerlijke informatie die kinderen hier krijgen (en ook verdienen) en het ernstig nemen van vele vormen van verlies. Telkens klinkt ook de hoopvolle booschap door dat er nog leven en vrolijkheid mogelijk is, door alle verdriet heen. Op het einde vindt men een uitgebreide lijst van boeken en websites waar zowel kinderen als volwassenen mee verder kunnen.

Dit boek heeft natuurlijk ouders, leerkrachten en opvoeders nodig die geloven dat het zinvol is om kinderen een boek als dit aan te reiken. Want, zoals Peter Adriaenssens het in het begin zegt, als je een kind een boek geeft of voorleest over een problematiek die aansluit bij die van het kind, geef je daarmee aan dat je het kind serieus neemt. Zo help je het kind om eigen sporen te ontwikkelen om met het probleem om te gaan. Zelf vind ik de titel Met kinderen denken over... een tikkeltje misleidend, omdat het boek géén handleiding voor volwassenen is over 'hoe samen met kinderen denken of praten over?'. Wél biedt het ook volwassenen een inzicht in de leefwereld van kinderen en een heldere taal om over afscheid te praten.

Ann Verscuren

Uit: Pastorale Perspectieven nr. 139 

naar boven

ABC voor spiritualiteit in de zorg

Marinus van den Berg, ABC voor spiritualiteit in de zorg, Ten have-Kampen, 2007.

Een frisgroen werkpakketje, dat krijg je in handen met dit ABC voor spiritualiteit in de zorg. Voor Marinus van den Berg, zelf tientallen jaren actief in de zorgsector in Nederland, betekent spiritualiteit vooral 'passievol leven, bezield en betrokken zijn, leven met hart en ziel, geestkracht'. Met dit werkboek hoopt hij dan ook bij te dragen tot bezield werk in de zorg en tot uitwisseling daarover. Het materiaal dat hij daarvoor aanreikt, is een boek én een set met 44 kaarten. Het boek is gevuld met poëtische teksten en overwegingen die gerangschikt zijn volgens de letters van het alfabet, van Aandacht tot Zorgenden. Op de kaarten komen alle trefwoorden uit het boek terug, aangevuld met enkele stellingen en/of vragen. De stellingen willen prikkelen, de vragen zijn er om een gesprek op gang te krijgen. Zo vinden we bijvoorbeeld onder Aandacht de stelling: Het gezegde: 'Iemand die veel aandacht vraagt, krijgt steeds minder échte aandacht.' en de vragen: Van wie ontvang jij voldoende aandacht? Wie of wat geef je geen aandacht?

De auteur hoopt met deze werkcassette een brede kring van mensen te bereiken die in de zorg werken, zowel beroepsmatig als vrijwillig. Spiritueel bezig zijn, of bezield werken, is immers iets wat alle verzorgenden aangaat, en niet alleen van toepassing is op pastores en andere geestelijk begeleiders.

De teksten in het boek zijn eenvoudig en soms wat clichématig, maar daardoor kunnen ze juist iedereen aanspreken. Ze dienen immers als vertrekpunt voor een (innerlijk) gesprek over wat je beweegt in het werk (en je leven), wat je belemmert, waar je je eigen talenten ziet en die van anderen, of je zorg ervaart voor de zorgenden op je werkplek... Als zorgenden eerlijk kunnen uitwisselen over wat hen bezighoudt, is dat zorg voor henzelf, en daarom uiteindelijk ook zorg voor diegenen die aan hen zijn toevertrouwd.

Ann Verscuren

Uit: Pastorale Perspectieven nr. 139 

naar boven

Wegwijs in dementie op jonge leeftijd

Annemie Janssens, An Lootens, Els Verraest, Ils Mattheusen, red., Wegwijs in dementie op jonge leeftijd. Een praktische gids voor personen met jongdementie, familie en hulpverleners, Lannoocampus, Leuven, 2007, 256 p.

Doorgaans denken we bij dementie aan bejaarde dementerenden. Toch zijn er in ons land zo’n 3000 à 11000 mensen jonger dan 65 jaar die dementerend zijn. Dit boek, dat uitgaat van het Expertisecentrum Dementie in Vlaanderen, wil een correct en zo volledig mogelijk beeld geven over dementie. Aan familieleden en hulpverleners wil het praktische informatie en tips geven. Verschillende experts en ervaringsdeskundigen hebben hun steentje bijgedragen om in een bevattelijke taal de verschillende terreinen te ontginnen.

Het boek omvat twee delen. In een eerste deel wordt het medische aspect van dementie onder de loep genomen. De diagnostiek, de verschillende ziektebeelden die aan de oorsprong liggen van dementie, de vraag naar erfelijkheid en de medicatie worden in eenvoudige en begrijpelijke taal aan de lezer uitgelegd.

Het tweede deel spitst zich toe op het omgaan met jongdementie en geeft enkele praktische adviezen. In vier onderdelen beogen de auteurs inzicht en kapstokken te geven om met jongdementerenden om te gaan.

Het dementieproces is een ingrijpend gebeuren. In een eerste onderdeel worden de beleving van de jongdementerende, het zoeken naar een nieuwe verhouding binnen de bestaande relaties en de emotionele worsteling duidelijk beschreven. Typisch aan dementerenden is het vergeten. Het boek beschrijft in een tweede onderdeel hoe het geheugen functioneert. Het boek geeft tips om het falend geheugen te trainen of te ondervangen. Niet alleen geheugenproblemen of achteruitgang van denken en taal typeert een dementerende. Ook verandert een dementerende van karakter of gevoelsleven. In een volgend onderdeel bekijkt men deze veranderingen en hoe men kan omgaan met gedragsmoeilijkheden, agressie e.a. Dementie vraagt heel wat verwerking voor de zieke zelf evenals voor zijn omgeving. Vele emotionele, rationele en psychische processen spelen zich af. Een derde onderdeel belicht uitgebreid de beleving van de familieleden en vrienden.

In de volgende zes onderdelen worden enkele praktische adviezen gegeven: Een eerste deel somt alle diensten op waar informatie kan gevonden worden over dementie en die ondersteuning kunnen geven. Een volgend onderdeel beschrijft de partners in de zorg: personen, organisaties en diensten die de thuiszorg ondersteunen en verlichten. Een derde deel wijst op aandachtspunten in de zorg wanneer het dementieproces verder vordert. Het belicht de opname in een opvangcentrum, de palliatieve fase en de terminale fase.
Het verzorgen van een zieke heeft een financieel kaartje. In een vierde deel worden de mogelijke uitkeringen en tegemoetkomingen uitvoerig bekeken. Een voorlaatste deel bespreekt de juridische bescherming van de persoon met jongdementie en van de familie. Zaken zoals bewindvoering, testament e.d. worden zorgvuldig uit de doeken gedaan. Een laatste onderdeel maakt wegwijs in het verkeer: wie bepaalt of de persoon met jongdementie met de auto mag rijden, welke wegen men kan bewandelen, welke alternatieven bestaan er om aan het verkeer deel te nemen.

Dit eerste Nederlandstalige boek over jongdementie is zeer toegankelijk en vlot geschreven. Het geeft een goed beeld over dementie waardoor de lezer meer inzicht krijgt in het ziekteproces en de beleving van de zieke en de familie. Door de vele tips, handvaten en concrete gegevens, zoals adressen en telefoonnummers, is het tegelijk ook een basishandboek voor al wie met (jong)dementerenden in aanraking komt. Vele zaken die in dit boek toegelicht worden, zijn eveneens herkenbaar voor familieleden en hulpverleners van oudere dementerenden. Ook zij kunnen een steun en houvast vinden in deze praktische gids.

Heidi De Clercq 

Uit: Pastorale Perspectieven nr. 139 

naar boven

Godsspraak. De twaalf kleine profeten

Bart Paepen, Martin Otten, Rudi Mannaerts, Godsspraak. De twaalf kleine profeten, Halewijn, Antwerpen, 2007.

De auteurs van deze inleiding op de twaalf zogenaamde kleine profeten uit het Oude Testament hebben waarschijnlijk gelijk wanneer ze stellen dat de kleine profeten voor de ‘gemiddelde christen’ totaal onbekend zijn. Wat mij betreft hebben ze ook gelijk wanneer ze eraan toevoegen dat dit ten onrechte is. Hun boekje toont overtuigend aan waarom.

Een inleidend hoofdstuk gaat dieper in op de rol van de profeet in de bijbelse samenleving. Aan de hand van de namen van de twaalf godsmannen geven de auteurs antwoord op drie vragen: Wat is een profeet? Wie is God? Wat doet God? Deze inleidende bladzijden overtuigen iedere aandachtige lezer om enthousiast verder te lezen. Dat de auteurs ook grondige aandacht besteden aan hun thematiek in het christelijke kunstpatrimonium, is een meerwaarde voor het boek.. In twaalf hoofdstukjes kan de lezer daarna kennis maken met de twaalf profeten. Na een inleiding in de profetie en een typering en situering van de profeet volgt meestal een meer diepgaande tekstanalyse van enkele perikopen. De auteurs geven telkens ook de intertekstuele relaties aan met teksten uit het Nieuwe Testament. De lezer gaat dus niet alleen enkele onbekende teksten uit het Oude Testament verkennen, maar kijkt ook met een nieuwe en verrassende bril naar de bijbelfragmenten die hem of haar beter vertrouwd zijn. Ook de aandacht voor de beeldvorming van de profeet in kwestie is niet afwezig.

In het sluitstuk van ieder hoofdstukje gaan de auteurs de uitdaging aan om de profetie naar vandaag te vertalen. Hier ligt voor mij de grootste verdienste van het boek. Het is alsof de auteurs in het kielzog van de ‘kleine profeten’ zelf profeet worden. Heel wat actuele thema’s worden op een scherpzinnige manier ter sprake gebracht. Geen beklag maar aanklacht, van situatieschets naar grondige analyse, van vaststelling naar stellingname openen de auteurs constructieve perspectieven voor de kerk van morgen. Van profetisch pastoraat gesproken! Dit boekje verdient echt een aanbeveling!

Pieter Vandecasteele

Uit: Pastorale Perspectieven nr. 139  

naar boven

Leven zonder ouders

Daan Westerink, Leven zonder ouders, Ten Have-Kampen, 2007, 367 p.

Het boek is een verzameling geworden van 61 authentieke verhalen, die de emoties en de ervaringen beschrijven, meestal heel gedetailleerd, van betrokken zonen en dochters, bij het nabije of verre overlijden van een of beide ouders. Het hoeft geen betoog, dat deze ervaringen intens en diepmenselijk zijn. De herkenbaarheid bij de aandachtige lezer zal ongetwijfeld groot zijn en een citaat van Manu Keirse op het einde van het boek ‘De dood maakt een einde aan het leven, maar de dood maakt geen einde aan de relatie’ geeft nog het beste weer wat men van het boek mag verwachten.

Opvallend dat heel wat mensen worstelen met deze realiteit. Sommigen onder hen hebben trouwens uitgesproken problemen, of geraken er alleen niet uit en zetten de stap naar een therapeut. De inhoud van ouder-kind relatie in de jeugdjaren houdt hier direct verband mee. Het verwerkingsproces heeft hoe dan ook zijn tijd nodig. Vaak hebben de begrafenis en de daarmee gepaard gaande rituelen hierin een prominente plaats. Zeker wanneer men er persoonlijk heeft kunnen aan participeren, genereert dit bij nogal wat mensen een helende werking. Maar ook het netwerk waarvan men deel uitmaakt is een belangrijke factor. Wie kan terugvallen op mensen die luisterbereid zijn en ondersteuning bieden vanuit een liefdevolle betrokkenheid, heeft het meteen ook gemakkelijker dit ‘eenzame’ verdriet een plaats te geven in zijn leven.

Dat de mens in zijn confrontatie met de dood wordt geraakt en erdoor aangegrepen, wordt in dit boek nog maar eens bevestigd. Het is een pleidooi om deze realiteit onder ogen te zien en zeker niet te verdringen. Algemene conclusies worden niet getrokken. Het gaat in se om erg persoonlijke ervaringen, hoofdzakelijk op het niveau van de feiten en dat van de beleving en de emoties. Toch wordt duidelijk dat leven en dood onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden en dat de existentïele vragen nooit veraf zijn. De zoektocht naar de zin en de betekenis zijn echter geheel voor rekening van de individuele lezer.

Boudewijn Baeskens

Uit: Pastorale Perspectieven nr. 139  

naar boven

De dag heeft genoeg

Marinus van den Berg, De dag heeft genoeg, Ten Have-Kampen, 2007, 404 p.

Marinus van den Berg schreef in 2006 elke avond een korte impressie neer over de voorbije dag. Zo ontstond een prachtig dagboek. Een mooie uitgave in brevierformaat is het geworden. In zijn voorwoord schrijft van den Berg er het volgende over: ‘Elke dag, meestal als hij ten einde loopt, in de vooravond, de verstreken uren nog eens aan je voorbij laten gaan – het vraagt om een zekere discipline. Je moet gaan zitten, stil worden, tot innerlijke rust komen. In de ruimte van die rust passeren beelden, indrukken, woorden, scènes, gezichten van mensen. Dan hoor en ziek ik iets soms nog beter. Zo leeft wie gaat schrijven een dag dubbel.’

Het dagboek bevat geen theoretische uiteenzettingen. De auteur beschrijft wie of wat er die dag op zijn weg is gekomen. En dit in zijn typische, heel toegankelijke stijl. Het fijne aan dit dagboek is dat je het op verscheidene wijzen kan doornemen. Je kan het lukraak openslaan, er in snuisteren, of het in één keer uitlezen. Maar je kan het ook als dagboek hanteren en elke dag het stukje bij de overeenstemmende datum lezen. Het zet je sowieso aan tot reflectie. Heel verscheiden thema’s komen aan de orde in de stukjes die hij schrijft: afscheid nemen, waken, sterven, leven na de dood, euthanasie,… Heel de thematiek van de zorg rond het levenseinde komt veelvuldig aan bod. Maar ook vele andere onderwerpen waar je als pastor mee geconfronteerd wordt: schuld en vergeving, stilte, je godsbeeld, ‘doen’ of ‘zijn’, hoop, waardering, goede zorg, een aantal kerkelijke feesten,… Te veel om op te noemen.

De tekstjes zijn zo realistisch en uit de dagelijkse praktijk genomen dat er bij mij vaak herkenning optrad. Het knappe aan het boek is de niet moraliserende toon waarop de auteur dingen in vraag stelt maar ook zichzelf bevraagt. Het dagboek stimuleert je om als pastor ook zelf stil te staan bij wat je elke dag meemaakt. Warm aanbevolen!

Mieke Van Steelandt

Uit: Pastorale Perspectieven nr. 139 

naar boven

Bevriend met je schaduw, je onbeminde zijde

Jean Monbourquette, Bevriend met je schaduw, je onbeminde zijde, Altiora, Averbode, 176 p.

De titel van het boek ‘bevriend met je schaduw’ nodigt al uit om op avontuur te gaan met dat stuk van onszelf waar we liever niet mee in confrontatie komen. De schaduw is die donkere zijde waar iedere mens mee worstelt. Ieder mens doet zijn uiterste best om dat deel te camoufleren dat niet in de smaak leek te vallen van anderen of choquerend overkwam. Net dat deel van onze persoonlijkheid leeft sterk in ons onbewuste en is de onbeminde zijde die we stilaan kunnen leren accepteren. Doen we dat, dan zal ons leven rijker worden aan eigenwaarde, zal onze sociale, morele en spirituele ontwikkeling er wel bij varen.

Stap voor stap neemt priester en psycholoog Jean Monbourquette je als lezer mee voor deze moeilijke klus. Elk hoofdstuk begint met een verhaal en wordt verder gekleurd door voorbeelden uit het dagelijkse leven. De eerste hoofdstukken verduidelijken het begrip ‘schaduw’, de inzichten van Jung over de schaduwtheorie en de verschillende soorten schaduw. Op basis daarvan gaat Monbourquette na hoe de schaduw ontstaat. “We staan voor een op het eerste gezicht onoverkomelijke moeilijkheid: we moeten ons aanpassen aan onze omgeving en we mogen toch de groei van ons diepere ik niet belemmeren. Wat een dilemma!” Het is pas door de schaduw te herkennen, te erkennen en te omhelzen dat die geen bedreiging meer vormt, maar een kans tot nederigheid en waarheid. Door heel praktische vragen (b.v. ‘In welke situaties word je zenuwachtig?’, ‘Welk soort kritiek werkt op je zenuwen?’) en methoden (b.v. welke soort humor heb je?, je dromen analyseren, je eigen projecties onder de loep nemen,…) worden handvaten aangereikt om de eigen en andermans schaduw te leren kennen. Wat je op anderen projecteert vertelt eigenlijk het verhaal van je eigen onbeminde zijde. Jezus bedoelde zelf de schadelijke aard van schaduwprojecties aan de kaak te stellen toen Hij zei; “Waarom kijkt ge naar de splinter in het oog van uw broeder en slaat ge geen acht op de balk in uw eigen oog?” en b.v. ook in het verhaal van de overspelige vrouw. Om de schaduw te verzoenen met de eigenschappen en karaktertrekken van onze persona (ideaal-ik) is nog een stap verder nodig en daarvoor biedt Jean Monbourquette verscheidene strategieën aan. In het laatste hoofdstuk staat hij stil bij de integratie van de schaduw in je persoon en mogelijkheden tot geestelijke groei.

Dit boek is een echte aanrader. Op een zachte maar doordringende wijze word je als lezer uitgenodigd om op weg te gaan met jezelf en je schaduw onder de loep te nemen. De stijl is vlot en de inhoud uit het leven gegrepen. Ook als werkboek voor persoonlijke groei of in groepsverband bied het veel mogelijkheden. In het bijzonder het laatste hoofdstuk geeft voor pastores verdieping en verheldering: de bevraging van zichzelf als geestelijk begeleider, de valkuilen van perfectionisme,…

Warm aanbevolen!

Annick Pollefoort

Uit: Pastorale Perspectieven nr. 140

naar boven

De Bijbel. Een vertaling in beelden

G. Guadalupi, De Bijbel. Een vertaling in beelden, Ten Have, 303 p.

De bijbel heeft door de eeuwen heen steeds mensen geboeid. De geloofsverhalen spreken de verbeelding aan. Vele kunstenaars zien in haar een bron aan inspiratie.
In het boek “De Bijbel. Een vertaling in beelden” vertelt de auteur de grote lijn van de bijbelverhalen en illustreert ze met vele foto’s en schilderwerken, zoals van Michelangelo en Breugel. Voor wie de bijbel nog niet kent, is het een aangename kennismaking. Wie echter wel vertrouwd is met de bijbelverhalen zal weinig nieuws vinden. Hij vermengt ze vaak met apocriefe geschriften en archeologische onderzoeken. Er mag gezegd dat de bijbelverhalen weinig nauwkeurig verteld worden. Dit geeft te denken over de juistheid van de extra informatie die al eens voorkomt in het boek.

Enige kritische noot ligt ook bij de redacteur van het boek. Wanneer men het boek doorleest, geeft het een ‘slordige’ indruk. Het bevat vele typ- en taalfouten. Verder slaagde de vertaler er niet altijd in om het Italiaans op een vloeiende manier naar het Nederlands om te zetten, wat resulteert in soms complexe lange zinnen. Het is een gemiste kans dat de uitleg bij schilderwerken weinig uitgebreid is. De lezer verneemt meestal enkel de titel, tijd waarin het geschilderd werd, naam van de kunstenaar en de plaats waar het nu te bekijken is.
Het boek is aan aanrader om een eerste kennismaking te hebben met de bijbelverhalen op zich of voor iemand die verschillende kunstwerken of foto’s rond een bijbelverhaal verzameld wil zien. Wie een bezinnende meditatie over de bijbel aan de hand van kunstwerken verwacht, komt bedrogen uit.

Heidi Declercq

Uit: Pastorale Perspectieven nr. 140

naar boven

Gelukkig ouder worden

A. Grün, Gelukkig ouder worden, Uitgeverij Lannoo/Ten Have, 2008, 191 p.

Anselm Grün, de bekende Benedictijner monnik en auteur, waagt het als 62-jarige te schrijven over “gelukkig ouder worden”.Grün ziet “gelukkig ouder worden” als een spirituele opdracht waaraan we tijdens ons leven al zelf kunnen werken Hij is eerlijk: als ‘jongere oudere’ is veel van wat hij zegt “nog niet gedekt door eigen ervaring”, “de ouderdom deugt niet als vanzelf” en ouderdom kan angst en depressie teweegbrengen (deel 7). Grün maakt een scherpe psychologische analyse van wat er bij sommige mensen mis kan gaan.
De zin van het ouder worden (deel 1) is een zegen te worden voor de anderen. Om zover te geraken geeft Grün enkele basisregels die te maken hebben met aanvaarding van de eigen existentie (deel 2), loslaten (deel 3), vruchtbaarheid (deel 4) en de kunst van het samen ouder worden (deel 5). Wie deze regels volgt, ontdekt de deugden van de ouderdom: beheerstheid, volharding, zachtmoedigheid, vrijheid, dankbaarheid en liefde (deel 6).

In de laatste drie delen bespreekt Grün de weg die een mens kan gaan in het licht van de naderende dood: het belang van de stilte, de geloofsvragen, de rol van de rituelen en tenslotte de betekenis die we aan onze eigen dood kunnen geven. Hierbij vergelijkt Grün de dood van ieder mens met de dood van Christus aan het kruis en ontwikkelt hier rond een stukje persoonlijke theologie.

Grün beschrijft hoe hij de eigen spirituele groei ziet, hoe hij die zelf wil voorbereiden en voor de rest in Gods handen legt. Slechts heel af en toe spreekt hij over de rol van anderen, maar hij gaat niet verder in op de zorg voor ouderen, waar we allemaal bij betrokken zijn. Ook ontbreekt een visie op dementie. Wat is in Grüns perspectief de zin van het ouder worden als al je geestelijke vermogens verdwenen zijn?

Het boek leest vlot, is doorspekt met veel treffende citaten (vooral van Henri Nouwen) en verwijzingen naar het leven van de moeder van de schrijver en dat van zijn medebroeders. Besluitend kunnen we stellen dat we van Anselm Grün veel kunnen leren als we onze oude dag nu al willen voorbereiden en we kunnen er later veel aan hebben als we het geluk hebben om onze oude dag bewust en alert te mogen beleven in een liefdevolle, zorgzame omgeving.

Lucia Goubert

Uit: Pastorale Perspectieven nr. 140

naar boven

Spiritualiteit als levenskunst. Alfabet van een monnik

B. Standaert, Spiritualiteit als levenskunst. Alfabet van een monnik, Lannoo, Tielt, 2007.

Benoît Standaert, benedictijn van de Sint-Andriesabdij in Zevenkerken-Brugge, wil met dit boek “de oude monastieke schat doorgeven aan leken”. In 99 stukjes, alfabetisch gerangschikt op trefwoord, wil de schrijver de praktijken van het geestelijk leven doorgeven: “lectio divina”, de psalmodie, het jezusgebed, de stille meditatie, het aanschouwen van iconen, de nachtwake, het vasten, het wandelen,…

Standaert heeft een heel brede horizon: behalve uit de Bijbel (psalmen, brieven van Paulus), put hij uit de werken van de oude kerkvaders, de talmoed, het Taoïsme, het Boeddhisme, moslimgeschriften, monastieke literatuur;…

Hij legt de lat hoog: zijn theoretische beschouwingen zijn soms moeilijk, diepzinnig en uitgebreid (bijv. over het geheugen, het gratuite, heiliging, jubelen, vriendschap); zijn praktische tips zijn voor leken op het eerste gezicht niet zo gemakkelijk haalbaar (bv. de psalmodie, het vasten, de nachtwake). Toch voelt men zich als leek aangesproken. Het boek nodigt uit om te groeien in een “gezond geestelijk leven”, om te streven naar een “opgang van de ziel”.

De structuur van het boek laat toe om heel stapsgewijs te werken: je kan alfabetisch het boek doorlopen, ofwel kan men zich laten leiden door de verwijzingen die achter ieder stukje staan en zo op hetzelfde thema voortborduren.

Het is een boek om te lezen en te herlezen. Sommige stukjes zijn echte pareltjes: heel inspirerend, soms heel poëtisch, echt om van te leven (bijv. over het glimlachen, het groeien, de kwetsbaarheid, de leegte, de nederigheid, de rituelen, de verrijzenis en de wijsheid). Het zou een persoonlijk werkboek kunnen worden of een boek dat men gezamenlijk leest in een (gezins)groep en waar dan samen gezocht kan worden naar concrete vormen voor het ontwikkelen van de spiritualiteit als levenskunst.

Lucia Goubert

Uit: Pastorale Perspectieven nr. 140

naar boven

Verpleegkundige zorg en spiritualiteit

René van Leeuwen, Bart Cusveller, Verpleegkundige zorg en spiritualiteit. Professionele aandacht voor levensbeschouwing, religie en zingeving, Lemma, Boom, 152 p.

Uitgangspunt van het boek is het feit dat de aandacht voor spiritualiteit in onze samenleving en in de gezondheidszorg toeneemt. Daarom wil het aan verpleegkundigen concrete handvatten aanreiken. Het biedt zowel inhoudelijke als methodische inzichten over de rol van de verpleegkundige bij de spirituele zorg aan patiënten.

Het boek bevat vijf hoofdstukken. In een eerste hoofdstuk komen de auteurs tot een functionele werkdefinitie van spirituele zorg. Daarnaast staan ze ook stil bij de verschillende redenen waarom deze zorg tot het takenpakket van de verpleegkundige behoort. Het tweede hoofdstuk is veel praktischer van aard en maakt de spirituele zorg naar verschillende doelgroepen concreter.In het derde hoofdstuk staan de auteurs stil bij de eigen spiritualiteit van de verpleegkundige. Ze vinden het noodzakelijk dat de verpleegkundige zich bewust wordt van de eigen waarden en overtuigingen en reiken hiervoor reflectiemethodes aan. Ook communicatieve aspecten komen hier aan bod. In hoofdstuk vier komt de methodiek in het vizier: de aandacht voor spiritualiteit in de verschillende fasen van het verpleegkundig zorgproces wordt belicht. In het afsluitende hoofdstuk wordt stilgestaan bij het feit dat spiritualiteit een onderdeel kan zijn van het kwaliteitsbeleid van zorginstellingen.

De achterflap vermeldt dat het boek geschreven is voor verpleegkundigen en verpleegkundigen-in-opleiding. Als pastor krijg je daardoor goed zicht op hun taalspel. Ik vind dit drie jaar oude boekje een aanrader, zeker voor pastores die op zoek zijn naar geïntegreerde zorg. Het geeft een duidelijk overzicht van verpleegmodellen waarin aandacht besteed wordt aan spiritualiteit. Het geeft ook inzicht in redenen waarom het voor verpleegkundigen niet evident is om bij spirituele vragen stil te staan. Het doet je als pastor ook reflecteren over wat onder spirituele zorg verstaan kan worden. Ik neem me voor om het in de werkgroep zingeving in ons psychiatrisch centrum als gespreksstof te hanteren.

Mieke Van Steelandt

Uit: Pastorale Perspectieven nr. 140

naar boven

God in gedichten. De mooiste religieuze poëzie van de twintigste eeuw uit de lage landen

Harry Gielen en Piet Thomas (red.), God in gedichten. De mooiste religieuze poëzie van de twintigste eeuw uit de lage landen, Tielt, Lannoo, 2008, 412 blz. ISBN: 978 90 209 7301 3

Wie in de pastoraal werkzaam is, weet hoe moeilijk het soms is om de juiste teksten te vinden. Nochtans zijn ze heel bruikbaar tijdens rituelen of vieringen, en kunnen ze er – indien ze juist gekozen zijn – een dimensie aan toevoegen. Veelal zijn bundels verzamelwerken van één auteur, en als ze dan toch thematisch te werk gaan, bieden ze niet altijd de kwaliteit die pastores vaak verwachten. Daar komt met deze bundeling van Harry Gielen en Piet Thomas verandering in.

Gielen en Thomas zijn op zoek gegaan naar God in gedichten uit de twintigste eeuw. Niet alleen hebben ze hun meest indrukwekkende vondsten verzameld, ze hebben ze ook thematisch samengebracht. Maar liefst 14 categorieën komen aan bod: schepping, zoektocht met vragen, de kracht van een Naam, langs Bijbelse wegen, Advent en Kerstmis, Jezusverhalen, de Paasperiode, van Pasen tot Pinksteren, Psalmen achterna, inkeer en gebed, van vrede na strijd, Licht op de weg, heilige plaatsen, en de overoever. Goed voor een driehonderdtal gedichten die stuk voor stuk op hun eigen wijze met het brede thema aan de slag gaan.

De kwaliteit van de geselecteerde gedichten is erg hoog, en ‘ondanks’ de thematische aanpak is ook de verscheidenheid binnen de gedichten erg groot. Dat geeft de ‘zoeker’ de kans om altijd wel teksten te kiezen die hem of haar aanspreken, of die het best bij de gelegenheid passen. De ‘oorspronkelijke taal’ van de auteur is behouden gebleven, en zo krijg je een enkele keer wel eens – in onze oren – een archaïscher gedicht, of een voor onze ogen wat stroever leesbare tekst; maar het blijft allemaal zeer de moeite waard. De redacteurs kunnen terugkijken op een meer dan geslaagd verzamelwerk, en pastores en godsdienstleerkrachten die regelmatig met teksten en gedichten aan de slag zijn, kan deze bundel enkel maar heel erg warm aanbevolen worden. Het verdient een centraal plaatsje in de pastorale kast.

Wim Smit

Uit: Pastorale Perspectieven nr. 140

naar boven

Religie terug van even weggeweest. Maar waar is God?

Gerrit Manenschijn, Religie terug van even weggeweest. Maar waar is God?, Meinema, 216 p.

Manenschijn heeft wat met het begrip secularisatie en wil een substantïele bijdrage leveren om het in zijn juiste perspectief te plaatsen. De protestantse theoloog vertrekt vanuit een sociologische analyse, die hij illustreert met persoonlijke ervaringen en met passages uit de meest uiteenlopende literaire genres. In het begin van het werk wordt reeds duidelijk welke conclusie hij hieraan verbindt: er bestaat steeds minder behoefte aan collectief beleden geloofswaarheden, terwijl de betrokkenheid bij een ‘transcendente en persoonlijke spiritualiteit’ toeneemt. Het heeft ervoor gezorgd, dat de kerk massaal wordt verlaten en hij wijt dit, niet ten onrechte, aan een crisis van het geloven.

De auteur merkt echter voldoende signalen, die wijzen op een verhoogde gevoeligheid voor religieuze thema’s in het publieke domein. Een eerlijk en intellectueel debat kan uiteindelijk mensen inspireren om ook hun levenswijze op gelovige inzichten af te stemmen. Geloven doet men immers met hart én hoofd, of om de terminologie van de auteur te citeren, met een binnen- en een buitenperspectief. Daarin bestaan verschillende gradaties, waarbij hij zijn voorkeur laat blijken voor mensen die oprecht geloven, maar wel het buitenperspectief van critici serieus nemen.
‘Geloof dat geen kritiek verdraagt, sluit zich op in zichzelf en verliest het contact met de buitenwereld.’ In de geschiedenis is meer dan één negatief voorbeeld te geven van tot wat iets dergelijks kan leiden. Enkele citaten van bijbelteksten waarop historische kritiek werd toegepast, maken dan weer duidelijk hoe verhelderend dit kan zijn voor het ontwikkelen van geloofsinzichten. ‘Geloof dat niet meebeweegt op de adem van de tijd verschrompelt tot starre leerstelligheid.’

In deze context wordt de discussie over de verhouding tussen moraal en religie aangesneden. Manenschijn baseert zich op het denkkader van Kant, waarin het categorisch imperatief het sleutelbegrip vormt en citeert: ‘voor een juist ethisch oordeel is een hoger gezag vereist dan de eigen morele overtuiging’. Via diverse passages uit de bijbel komt hij uit bij de mens, die door God in staat wordt geacht om zich een ethisch oordeel te vormen, als hij de private moraal maar overstijgt.

Wie die God is komt aan bod in de volgende hoofdstukken. De auteur zet zich af tegen een trend om God niet langer als persoon voor te stellen en begeeft zich in het grensgebied van de filosofie en de theologie. Vooral zijn visie op de voorstelling van God als triniteit is vermakelijk. En de vraag of God een discriminerende en/of bevrijdende God is, krijgt andermaal een antwoord in verschillende bijbelse tekstfragmenten die uitgebreid worden becommentarieerd.

De auteur maakt de cirkel rond, door de laatste hoofdstukken te wijden aan de rol die religie in onze samenleving nog te spelen heeft. Thema’s als veiligheid, huwelijk en gezin, de rechtsstaat,… maken duidelijk, dat bijbelverhalen over God niet alleen geloof aanreiken, maar ook gemeenschap en sociale verantwoordelijkheid. Een werk dat vlot leest, soms uitdagende standpunten inneemt, maar toch verheldert en doet reflecteren. Een aanrader voor geëngageerde gelovigen.

Boudewijn Baeskens

Uit: Pastorale Perspectieven nr. 140

naar boven

Over schuld en schaamte

Arthur Hegger, Pieter Lootsma, Philip Hermans, Johnny Fontaine, Doris Nauer, Over schuld en schaamte, Tweede serie Geestelijke Volksgezondheid, Deel 2-67, KSGV, Tilburg, 2005, 100 p.

Hoe verhouden schuld en schaamte zich tot elkaar? Hoe ernstig moeten we ze nemen en wat als we ze veronachtzamen? Wat leren schuld en schaamte ons over mens zijn? En hoe zit het met het zogenaamde onderscheid tussen schuld- en schaamteculturen? In dit boek staan vijf auteurs van uiteenlopende achtergrond stil bij deze vragen.

Arthur Hegger opent de bundel met herkenbare voorbeelden van schuld en schaamte uit de psychotherapeutische praktijk. Hij maakt duidelijk hoe schuld, schuldgevoel en schaamte van elkaar onderscheiden kunnen worden en hoe het één effect kan hebben op het ander. Verhelderend is zijn beknopte omschrijving: “Schaamte is de ondermijning van het zelf, schuld komt voort uit de daad die ik een ander aangedaan heb. Schuldgevoel ontstaat uit gewetensdruk, zonder dat die te herleiden is tot een daad tegen een ander” (p. 25).

In de tweede bijdrage heeft Pieter Lootsma het vanuit zijn ervaringen als gevangenispredikant over schuld als eigentijds taboe. Vanuit zijn definitie van schuld als het “tekortschieten in wezen 1) in wie je in je eigen beleving ten diepste bent; 2) in wie en in wat jij je loyaal betoont; en 3) in waar jij vandaan komt en waar jij naartoe leeft” (p. 31) gaat hij dieper in op het onderscheid en de wisselwerking tussen deze existentiële schuld en schuld in juridische zin. Deze existentiële schuld ten overstaan van ons eigen zingeving/waardesysteem en onze bestemming is veel moeilijker onder ogen te zien dan de tweede. En toch kan net het gesprek over deze eerste vorm van schuld zo bevrijdend zijn – niet alleen overigens bij gevangenen!

In de twee volgende bijdragen nemen Philip Hermans en Johnny Fontaine een aantal theorieën over schuld en schaamte en het onderscheid tussen schuld- en schaamteculturen op de korrel. De eerste doet dit vanuit onderzoek naar schaamte en schuld bij Marokkaanse jongeren. De tweede doet dit vanuit recent literatuur- en empirisch onderzoek naar de structuur van schuld- en schaamtereacties in verhouding tot situatie, persoon en cultuur. Beide auteurs komen van hieruit elk tot boeiende eigen definities en onderscheidingen die hier echter moeilijk samengevat kunnen worden.

In de laatste bijdrage gaat Doris Nauer vanuit pastoraal perspectief in op de rol van schuld in de christelijk gemotiveerde geestelijke verzorging of zielzorg. Na een verheldering van haar kennistheoretische doelstellingen belicht zij deze kwestie achtereenvolgens vanuit een pastoraal-psychologische, een bijbels-theologische en een diakonaal-politieke invalshoek. Op haar gekende manier legt ze daarbij een aantal accenten – in polemiek met een aantal andere auteurs. Ze eindigt met een samenvattend pleidooi voor een multidimensionaal concept van christelijke zielzorg en een navenante alledaagse praktijk van zielzorgers.

De onderscheiden perspectieven en de verschillende opvattingen en definities over schuld en schaamte die de auteurs hanteren, tonen hoe complex dit ogenschijnlijk eenvoudige veld wel in elkaar zit. Dat maakt net de rijkdom en het uitdagende van deze bundel uit.

Koen De Fruyt

Uit: Pastorale Perspectieven nr. 140

naar boven

Het jaar dat mijn vader stierf. Briefwisseling met Anselm Grün

Leo Fijen, Het jaar dat mijn vader stierf. Briefwisseling met Anselm Grün, Ten Have, 223 p.

8 mei 2008. Dag op dag tien jaar geleden stierf mijn vader. Op die dag viel dit boek me toe in mijn brievenbus: Het jaar dat mijn vader stierf. Briefwisseling met Anselm Grün.”, van Leo Fijen. Een half jaar geleden vroeg een collega me of ik af en toe een recensie wilde schrijven. Ik hapte meteen toe. Een lijst met tientallen titels kreeg ik. Ik las ze en voelde me als een kind in een snoepwinkel. Daaruit koos ik drie titels in de volgorde van mijn voorkeur. Ik zette dit boek op één en voegde er twee aan toe, nog opmerkend dat het helemaal niets gaf, mocht iemand anders dit boek al gereserveerd hebben. Want sinds ik Anselm Grüns “Spiritualiteit van beneden” had gelezen, wist ik: wat hij zegt of schrijft zal mijn kern raken en openbreken. Met Grün wordt er niet boven, rond en over kwetsuren heengesprongen, maar dwars erdoor en midden erin. Om daarna op te staan. En te Leven. Ik vreesde het en verlangde ernaar, misschien wel al tien jaar. Hem (met hoofdletter) “kennende” had ik het kunnen weten: mij viel natuurlijk dìt boek toe. En geen ander. Op 8 mei dus.

Leo Fijen is schrijver en presentator van het RKK-televisieprogramma “Kruispunt”. Hij is ook echtgenoot, vader, broer en zoon. Vooral die laatste relatie wordt in dit boek ten diepste gevierd. Wat aanvankelijk begint als een briefwisseling over de waan van de dag, het verlangen naar stilte en naar leven in Zijn spoor, ontspint zich tot een innige uitwisseling van ervaringen wanneer Fijens vader ziek wordt en sterft.

Fijen laat je op een ontwapenende manier kijken in zijn hart. Wanneer zijn vader zieker wordt, verinnigt alles rondom beiden zich. Grün wenst hem de engel van de oplettendheid toe: dat in het licht van de dood alle woorden, gebaren en “kleine” gebeurtenissen beklijvend mogen worden. Ze voeden Fijen, geven hem nu reeds kracht waaruit hij na zijn vaders dood nog vaak zal putten. Dat uit zich in prachtige beelden die Fijen gebruikt als: “Het dak boven mijn hoofd is weg.”

“Goede Anselm”, “Dierbare Leo”. Zo schrijven beiden elkaar aan. Er is in de eerste plaats een diepe vriendschap. Maar in de wijze waarop ze elkaar dingen aanrijken zullen vele pastores iets herkennen. Grün weerspiegelt Fijens aanzet, gaat op zijn ritme mee in zijn spoor. Wat Fijen hem geeft trekt hij open, brengt hij voor God. Een pastorale houding “met oren en poten”, waarmee je aan de slag kan. Hieruit blijkt ook hoe belangrijk het als pastor is om je eigen spiritualiteit te blijven voeden aan de bron.

Grün werkt als een blik-opener op Gods liefde. Hij helpt blootleggen wat al in Fijens hart leeft: de dood is geen eindpunt, maar een begin. In onze zielekern ligt een schat die God en onze ouders hebben neergelegd. Doorheen de pijn van het afscheid en sterven worden we uitgedaagd om die kern te ontwikkelen en in ons leven te integreren. Niet als een kopie, maar op onze eigen unieke wijze. Dit verbindt ons op een nieuwe wijze met God en onze geliefden. Rouwen is bewegen, vernieuwen, vooruitgaan, bouwen en opbouwen vanuit onze wortels in God en onze ouders. Zo wordt hun dood vruchtbaar.

Als rouwende maakt dit boek je vederlicht. Als pastor krijg je nog méér smaak in je werk. De brieven kunnen afzonderlijk heel goed als leesleutel gebruikt worden, afhankelijk van het thema dat bovendrijft.

Laura Le Roy

Uit: Pastorale Perspectieven nr. 140

naar boven

Jij - onzichtbaar bij mij. Als je een kind verloren  hebt

Marinus van den Berg, Jij – onzichtbaar bij mij. Als je een kind verloren hebt, Altiora, Averbode, 128 p.

Een kind verliezen. Het is een nachtmerrie voor ouders en spijtig genoeg een realiteit voor heel wat mensen. Voor wie het meemaakt is het een emotionele aardbeving. Verdriet, woede, angst, eenzaamheid, depressiviteit,… allerlei emoties tollen ongecontroleerd door hun binnenste. Het kind lijkt weg, maar het blijft onzichtbaar aanwezig. Hoe vinden mensen hun weg in deze jungle van gevoelens en gedachten? Hoe geven mensen uiting aan een dergelijk onnoembaar leed? Marinus van den Berg besteedt veel van zijn tijd aan luisteren naar ouders en grootouders, broers en zussen, die al vertellend proberen zicht te krijgen op hun innerlijke chaos. Vanuit deze verhalen gaat hij op zoek naar woorden die helpend kunnen zijn.

Dit schroomvol, tastend zoeken drukt hij uit in een aantal gedichten. Een dichter kan immers een wereld oproepen die in eerste instantie onzichtbaar lijkt. Een leed dat niemand zich kan voorstellen maar slechts kan vermoeden, een leed dat niet te peilen is, kan misschien slechts op deze wijze draaglijker gemaakt worden. Woorden geven aan datgene wat sprakeloos maakt kan troostend zijn. Daarom is dit boekje een aanrader voor al wie als familielid, vriend of hulpverlener rouwende mensen nabij wil zijn.

Bij het boekje hoort ook een cd met wat langere teksten. Ze zijn geschreven voor groepen van lotgenoten. Ze nodigen uit om bij de eigen emoties te komen en hierover in gesprek te gaan met elkaar. Het boekje is geïllustreerd met schilderijen van Wouter Stips.

Lieve Verbiest

Uit: Pastorale Perspectieven nr. 140

naar boven

Het was toch een mooi leven. Rouw van ouderen om het verlies van een partner

Arthur Polspoel, Het was toch een mooi leven. Rouw van ouderen om het verlies van een partner, Ten Have, 112 p.

Vergrijzing is een heel actueel thema. Meer en meer mensen worden oud. Zij worden meer dan vroeger met de dood geconfronteerd op hoge leeftijd: dood van de partner, kinderen of kleinkinderen, of de dood van goede vrienden. Vele mensen gaan ervan uit dat oudere mensen zich sterk bewust zijn dat de dood ook in hun naaste omgeving kan toeslaan. En dat ze, als het zover is, de dood en de rouw gemakkelijk kunnen hanteren. Alsof de dankbaarheid over hun hoge ouderdom de pijn zou verzachten. Toch is dat niet zo. Zeker bij zorgbehoevende ouderen en ouderen die weinig perspectieven hebben, kan rouwverwerking een bijzonder moeilijke opgave zijn waar bovendien doorgaans weinig aandacht aan besteed wordt door de omgeving.
Dit heel gedegen boek handelt over dit thema: hoe beleven ouderen de dood van hun geliefden, en hoe kunnen medestanders hen bijstaan in hun pijn en verdriet? Arthur Polspoel is al jarenlang een heel bedreven pastoraaltheoloog met beide voeten in de concrete wereld van rouw en rouwverwerking, en is ook in Vlaanderen een heel graag geziene supervisor. Aan dit en zijn andere boeken is zijn grondige kennis en jarenlange ervaring te voelen.

In dit boek schrijft hij heel genuanceerd over de verschillende reacties op rouw en de uitingen van rouwen. Meermaals zijn variaties te lezen op de uniciteit van elk rouwproces. Een ander accent van het boek is dat men niet rechtlijnig uit de uitwendige reactie van een rouwende iets kan afleiden over wat rouwen met de rouwende doet. Elk rouwproces moet daarom met de nodige omzichtigheid benaderd worden. Doorgaans gaat het verwerken doorheen regelmatige confrontatie met het verlies, waardoor het verlies zelf zijn scherpte verliest. De rouwende kan stilaan verder leven met het verlies zonder dat emoties zijn leven totaal ontredderen of onmogelijk maken. Bij het rouwproces is de herkenning en het respect voor de gevoelens van de rouwende door betekenisvolle omstanders, van groot belang. Uiteindelijk is het rouwproces, dat niemand kan overnemen, een soort pelgrimstocht doorheen de eenzaamheid. Maar door de kwaliteit van de contacten die een rouwende heeft, kan het rouwproces minder eenzaam worden. De warme, respectvolle aanwezigheid en de erkenning van de gevoelens van de rouwende, is van groot belang om zich niet alleen te voelen op de weg die de rouwende zelf moet gaan. Bij gelovige mensen is het ook zinvol om een evaluatie te maken van de invloed die hun geloof heeft op de verwerking van het verdriet. Polspoel schetst hierbij een aantal geloofshoudingen en de invloed daarvan.

Het boek is een absolute aanrader, om niet te zeggen verplichte lectuur, voor al wie ouderen in rouw nabij wil zijn. De verhalen uit de praktijk en het doordenken daarop, zullen zeker de kwaliteit van aanwezigheid verhogen.

Bart Fivez

Uit: Pastorale Perspectieven nr. 140

naar boven

De kerk bloost. Pleidooi voor een gedurfder beleid

Jürgen Mettepenningen, De kerk bloost. Pleidooi voor een gedurfder beleid, Davidsfonds, 176 p.

De auteur wil in dit boek de kerk radicaal in de maatschappij plaatsen. Om dit te realiseren acht Mettepenningen het nodig dat de kerk zich durft te laten bevragen door de maatschappij en dat ze tegelijk de nodige uitdagingen formuleert aan diezelfde maatschappij. ‘Elkaar uitdagen is om liefde vragen’, is dan ook een motto waaronder dit boek geschreven is en waarbij de kerk en de maatschappij de twee partijen zijn.

De auteur begint met het benoemen van vijf gezamenlijke uitdagingen van kerk en maatschappij: de vergrijzing, het engagement op lange termijn, de vrijheid, de instituten en het leiderschap. Je zou verwachten dat hij vanuit deze vijf items de wederzijdse uitdagingen gaat analyseren. Maar er wordt niet echt verder op ingegaan. Het boek lijkt eerder geschreven vanuit een ongeduld met een aantal kerkelijke richtlijnen of houdingen. De omgang met de media, het godsdienstonderwijs, de vergrijzing en de onkunde ten aanzien van de jongeren, de liturgie, het homohuwelijk, vrouwelijke priesters: het zijn nog niet alle thema’s die de revue passeren op 180 bladzijden.

Er worden dus zowel binnenkerkelijke thema’s aangesneden als thema’s die zich situeren op de rand van kerk en maatschappij. Die vaststellingen laten de lezer achter met het gevoel dat punten worden aangeraakt, maar niet echt worden uitgediept. En dat schijnt ook niet echt de bedoeling van de auteur. Hij stelt vooral dat het ‘voeren van een gedurfder beleid’ zich opdringt en geeft daartoe de nodige aanzetten in de vorm van stellingen, pleidooien en uitdagingen aan het kerkelijke beleid. Op die manier wil hij het gesprek op gang trekken over de ‘hete hangijzers’ in de kerk anno 2008. Een moedige uitdaging voor iedereen die van ver of dichtbij betrokken is bij de kerk.

Lea Verstricht

Uit: Pastorale Perspectieven nr. 140

naar boven

Het evangelie volgens mij, een brug tussen Zijn en ons leven

Marc Desmet, Het evangelie volgens mij, een brug tussen Zijn en ons leven, Lannoo, 2008.

Een geestig boek. Ik moest glimlachen, soms zelfs lekker schateren. Niet in het minst om de titel, die zo ontwapenend fris is. Lachen. Niet meteen wat je verwacht van een religieus boek. Van de tijdsgeest die Desmet beschrijft wordt je nochtans niet vrolijk: in onze westerse cultuur overheersen autonomie, zelfbeschikking en absolute vrijheid als “doen waar ik zin in heb”. Voor elk probleem valt wel een oplossing te bedenken, alles is maakbaar en ons leven goed gevuld. Van God is weinig of geen sprake. Een catastrofaal begin.

Maar een gevuld leven geeft niet steeds een vervuld gevoel. Het verlangen groeit om – méér nog dan te (over)leven – te Léven. Tegenover de uitzichtloosheid staat de waakzaamheid voor tekenen van een nieuwe lente.

Desmet nodigt uit om via het Woord een brug te slaan tussen ons leven en dat van Jezus. Daarvoor citeert hij uit het eerste en tweede testament, vooral uit de evangelies.

Hoe het evangelie op mijn leven leggen? Hoe Jezus’ spoor volgen? Ook hierin is Desmet (h)eerlijk menselijk: hij maakt je deelgenoot van zijn ervaringen als mens, als arts en als Jezuïet en deinst daarbij niet terug voor een aangename dosis zelfspot. Opnieuw: een geest-ig boek in de heerlijk aardse zin van het woord. Geen grote woorden, geen strenge voorwaarden om tot bidden te komen. Begìn gewoon, doe ìets, kom in beweging. Ook “God uitzuchten” is prima. Vertrouwen. Zo mooi is dit beeld: “Je moet je zeil uitrollen zodat je wat wind kunt vangen en merken vanwaar hij komt, en nadien kun je nog altijd de richting aanpassen.” God geeft zich aan ons doorheen Jezus: bij Hem heerst liefde, en Hij wil dat liefde ons leven geheel-en-al beheerst. Jezus’ leven, sterven en verrijzenis roepen op tot groei: worden wie ik ten diepste ben, in verbinding met de Andere en de anderen rondom mij. En van daaruit kiezen, handelen, leven. Ondanks en dankzij allerlei kwetsuren: lichamelijk, psychisch, materieel, relationeel, ...

Christenen beleven tijd anders: trager, intenser. Op het vlak van het gebed valt volgens Desmet de liturgische cyclus niet samen met een tijdsindeling. Het kan elke dag Advent zijn, Kerstmis of Pasen. Op elk moment kan er iets nieuws op ons toe-komen (ad-vent) wanneer we open-gaan, “schoot” worden. Het Rijk Gods is altijd in aantocht. Vanuit dat geloof ontvouwt zich geleidelijk aan een nieuwe beweging: het beleven van het buitengewone in het gewone. Meer nog: de roeping om het gewone op een buitengewone manier te dòen. Met die christelijke voelsprieten naar wat in de diepte leeft spring je niet altijd ver. Je staat soms op een eenzame plek ten opzichte van geliefden en de maatschappij-met-al-haar-verwachtingen waarin je leeft. Een lapmiddeltje voor pijn is het niet. Evenmin beschermt het je tegen illusies. Maar je Leeft wel. Met hoofdletter. Je hebt lief. En je houdt het vuur brandend.

Laura Le Roy

Uit: Pastorale Perspectieven nr. 141

naar boven

Psalmen van een vrouw

Maria de Groot, Psalmen van een vrouw, Uitgeverij Ten Have, Kampen, 2008, 95 p.

Maria de Groot is theologe en dichteres. Zij publiceerde een twintigtal dichtbundels en enkele boeken over spiritualiteit. “Psalmen van een vrouw” schreef ze in een tijdsbestek van 25 jaar. Een deel van deze psalmen werden al in het begin van de jaren tachtig gepubliceerd, onder dezelfde titel.

De bundel bevat “liederen van strijd en ongeduld, vreugde en vertrouwen, geschreven door een vrouw die blijft hopen op de nieuw wereld”. Zo beschrijft de auteur haar werk in het voorwoord. De gedichten zijn opgedeeld in drie thema’s : vreugde, strijd, en gedachtenis. De thematiek van uitzien naar een nieuwe wereld is inderdaad sterk terug te vinden in deze bundel. Je vindt er allusies in op hedendaagse thematieken zoals kindsoldaten, de conflicten in het Nabije Oosten. Het feministische perspectief is ook sterk aanwezig.

In vele gedichten herken je gedachten die geïnspireerd zijn op de Bijbelse psalmen en andere Bijbelteksten, maar daarnaast overheersen de persoonlijke ontboezemingen van de auteur.
Het boekje heeft me niet sterk geboeid. Slechts enkele gedichten konden mij bekoren. Ik vind de taal weinig toegankelijk en vaak hoogdravend. Ik zie het mezelf ook niet gebruiken in mijn werk. Mensen die zich wel aangesproken weten door de stijl van Maria de Groot kunnen er wellicht een inspiratiebron voor persoonlijke bezinning of gebed in vinden.

Mieke Van Steelandt 

Uit: Pastorale Perspectieven nr. 141

naar boven

Paulus. Een kennismaking

Joël Delobel, Paulus. Een kennismaking, Antwerpen, Halewijn, 2008, 128 blz.

Er is al erg veel geschreven over Paulus als boeiend historisch figuur, en als grote maar moeilijk te doorgronden schrijver van brieven aan de eerste christengemeenschappen. Paulus’ theologie is enerzijds vanzelf al een staaltje van hoogstaande verfijndheid, maar anderzijds ook zeer getekend door een tijd en een wereld die ons vandaag de dag niet meer zo bekend zijn. Helaas zijn de boeken over Paulus vaak zo hoogdravend als Paulus’ eigen theologie – het is dan ook niet zo eenvoudig om complexe theologie in eenvoudige bewoordingen te verhelderen. Maar met dit boekje is eminent Pauluskenner Joël Delobel er zonder meer in geslaagd om een begrijpelijke eerste kennismaking met Paulus en enkele grondlijnen van diens theologie neer te schrijven.

In het eerste hoofdstuk stelt de auteur de vraag waarom Paulus toch zo moeilijk is. En hij beantwoordt zijn eigen vraag door in te gaan op de afstand in tijd en ruimte en de beslagen joodse achtergrond van Paulus zelf. Daarna zet hij beknopt uiteen waarom Paulus’ geschriften ook voor ons vandaag niettemin belangrijk en boeiend theologisch materiaal, en een blijvende bron van spiritualiteit zijn. Het tweede hoofdstuk vertelt ons heel wat meer over wat we weten over Paulus, en dat blijkt heel veel en veel te weinig tegelijk te zijn. Dit hoofdstuk is dan ook een speurtocht door wat we wel en niet weten, en wat hulpvol had kunnen zijn om te weten, over de historische figuur die Paulus is. Onze gidsen zijn hier Handelingen en Paulus’ eigen brieven. Het volgende hoofdstuk sluit daar naadloos bij aan, en gaat in op de joodse achtergrond van Paulus en het belang dat die achtergrond heeft voor zijn eigen theologie. Zijn blijvende nauwe joodse betrokkenheid en het impact dat dit heeft op Paulus’ denken, zal ongetwijfeld bijzonder verhelderend zijn voor wie dit een echte eerste kennismaking is.

Hoofdstuk vier kan gezien worden als een overgangshoofdstuk tussen het eerste, meer historische luik, en het tweede luik waarin vooral de theologie van Paulus centraal staat. Dit tweede luik vergt wat meer inspanning van de lezer, maar is thematisch geschreven, en in die zin in ieder geval best wel toegankelijk. In het vierde hoofdstuk staat de roeping van Paulus tot apostel – zoals hij zichzelf noemt – centraal. Wat hij daar zelf over geschreven heeft, is verrassend genoeg heel erg kort, maar gelukkig vinden we hier opnieuw wat aanvullende aanknopingspunten in Handelingen. Het vijfde hoofdstuk is het eerste in een reeks van zes waarin verschillende aspecten uit Paulus’ theologie wat meer worden uitgediept: zijn inzichten en overtuigingen over God (theologie), Jezus (christologie), heil (soteriologie), kerk (ecclesiologie), het einde (eschatologie) en de ethiek komen aan bod. Het zijn hoofdstukken die zich door de niet-theoloog vermoedelijk toch een stukje trager laten lezen, en heel wat meer grondige aandacht vragen. Maar het blijven steeds heldere en doorworstelbare eerste kennismakingen.

Je kan over deze inleiding alleen maar enthousiast zijn. Wie weet hoe complex Paulus’ theologie is, en wie er dit boekje bij doorneemt, zal merken dat Paulus soms weldegelijk in relatief eenvoudige bewoordingen toe te lichten is. Met een korte verdieping in twee van Paulus’ meest gewraakte uitspraken, namelijk dat de man het hoofd is van de vrouw, en dat vrouwen tijdens de samenkomsten moeten zwijgen, haalt Delobel bovendien ook meteen enkele vooroordelen weg, en geeft hij de lezer in het laatste hoofdstuk opnieuw te denken over de tijd en de ruimte waarin Paulus schreef.

De intentie van het boek is om Paulus’ en zijn theologie een stukje dichter bij mensen te brengen met een gezonde theologische nieuwsgierigheid, maar zonder theologische opleiding, en dat is zonder twijfel ook gelukt. Wie ooit meer heeft willen weten over deze boeiende figuur, maar er nooit heeft aan durven beginnen, heeft met dit boekje een uitstekend instrument in handen om de eerste stapjes toch maar te zetten.

Wim Smit 

Uit: Pastorale Perspectieven nr. 141

naar boven

Licht in het duister. Woorden van steun bij ziekte

Manu Keirse, Licht in het duister. Woorden van steun bij ziekte, Lannoo, Tielt, 2008.

De auteur analyseert op een haarscherpe manier en in de hem geëigende stijl wat ziek zijn voor elke mens en zijn directe omgeving betekent. De vertrouwensrelatie en het partnerschap met de behandelaars krijgen hierin een prominente plaats. Aan de hand van heel wat concrete vragen, probeert hij inzicht te krijgen in de talrijke processen en ‘procedures’ die hiermee verband houden. Hij is kritisch voor een te ver doorgedreven specialisering, economisering en vertechnisering in de gezondheidszorg en reikt de wet op de patiëntenrechten aan, omwille van haar humaniserende effecten.

Ook existentiële vragen komen aan bod. Kan iemand die zwaar ziek is nog gelukkig zijn? En hoe kan men zich verzoenen met de naderende dood? Dit alles tegen de achtergrond van een samenleving die sterk geïndividualiseerd is en met dood en lijden nauwelijks om kan.

De auteur maakt duidelijk dat ziek zijn een bij uitstek relationeel gebeuren is en probeert hen die ermee worden geconfronteerd weerbaarder te maken en hoopvol te stemmen. Het geheel is zeer toegankelijk en wordt opgesmukt met enkele mooie teksten en gedichten. Een ‘geschenktip’ bij een ziekenbezoek, dat meer wil zijn dan een beleefdheidsbezoek.

Boudewijn Baeskens

Uit: Pastorale Perspectieven nr. 141

naar boven

Ik wil graag met je praten

Inga Teekens, Ik wil graag met je praten, Ten Have.

De auteur denkt na, bijna ‘luidop’, over de manier waarop zij communiceerde met haar ouders. Het verhaal probeert haar zoektocht naar haar eigen innerlijke wereld te reconstrueren en in het bijzonder de relatie met haar moeder aan een ‘gewetensonderzoek’ te onderwerpen. Zij komt tot verbijsterende en tegelijk verhelderende conclusies: niet alles wat een moeder-dochter-relatie in zich heeft is zaligmakend. Naarmate zij ook inzicht verwerft in de innerlijke wereld van haar moeder, maakt het begrijpen ruimte voor begrip, het leven ruimte voor medeleven.

Doorheen een groot aantal ingrijpende en persoonlijke ervaringen leert zij via het medium taal genuanceerder de realiteit te benoemen. Het blijkt een belangrijke opstap in het aanvaarden van zichzelf en die andere, en komt tegemoet aan het verlangen naar (h)erkenning en verbinding. Maar tegelijk erkent de auteur, dat dit geen rechtlijnige beweging is: in een fractie van een seconde kan dit verlangen evolueren van stimulerend naar depressief.

De brief die zij op het einde van het boek aan haar moeder schrijft sluit dit proces af, maar zal haar hele verdere leven blijven kleuren.

Een autobiografisch werk dat weliswaar mooi en vlot werd geschreven, maar een echte verhaallijn mist en daardoor extra inspanningen vraagt gelezen en ten volle begrepen te worden.

Boudewijn Baeskens

Uit: Pastorale Perspectieven nr. 141 

naar boven

Van levenskunst tot stervenskunst. Over spiritualiteit in de palliatieve zorg

Carlo Leget, Van levenskunst tot stervenskunst. Over spiritualiteit in de palliatieve zorg, Lannoo, Tielt, 2008, 215p.

Vijf jaar geleden kwam het eerste boek van Carlo Leget uit, Ruimte om te sterven. Daarin vertaalde hij het middeleeuwse ars moriendi-model naar onze tijd aan de hand van vijf spanningsvelden: 1. Ik en de ander, 2. Doen en laten, 3. Vasthouden en loslaten, 4. Vergeven en vergeten, 5. Geloven en weten. Zowel zorgverleners, zieken en hun naasten vonden inspiratie in dit model. Zozeer zelfs dat op een aantal werkplekken initiatieven gegroeid zijn om spiritualiteit in de palliatieve zorg handen en voeten te geven, dwz bespreekbaar en bruikbaar te maken onder werknemers en bij patiënten. Dit boek wil dan enerzijds ook concrete handvatten aanbieden voor de praktijk en anderzijds meer aandacht geven aan de achtergronden van spiritualiteit, omgang met de dood en de herkomst van het ars moriendi-model. Het centrale begrip in het boek is innerlijke ruimte. Juist die metafoor verbindt levenskunst en stervenskunst. (Leget is er gelukkig wel voor beducht om noch van het leven, noch van het sterven iets romantisch te maken dat je ook al verplicht ‘goed moet kunnen’.) Als lezer krijgen we zes mogelijke toegangen aangereikt om onze eigen innerlijke ruimte, onze eigen ‘grond’ te verbreden: humor, lichaam, gevoelsleven, deugden, spirituele tradities en stilte.

Dit boek was voor mij echt leeftocht. Helder, eenvoudig én toch doordacht geschreven. Een goed evenwicht tussen theorie en praktijk, leer-stof en leef-stof. Niet te zwaar en toch geen lichtgewicht. Leget boort bronnen aan uit de literatuur, muziek en film om zijn lezers inzichten te geven. Op de juiste momenten komt hij met een casus, een voorbeeld uit de literatuur of film, een vraag voor de lezer om zélf bij stil te staan. Het is een opluchting dat zowel gelovigen, anders-gelovigen als niet-gelovigen zich aangesproken zullen voelen, juist omdat hij het begrip spiritualiteit zo herkenbaar en religie-overstijgend weet te beschrijven. Het boek is dan ook niet in de eerste plaats bedoeld voor ‘de specialisten van de zielzorg’, maar juist voor allen in de palliatieve zorg – en wat mij betreft ook daarbuiten. Toch vind ik het ook voor pastores uitermate inspirerend.

Het grootste compliment dat ik Carlo Leget dan ook kan geven, is dat zijn boek zélf al innerlijke ruimte geeft. Ik hoop dat er velen zijn die zichzelf het boek gunnen. Er zijn aanzetten genoeg in het boek te vinden om zélf mee aan de slag te gaan op het werk en om ons te inspireren onze eigen innerlijke tuintjes genoeg water te geven!

Ann Verscuren

Uit: Pastorale Perspectieven nr. 141 

naar boven

Seelsorge. Sorge um die Seele

Doris Nauer, Seelsorge. Sorge um die Seele, Kohlhammer, Stuttgart, 2007.

Een professionele zielzorger (het Duitse woord voor pastor) zorgt per definitie voor de ziel van de mens. Maar wat betekent dat concreet? En welke omschrijving van ‘ziel’ kan het uitgangspunt vormen van zielzorg? Op deze en andere vragen tracht Doris Nauer, professor praktische theologie en diaconische pastoraal aan de PTHV in Vallendar, in haar boek Seelsorge. Sorge um die Seele een antwoord te geven.

Voor haar zielzorgconcept vertrekt Nauer vanuit de bijbel, meer bepaald vanuit het multidimensionaal Gods- en mensbeeld dat daarin terug te vinden is. Concreet gaat het dan om de drie-ene God (ervaarbaar als Schepper, mens en Geest) en de zielmens (die bestaat uit lichaam, psyche en geest) ingebed in een sociale context.

Vanuit dat Gods- en mensbeeld komt Nauer tot een brede definitie van zielzorg. Zielzorg is “zorg voor de hele levende mens. Zorg die een leven in volheid voor elke mens probeert te bevorderen.” Omdat die hele levende mens uit een geestelijke, een lichamelijke en een psychische component bestaat en ingebed is in een sociale context, omvat zielzorg een mystagogisch-spirituele dimensie, een pastoraalpsychologisch-ethische dimensie en een diaconisch-profetische dimensie.

Verder bouwend op het Gods- en mensbeeld en de specifieke invulling van zielzorg die daarmee samenhangt, trekt Nauer een aantal conclusies voor de alledaagse praktijk en het rol- en competentieprofiel van de zielzorger.

Nauers boek kan gebruikt worden als een theoretisch handboek voor zielzorgers, maar heeft daarnaast ook een meerwaarde voor mensen in de praktijk. Het daagt zielzorgers uit om vanuit de eigen context een specifiek zielzorgconcept te ontwikkelen.

Seelsorge. Sorge um die Seele is een bron van inspiratie voor pastores die mensen vanuit een christelijke overtuiging en op een hedendaagse manier nabij willen zijn. Door de inzichtelijke manier waarop het zielzorgconcept wordt uiteengezet, is het een voorbeeld voor iedereen die patiënten, familieleden, zorgverleners en directieleden op een verstaanbare manier de eigenheid en meerwaarde van pastoraal wil laten inzien.

Het concept is bovendien eng genoeg om de christelijke identiteit te bewaren en ruim genoeg om verrijkende disciplinaire samenwerking mogelijk te maken. Ik ben er dan ook van overtuigd dat het zielzorgconcept van Nauer het beroep van pastor in deze tijd een nieuw elan kan geven.

Goedele Van Edom

Uit: Pastorale Perspectieven nr. 141

naar boven

De man in het wit

Johnny Cash, De man in het wit, Mozaïek, Zoetermeer, 2008.

De bijbel is een onuitputtelijk boek. Je komt er een massa bijbelse figuren tegen. Voor de ene heb je meer sympathie dan voor de andere. En sommige figuren blijven eerder onbekend voor je. Paulus was voor mij zo’n personage. Er was natuurlijk het besef dat hij een belangrijke rol gespeeld heeft in de geschiedenis en vooral de verspreiding van het christendom. Dat vertellen zijn vele brieven en teksten. Ik had mij nooit verdiept in zijn geschriften. Ik beluisterde ze wel in de liturgie maar dat gaf mij vaak het gevoel dat Paulus moeilijk was. En toch bleef hij mij fascineren, vooral nadat ik een ervaring had die ik mijn “damascuservaring” noem. Ik bleef mij afvragen wie Paulus nu eigenlijk was. Toen stootte ik op het boek: De man in het wit, een roman over Saulus van Tarsus. Het is een historische roman waarbij de auteur “zijn best heeft gedaan om zo zorgvuldig mogelijk met het tijdloze Woord om te gaan” (zie nawoord blz. 228) Maar gezien er niet altijd zoveel historische feiten gekend zijn is een deel van de roman het resultaat van fantasie. Toch doet dit niets af van de waarde van het boek. Voor mij heeft het een licht geworpen op de figuur Saulus van Tarsus, de heftige, fanatieke christenvervolger, die na zijn Damascuservaring met dezelfde gedrevenheid werkt aan de verspreiding van het christendom. Wat er precies in Damascus gebeurd is zal wel nooit iemand achterhalen. Maar dat het een heel sterke ervaring was zal niemand betwijfelen. De ommekeer die zich in Saulus heeft voorgedaan is spectaculair te noemen. In de roman is ruim aandacht besteed aan de periode voor Saulus’ bekering. Daarbij wordt de gruwelijke realiteit van de vervolging van de volgelingen van Jezus niet onder stoelen of banken gestoken. Martelingen met zweepslagen en stenigingen worden beschreven. De positie van Saulus wordt goed in de verf gezet. Daardoor wordt de ommekeer die hij doormaakt geweldig indrukwekkend. De energie die hij besteedde aan vervolging krijgt een ander doel; de verspreiding van de leer van Jezus. In het tweede deel van het boek zien we hoe Saulus, die ondertussen Paulus geworden is, dit in de praktijk brengt. Met een ongelooflijke ijver probeert hij een volgeling van Jezus te zijn die aan vele volken de blijde boodschap verkondigt. Geen inspanning was hem te veel. En zo heeft hij geleefd tot aan zijn dood.

Deze roman heeft mij geholpen om mij een duidelijker beeld te vormen van Paulus. Bijzonder aan dit boek is het nawoord van de auteur. Hij vertelt daarin op een heel eerlijke manier over de worstelingen in zijn eigen leven. Verslavingen en andere problemen waren hem niet vreemd. Op zijn weg van vallen en opstaan kreeg hij interesse voor de figuur van Paulus waarover hij veel las en studeerde. Het bleek een hele klus om zijn roman tot een goed einde te brengen. Het is een proces van jaren geweest. Maar mede door dit werk is zijn leven op een ander spoor gekomen. Het nawoord is sterk en geeft nog een diepere dimensie aan de roman. Het lezen waard!

Lieve Verbiest

Uit: Pastorale Perspectieven nr. 141 

naar boven

Iemand zien staan. Zorgethiek over erkenning

Annelies van Heijst, Iemand zien staan. Zorgethiek over erkenning, Klement, Kampen, 2008, 192 p.

Mensen die zorg dragen en mensen die verzorgd worden, krijgen door de manier waarop ze met elkaar omgaan betekenis voor elkaar. Een verplegende wordt déze unieke ‘jíj’ die ‘mij’ kent. Een patiënt wordt met naam en toenaam aangesproken en zijn familie en dichte vrienden horen bij hem/haar. Met déze hele mens-in-relatie is de hulpverlener begaan. “Het zorgzame engagement vormt de bedding waarin de liefde groeit” (57). Beide worden mens aan elkaar doordat ze elkaar zien staan. In haar boek schetst Annelies van Heijst dat het om iemand gaat, niet om eender wie. En dit over en weer: zowel wie zorg behoeft als wie zorg geeft, is iemand die ook met anderen in relatie 'staat', in waardigheid.

Tussen elkaar zien en iemand zien staan, ligt het pad van de erkenning van wie je ziet. Van Heijst onderkent drie soorten erkenning. De meest intieme gegeven erkenning is die van de liefde om wie-ik-ben. Door deze veelal lichamelijk uitgedrukte erkenning bouw ik zelfvertrouwen en lijfelijk zelfbewustzijn op. De tweede soort erkenning, respect, komt iedere mens toe. Aan de ervaring ervan, hetzelfde als anderen behandeld te worden en gelijke rechten te mogen laten gelden, ontlenen we zelfrespect. De derde soort, sociale waardering haalt de bijdrage van iemand in het maatschappelijk gebeuren naar voor. Uit deze vorm van erkenning kan zelfwaardering geput worden (32-36). Tegenover erkenning staan drie vormen van miskenning. Fysiek geweld en beschadiging van het lichaam, “raakt iemand in hart en ziel. Het beschadigt iemands verhouding tot zichzelf” (37). Miskenning van respect ontstaat wanneer iemand uitgesloten wordt van gelijke rechten. Miskenning van maatschappelijke waardering doet zich voor wanneer iemand genegeerd of niet voor vol aanzien wordt.

Van Heijst baseert de exploratie van erkenning op de filosoof Honneth en voegt daar haar eigen inzichten aan toe (H4). Vervolgens werkt ze deze drievoudige verkenning uit naar de zorgontvangers (H5), professionals in de zorg (H6), familie (H7) en meer specifiek naar artsen (H8). Door meerzijdige partijdigheid waardeert zij de inzet van mensen vanuit verschillende posities.

Respect vraagt erom dat we onze eigen en andermans grenzen erkennen. Tegenover een ontluisterende en lijden toevoegende medische behandeling herwaardeert zij het begrip ‘niet schaden en bij twijfel niets doen’ (128). Alleen in haar commentaar op een casus, mist van Heijst in haar bespreking een element dat volgens mij van doorslag¬gevend belang is in het wederzijds geven van erkenning: het effect van angst. Wie bang is, kan geen erkenning geven, die plooit dicht op zichzelf. Niet alleen patiënten zijn bang (139). Ook professionals en artsen kunnen bang zijn een (HIV) besmetting op te lopen, zichzelf te bezeren of te moeten blijven leven met schuld. Deze angst die er aan de kant van de zorgverleners in het contact eerder uitziet als (beschermend) almachtsgedrag, belemmert dan het aangaan van een persoonsgericht zorgrelatie. Zorg verwordt dan tot (zelf)bescherming.

Iemand zien staan leest als een trein. Het is toegankelijk geschreven in een vlotte taal met voldoende praktijkvoorbeelden. De moeite waard om door te nemen door iedereen die met zorgverlenen en zorgontvangen te maken heeft. Het boek scherpt onze kritische geest en maakt ons vanuit onze eigen positie alert de ander en anderen meer expliciet te erkennen. Iemand zien staan is uitgegeven door Klement, in een handig formaat, juist gepast om mee te nemen voor onderweg.

Marina Riemslagh

Uit: Pastorale Perspectieven nr. 141

naar boven

Mijn partner. Mijn kind. Mijn kanker

F. Van den Bossche, Mijn partner. Mijn kind. Mijn kanker, Uitgeverij Lannoo, Tielt, 2008.

Freya Van den Bossche, zelf psychotherapeute, krijgt op 36-jarige leeftijd te horen dat ze borstkanker heeft. Ze beschrijft haar lijdensweg en die van haar kind en partner met een grote openheid. Freya neemt het gevecht op tegen haar kanker, geheel op eigen kracht, zonder de ruggesteun van een geloofstraditie of grote voorbeelden. Uit het gehele boek blijkt een aanstekelijke levensdrift en een groot relativeringsvermogen.

Natuurlijk steunt Freya op haar geliefden, maar gedurende het gehele ziekteproces wordt ze zich vooral bewust van haar grote innerlijke kracht: ‘Ik kan niet precies in woorden vatten wat daar opborrelt uit het diepst van mijn wezen, maar het raakt aan de kern van wie ik ben. Het is mijn ziel die begint te spreken’ (p. 23). ‘Het herontdekken van mijn ziel bracht me zelfliefde’ (p. 24). Gedurende het ziekteproces ‘is er van binnen iets dat zich in een andere richting plooit, als een ondergrondse rivier die van bedding verandert. Het is heel subtiel en zodra ik (Freya) ernaar probeer te kijken, is het alweer weg. Overgave en vertrouwen. Overgave en vertrouwen’ (p. 69).

Alhoewel de schrijfster nooit over God of religie spreekt, heeft ze toch gevoel voor het transcendente. Ze zoekt haar heil in een eeuwenoude geneeswijze door aanraking: Reiki. Reiki werkt op de energiecentra van het lichaam en stimuleert zowel de algemene gezondheid van de mens als zijn evolutie. Van een vriendin nam ze aan dat je je ‘bestelling voor genezing in het universum’ kan plaatsen en kan ‘wachten op de levering’ (p. 51).

Aan het lijden in je leven moet je volgens Freya zelf zin geven: ‘de draden van het verhaal van je leven verzamelen, nieuwe draden spinnen en hiervan een eigen tapijt weven’ (p. 57). Aan den lijve ondervindt Freya welke houding van vrienden haar echt helpt en welke niet. Mensen die de boodschap geven dat je flink moet zijn, luisteren niet echt: ‘Waarom vroegen ze het me dan als ze niet wilden horen hoe ik me werkelijk voelde?’ (p.85). Zo ontdekt ze dat er mensen zijn die mee helpen dragen en anderen die er voor kiezen om dat niet te doen. Het zijn alleen maar sterke mensen die erbij blijven zonder er iets aan te willen veranderen, zonder het te willen oplossen, zonder het te negeren (p. 94).

Dit verhaal van Freya is een eerlijke zoektocht naar de innerlijke kracht die je steun en toeverlaat wordt, als al het andere om je heen is weggevallen (p. 165). Zoals blijkt uit de reacties op haar weblog, waaruit dit boek is ontstaan, kunnen vele zieke mensen zich in deze zoektocht herkennen. Ook voor de gezonde mensen is het boek misschien een aansporing om ‘hun ziel te herontdekken’.

Lucia Goubert

Uit: Pastorale Perspectieven nr. 142

naar boven

Als scherven spreken. Over God in het leven van alledag

K. Biezeveld, Als scherven spreken. Over God in het leven van alledag, Zoetermeer, Meinema, 2008, 138 blz.

Maakt de Bijbelse God nog een kans om van betekenis te zijn in het leven van elke dag? Welke theologische begrippen worden eigenlijk gebruikt als het gaat over de geloofsbeleving van mensen? Hoe kan het begrip ‘natuur’ verbonden worden met het Bijbels geloof? Van welke vooronderstellingen gaan theologen eigenlijk uit als ze nadenken over God? Met deze vragen gaat Kune Biezeveld op zoek. De vragen worden theologische denkoefeningen waar je als lezer(es) wel je hoofd bij moet houden. Sommige stellingen werkt ze bondig uit, wellicht ook omdat de tijd ontbrak. Biezeveld werd onverwacht getroffen door een ongeneeslijke ziekte. Ze was tot haar overlijden op 7 september 2008 als docent systematische theologie en hoogleraar vrouwenstudies theologie verbonden aan de Protestantse Theologische Universiteit (Leiden). Haar laatste boek ‘Als scherven spreken’ verscheen postuum.

Bedoeling van het boek is om beeldvorming terug te draaien en geconstrueerde contrasten in het denken te doorbreken. Deze contrasten lijken haar immers niet vruchtbaar in de hedendaagse geloofspraktijk en geen recht te doen aan de gecompliceerdheid van het dagelijks bestaan. Een voorbeeld vindt zij in het recent historisch theologisch onderzoek. Waar – vaak nog tot op vandaag – het uitgangspunt is dat het geloof van het volk Israël zich afzette tegen de gangbare vruchtbaarheidsreligie in Kanaän, blijkt dat deze vruchtbaarheidscultus veel genuanceerder was en het Bijbelse geloof voor een deel ook hiermee overlapte. Een Hebreeuwse godin Asjera werd vereerd aan de zijde van JHWH. Dat werd destijds niet gezien als geloofsafval. Het was voor de joden mogelijk om JHWH samen te denken – en in de officiële cultus samen te vereren – met een vrouwelijke partner, terwijl in profetische teksten duidelijk klonk om het bij één God alleen te houden. Deze theologische inzichten dwingen om ons beeld over het geloof van Israël bij te stellen en ook om ons beeld van vruchtbaarheidsreligie en godinnenverering te nuanceren. Dezelfde denkoefeningen maakt ze voor de beeldvorming over het protestantisme en hoe zich dat verhoudt tot het katholieke geloof in de late Middeleeuwen, maar ook voor clerusliturgie en volksgeloof, natuurreligie en wetsgeloof. Steeds opnieuw toont ze daarbij aan hoe bepaalde denkkaders en contrasten in de theologie opduiken en hoe deze geen recht doen aan de reële geloofsbeleving van mensen. Zo wil ze vandaag ruimte scheppen voor een relatie tussen God en de werkelijkheid zelf zoals die door mensen wordt ervaren in het dagelijks leven.

Het is een verruimend boek geworden, met vragen die alleen al door ze te stellen, nieuw leven kunnen inblazen. Een aanrader voor de kritische lezer(es) die graag nadenkt over theologische vragen.

Staf Peeters

Uit: Pastorale Perspectieven nr. 142

naar boven

De rode huid van Adam. Verhalen over crisis en zin

L. Anckaert, R. Burggraeve, De rode huid van Adam. Verhalen over crisis en zin, Uitgeverij Averbode, 2008, 144 p.

‘De kus’ van Gustave Klimt, die prijkt op het boek van Anckaert en Burggraeve, staat symbool voor het hele opzet van het boek. De kus is een innige ontmoeting en ineenstrengeling van twee mensen die erg van elkaar verschillen, maar die elkaar ook vinden in hun anders-zijn. Zo is dit boek ook een diepgaande ontmoeting van heel verschillende verhalen, die op het eerste gezicht niet zoveel met elkaar gemeen hebben, tenzij dan dat het dragende verhalen zijn in onze cultuur, verhalen die tekenend en profetisch zijn voor onze moderne tijd. We krijgen een grondige analyse van gekende teksten van Nietzsche, Dostojewski, Kafka, Genesis (scheppingsverhaal) en Lucas (barmhartige samaritaan). Elke tekst wordt op zich besproken vanuit zijn eigen context en is als zodanig lezenswaard.

Tijdens de lectuur is het wel wat zoeken naar wat de teksten nu verbindt en hoe uit de intertekstualiteit nieuwe zin wordt gesticht – uiteindelijk is dat toch de bedoeling van de auteurs. De teksten van Nietzsche, Dostojewski en Kafka brengen de crisis tot uitdrukking in de moderne zinbeleving, de bijbelse teksten geven een spiritueel-lichamelijk antwoord op deze crisis, een antwoord dat geen voorgegeven antwoord is maar eerder een (ethische) opdracht.

Het is vooral dankzij de bespreking van de film ‘Va, vis et deviens’, dat de auteurs erin slagen de crisis van de identiteit – zo scherp gesteld door de cultuur waarin wij leven – concreet voelbaar en inleefbaar voor de lezer te maken. De crisis, die ook aan de orde is in de problematiek van die andere grote zin-verhalen die eerder werden besproken, wordt als kans tot groei en zelfontdekking opgediend. De talmoedische stijl getrouw, brengen de auteurs bestaande verhalen en inzichten tot leven en tot brandende actualiteit. Identiteit wordt in vraag gesteld en wordt een opgave om iets mee te doen.

Het boek leest enorm vlot en blinkt uit in helderheid. Maar de rode draad wordt maar duidelijk in het laatste hoofdstuk. In één trek doorlezen is dus het beste, maar wie echt niet de tijd heeft, kan ook direct naar het slot gaan, of lezen wat hem of haar zint. Elk stuk is op zich al lezenswaard en begrijpbaar zonder de andere. Maar de volle sterkte zit toch wel in het gesprek dat wordt aangegaan tussen de verschillende teksten, die doorheen de confrontatie de verschillen laten verbleken en de zielverwantschap weergeeft.
Bij het sluiten van het boek komt de vraag op hoe wij zelf omgaan met onze identiteit en hoe wij anderen benaderen. Weten wij wie wij zijn of wie wij willen zijn? Staan wij open voor veranderingen die ons wezen zelf raken? Hoe gaan wij om met crisissituaties die ons leven in vraag stellen? Hoe kan crisis in ons leven groei zijn? Kunnen wij anderen helpen om zichzelf als nieuwe mensen te vinden?

Het zijn geen vragen die het boek zelf formuleert, maar het boek nodigt wel uit tot concrete bezinning. Mogelijk een bron van spiritualiteit.

Roeland Polspoel

Uit: Pastorale Perspectieven nr. 142 

naar boven

Bemind. Henri Nouwen in gesprek

P. Roderick, Bemind. Henri Nouwen in gesprek, Kok Averbode, 2007

Dit 55 pagina’s tellende boekje is de weergave van een gesprek dat de auteur had met Henri Nouwen. Hij was reeds lang geraakt door de boeken van Nouwen en verlangde in gesprek met hem te kunnen treden. In 1992 greep dit gesprek in Engeland plaats.

Op de eerste bladzijde kunnen we – in grote lijnen – het curriculum van H. Nouwen lezen. De inleiding vertelt nadien hoe dit boekje tot stand kwam. In 14 korte hoofdstukjes wordt de vraag die de auteur aan Nouwen wilde stellen ontrafeld: ‘Hoe kan je contemplatief zijn in de actie?’. De auteur was overtuigd dat dienstbaarheid maar mogelijk is wanneer je stilte en eenzaamheid niet vlucht en hij wilde dit van Nouwen leren. De weergegeven inhoud van dit gesprek onder elk titeltje lijkt wat chaotisch. Vaak wordt verwezen naar de ouder wordende mens en hoe hij zijn ouder worden zinvol kan beleven. Door het kleine lettertype lijkt het echter moeilijk leesbaar voor oudere mensen. Er is een CD bijgevoegd (met de weergave van het oorspronkelijke gesprek), maar biedt die ook weinig kansen om (bv. als slechtziende) toegang te krijgen tot de inhoud.

Aan het einde van het boekje staan vragen geformuleerd die een aanzet willen zijn tot overweging. Dit zou individueel of onder begeleiding in groep kunnen gebeuren. Wie al veel van Nouwen gelezen heeft, zal mogelijks ontgoocheld zijn bij het lezen van dit boekje, dat door de titel wel aanspreekt.

Mieke Polfliet

Uit: Pastorale Perspectieven nr. 142

naar boven

Daad-werkelijk. Rituelen en zegeningen vandaag

D. Pollefeyt, E. De Boeck (red.), Daad-werkelijk. Rituelen en zegeningen vandaag, Uitgeverij Halewijn, Antwerpen, 2008, 172 p.

Onze westerse samenleving heeft het materieel nog nooit zo goed gehad. Intussen is duidelijk geworden dat het ware geluk een andere dimensie betreft. Fundamentele ervaringen blijven mensen bezig houden en doet hen naar antwoorden zoeken.

Woorden schieten soms te kort. Symbolen en rituelen kunnen in die situaties veel betekenen. Als ze maar kwaliteitsvol, juist gedoseerd en dynamisch zijn. Zegeningen nemen hierin een speciale plaats. Ze staan in een traditie, worden gedragen door een gemeenschap en verwijzen naar het goddelijke. Zes specialisten proberen in hun bijdrage theoretische inzichten aan praktijkervaringen te koppelen, in een poging om de eigenlijke betekenis van beelden en symbolen te doorgronden.

Paul Moyaert vertrekt hiervoor vanuit de eeuwenoude kritieken op het gebruik van beelden om tot God te bidden en gaat op zoek naar de natuurlijke aanknopingspunten voor het geloof. Hij erkent dat de ratio hierbij haar rechten heeft, maar stelt vast dat het menselijk vermogen om te symboliseren nog belangrijker is. Beelden en symbolen fungeren als plaatsvervangers van de werkelijkheid, die het leven een stuk draaglijker maken.

In een tweede bijdrage gaat Roger Burggraeve in op de algemene betekenis van de christelijke zegen, aan de hand van het sacrament van de biecht en het doopsel. Hij probeert dit te kaderen in antropologisch, theologisch en ethisch perspectief, zijn uitgangspunt om de specifieke betekenissen en basisvoorwaarden van een zegening te verduidelijken.
De protestantse theoloog Marcel Barnard laat ons kennis maken met de liturgische beweging in het Protestantisme en gebruikt hiervoor het Nederlandse dienstboek, waaruit hij rijkelijk citeert. Hij sluit af met twee synthetische opmerkingen: de herontdekking dat Gods Woord behalve taal ook concrete elementen bevat en de overtuiging dat geloof zijn verloop kiest in de bedding van het alledaagse leven en de levensloop.

Volgens Sabine Van den Eynde wees onderzoek uit dat zegeningrituelen hun bestaansgrond hebben in de Bijbel. Ze verbinden alles en iedereen met God en evolueerden doorheen de eeuwen van een magisch naar een spiritueel gebeuren. De auteur gebruikt weloverwogen de term empowerment, om aan te geven dat het God is die mensen tot hun kracht laat komen en de ruimte schept om wat in potentie aanwezig is waar te maken.

In de vijfde bijdrage heeft Goedroen Juchtmans het over allerlei rituelen in huis. Met de kerstperiode als voorbeeld wordt duidelijk dat het onderscheid tussen religieuze en seculiere rituelen vervaagd is, of althans niet altijd duidelijk. Zij maant pastores dan ook aan om de geloofsbeleving bij het doelpubliek als een complex en meervoudig proces te zien en verder te doorgronden.
Anne Vandenhoeck sluit het boek af met enkele reflecties over rituelen bij het levenseinde: de ziekenzalving, de stervenszegening en de stervenswijding. Zij houdt een pleidooi voor een nieuw ritueel voor stervenden: de laatste zalving.

Een boek dat niet alleen diverse theoretische inzichten omtrent rituelen samen brengt, maar ook pastores op weg helpt om zowel klassieke als nieuwe rituelen op een zinvolle en verantwoorde manier toe te passen.

Boudewijn Baeskens

Uit: Pastorale Perspectieven nr. 142

naar boven

Gezegend leven. Benedictijnse richtlijnen voor wie naar goede dagen verlangt

W. Derkse, Gezegend leven. Benedictijnse richtlijnen voor wie naar goede dagen verlangt, Lannoo, 2007, 140 p.

‘Wie is de mens, die naar het leven verlangt en goede dagen wenst te zien?’ Aansluitend bij die mens ambieert het boek een antwoord te bieden: de Benedictijnse regel geeft de mens de nodige structuur én richting om gezegend te leven, dat wil zeggen positief bouwend aan een goede samenleving, maar vooral ook zó leven dat in alles God verheerlijkt wordt. Die openheid waarmee de regel van Benedictus en ook dit boek begint, wordt gaandeweg verder uitgediept en vormt de sleutel voor een dieper lezen, namelijk een heterocentrische manier van leven. Doorheen het boek proeft de lezer een herhaald grondbesef van zich afhankelijk weten van God. Dat besef voedt de moed om te dienen.

Oude termen worden dynamisch uitgewerkt. Stabilitas wordt dan een houding om bij de situatie die zich aandient te blijven en om daar een adequaat antwoord op te geven. Obedientia wordt een versterkte vorm van luisteren. Lezen is geen activiteit met het doel om kennis te verzamelen, maar je onder het woord plaatsen om van daaruit te leven. Derkse noemt de Benedictijnse richtlijnen een oefenschool van de juiste houdingen: het is een inoefenen van stilte en rust, van alertheid bij het werk en bij de studie, van deemoed. Het zijn houdingen met een duidelijke relationele gerichtheid, open op de ander en dienstbaar. Het boek is een geslaagde interpretatie die geschreven is dicht bij de regel, met citaten van regelkenners en van medebroeders oblaten. Zijn poging om het boek toegankelijk te maken voor de werkende mens en aldus de dynamiek van de leefregel te integreren in onze samenleving zal nog verder moeten worden uitgewerkt. Misschien in een derde boek? Alvast een goed boek voor wie de eigen spiritualiteit wil ijken op een eeuwensterke traditie.

Filip Zutterman

Uit: Pastorale Perspectieven nr. 142 

naar boven

Palliatieve zorg in de praktijk. Zakboekje voor hulpverleners

Palliatief Support Team UZ Leuven, Palliatieve Zorg in de praktijk. Zakboekje voor hulpverleners, Acco, Leuven, 2008, 160 p.

Inderdaad een zakboekje. Voor wie een schort draagt is het handig meegenomen, hoewel de vraag zich stelt in welke mate je dit boekje rechtstreeks aan bed kan gebruiken. Wellicht past het beter in een overdrachtruimte.

In de inleiding staat te lezen: ‘Wij hopen met dit zakboekje een bijdrage te leveren tot het verder verspreiden van de palliatieve cultuur onder de hulpverleners…’. De verdere precisering heeft het dan over een betere pijn- en symptoomcontrole. In een overzichtelijk schema worden eerst alle mogelijke lichamelijke klachten behandeld: omschrijving van de klacht, mogelijke oorzaken, mogelijke behandeling: niet-medicamenteus of medicamenteus. Daarna komen enkele ethische en communicatieve aspecten aan bod, om te eindigen met een aantal tips omtrent boeken, sites, video’s en cd’s.

Het boekje lijkt mij zeker geschikt voor verpleegkundigen, maar het zet zich wel vast in een probleemoplossend kader. Voor pastores die in een dergelijke context werken kan het boekje helpen om symptomen te leren interpreteren. Als pastor mis ik wel een palliatieve cultuur die ook oog heeft voor de mogelijkheden, kansen en opdrachten die er in die omstandigheden nog zijn. Wellicht geldt hetzelfde voor de psycholoog en de maatschappelijk werker. Ik beschouw het als een uitdaging om de meerwaarde van begeleiding van existentiële processen zichtbaar en voor doorverwijzing hanteerbaar te maken en dus verder te geraken dan die ene zin in het zakboekje: ‘Zeer dikwijls moet de hulpverlener oog hebben voor de andere dimensies binnen de palliatieve zorg, namelijk psychosociaal en spiritueel’.

Palliatieve zorg, zo erkennen ook de schrijvers, is meer dan een medisch geleid model, maar het ontbreekt ons blijkbaar nog aan handvatten om dit te integreren in een zakboekje.

Filip Zutterman

Uit: Pastorale Perspectieven nr. 142

naar boven

Wat is wijs? Reflecties op spirituele vorming

A. Roothaan, J. van Saane (red.), Wat is wijs? Reflecties op spirituele vorming. Uitgeverij Ten Have, 2007, 176 p.

Spiritualiteit heeft een plaats binnen de vorming van identiteit als een zich voortdurende ontwikkelende levensoriëntatie, die voortkomt uit de verwerking van interpretatie van (levens)ervaringen die vormend zijn voor iemands morele en zinsperspectief. Men geeft vorm aan deze oriëntatie in zowel het denken, de ervaring als in het handelen. Deze definitie benadrukt het dynamische aspect van spiritualiteit. Diepe levenservaringen maar juist ook alledaagse ervaringen zijn bepalend voor de ontwikkeling van waardepatronen, voor dat wat voor iemand zinvol is en wat “het goede leven” voor iemand inhoudt.

De discontinuïteit, verwarring, vervreemding en verstoring waarmee we tijdens ons leven te maken krijgen dragen bij aan onze spirituele vorming. We zijn eindige en afhankelijke wezens, onderhevig aan processen en ervaringen die we “in perspectief” moeten plaatsen om verder te kunnen gaan met ons leven.

Bij de teloorgang van religieuze vanzelfsprekendheden zijn echter ook de processen van spirituele vorming “op drift geraakt”. Daarom is het nodig om tot een nieuwe benadering van spirituele vorming te komen, op een manier die recht doet aan spiritualiteit als een zich voortdurende ontwikkelende levensoriëntatie.

Binnen de godsdienstpsychologie is spiritualiteit een vrij nieuwe term. Vroeger dacht men in religieuze termen over zichzelf en anderen. In onze tijd definieert men zichzelf echter bij voorkeur als spiritueel in plaats van als religieus. Spiritueel heeft een veelomvattende betekenis. Spiritueel is iets wat je graag wilt zijn, het is persoonlijk, en vertrouwen speelt een rol. Waar spiritualiteit je alle ruimte geeft, vormt religiositeit in de ogen van velen een min of meer knellende vorm waarin je moet voegen. Spiritualiteit is gekoppeld aan persoonlijke overtuigingen en levenswaarden. Religie aan participatie in bestaande religieuze tradities en instituties zoals kerken.

Spiritualiteit als levensoriëntatie, bevordert de persoonlijke groei en ontwikkeling en past uitstekend bij de hedendaagse belevingscultuur. Religie bleek meer te bestaan uit overtuigingen en spiritualiteit uit ervaringen. Deze twee dimensies sluiten echter elkaar niet uit. Spiritualiteit staat niet los van overtuiging net zo min als religie denkbaar is zonder ervaring. Religie is ook spiritualiteit maar niet alle spiritualiteit is religie. Er zijn de verschillende dimensies van spiritualiteit (cognitieve karakter, het meer morele karakter, het affectieve karakter en het gedrag), en er zijn verschillende spirituele leerprocessen.

Er worden ook verschillende vormen van spirituele zorg bekeken vanuit verschillende hoeken. De spiritualiteit bij stervenden waarbij het spijtig is dat er geen zorg besteed wordt in een vroeger stadia. De spiritualiteit bij detentie waarbij gekeken wordt naar heden, verleden en toekomst en waarbij de begeleider elementen moet aanreiken om de spiritualiteitsbeleving op een gezonde manier bevordert en doet ontwikkelen op weg naar de verandering.

Elfriede De Craene

Uit: Pastorale Perspectieven nr. 142

naar boven

Licht op mijn pad. Over geestelijke begeleiding

B. Oliver, Licht op mijn pad. Over geestelijke begeleiding. Uitgeverij Averbode, 2008, 160 p.

Hoewel het voorwoord een interessant boek belooft voor iedereen die betrokken is bij geestelijke begeleiding, kan ik dat zelf niet van harte beamen. Vanuit mijn ervaring zelf geestelijk begeleid te worden, was ik meer dan nieuwsgierig naar dit boek. Vol verwachting.

Het is geschreven door Dom Bernardo Olivera, die tot voor kort de Generale Abt van de Cisterciënzerorde van de strikte Observantie was, beter bekend als de trappisten. Hij verdiept zich in de geschiedenis van geestelijk begeleiding, en in de monastieke en andere traditionele invloeden en karakteristieken. Hij ontvouwt eerst en vooral het doel van geestelijke begeleiding: de begeleide persoon helpen om Jezus te volgen en te leven in Gods Geest. Hij geeft daarbij een uitvoerige uiteenzetting van de ideale kwaliteiten van een goede geestelijke begeleider, en gebruikt als analogie het beeld van het moeder- en vaderschap. Hij maakt een onderscheid tussen geestelijke begeleiden enerzijds en abbatiaat, biecht, psychologie en psychotherapie anderzijds. Vervolgens gaat Olivera uitgebreid in op de belangrijkste doelstellingen in het proces van geestelijke begeleiding: onthalen, verhelderen, confronteren en onderscheiden. Essentieel is het volgens hem om eerst de oorsprong en richting te leren onderscheiden van de bewegingen die ons innerlijk beroeren. Om vervolgens de gulden middenweg te bewandelen.
In het hart heeft dit boek mij zelden geraakt, enkele citaten van Johannes van het Kruis en Theresa van Avila uitgezonderd. Ik denk dat vooral religieuzen, en in het bijzonder zij die in een monastieke traditie staan, zich door dit boek aangesproken kunnen voelen. Voor een leek is het in de eerste plaats een zeer technische handleiding die je moet doorploegen. Een hapklare brok van inspiratie en begeestering was het voor mij persoonlijk niet. In sommige gespreks- en luisterhoudingen die Olivera beschrijft, zullen pastores wat van hun eigen pastoraal optreden herkennen. In die zin kan het boek wel enkele aandachtspunten aanreiken voor pastorale gesprekken en begeleiding.

Laura Le Roy

Uit: Pastorale Perspectieven nr. 142 

naar boven

Schroomvol nabij. Pastorale begeleiding bij euthanasie

A. Liégeois (red.), Schroomvol nabij. Pastorale begeleiding bij euthanasie (Leuvense Cahiers voor Praktische Theologie, 7), Antwerpen, Halewijn, 2008, 123 p.

Schroomvol nabij handelt over de thematiek van pastorale begeleiding bij euthanasie. Als pastores worden we meer en meer met deze vraag geconfronteerd. Daarom is het noodzakelijk om onszelf voldoende te informeren over de huidige stand van zaken i.v.m. de euthanasiewet en de vragen die hierover leven.

Het boek begint met drie getuigenissen van pastores uit respectievelijk een algemeen ziekenhuis, een psychiatrisch centrum en een woon- en zorgcentrum. Uit deze verhalen blijkt al snel dat de context waarbinnen een euthanasievraag gesteld (of net niet gesteld wordt) mee bepaalt hoe we er als pastores mee kunnen omgaan.

Na de getuigenissen zijn er bijdragen van enkele specialisten. Zij buigen zich onder meer over belangrijke onderwerpen zoals ‘De huidige euthanasiewet en de mogelijke uitbreiding ervan’, ’Wat wordt bedoeld wanneer gesproken wordt over palliatieve sedatie en pijnbestrijding?’ Sommige auteurs besteden ruim aandacht aan de pastorale begeleiding bij euthanasie. De problematiek wordt onder meer bekeken vanuit de beschouwingen van een theoloog die heel herkenbare vragen oproept.

Een belangrijk item is zeker de positie van de pastor in het multidisciplinaire begeleidingsproces. Door een euthanasievraag komt een pastor immers in spanningsvelden terecht waarvan hij zich best bewust is en erover reflecteert om zijn eigen houding te bepalen. Een reflectie over de plaats en betekenis van rituelen en sacramenten binnen de context van een euthanasievraag vormt een belangrijke bijdrage. Heel wat vragen worden opgeroepen en tegelijkertijd werken de bijdragen van eenieder verhelderend.

Dit boek nodigt uit tot reflectie. Het is een heel handig instrument om de problematiek met collega-pastores te bespreken om gaandeweg een eigen beargumenteerd standpunt te ontwikkelen. Het is heel zeker een boeiende uitdaging voor al wie pastoraal met zieken en zorgbehoevenden begaan is.

Lieve Verbiest

Uit: Pastorale Perspectieven nr. 142 

naar boven

Rituele creativiteit. Actuele veranderingen in de uitvaart- en rouwcultuur in Nederland

E. Venbrux, M. Hessels en S. Bolt (red.), Rituele creativiteit. Actuele veranderingen in de uitvaart- en rouwcultuur in Nederland, Zoetermeer: Uitgeverij Meinema, 2008, 192 p.

We kunnen in ons leven niet zonder rituelen. De behoefte aan afscheidsrituelen bij het verlies van een geliefde is bijzonder groot. Door de ontkerkelijking zoeken velen het niet meer in de traditiegebonden afscheidsrituelen maar wordt vaak gestreefd naar een persoonlijke invulling als laatste eer aan de overledene. Dit boek geeft een ruim beeld over de evolutie in de uitvaart- en rouwcultuur in Nederland. Verschillende thema’s komen aan bod zoals rituelen en betekenisgeving bij crematie en asbestemming, uitvaartrituelen bij migranten met een islamitische achtergrond. Er wordt aandacht besteed aan bijzondere situaties zoals een uitvaart zonder overledene omdat de persoon in kwestie zijn lichaam aan de medische wetenschap heeft geschonken. Er is een bijdrage over zorgverleners van een ziekenhuis en hun dagelijkse confrontatie met de dood. De komst van het internet die in het digitale domein nieuwe rituele handelingen heeft doen ontstaan, vooral bij het overlijden en herdenken van kinderen. De individuele en collectieve (soms politieke) betekenis van bermmonumenten wordt besproken. Er werd ook ruitme voorzien voor een filosofische bijdrage. Als slot is er een foto-essay om het boek af te sluiten. De foto’s zijn gemaakt in het kader van een onderzoeksproject naar veranderende dodenriten en noties van religiositeit. Ze geven een creatieve visuele voorstelling van evoluties en trends in de dodencultuur.

Het boek biedt een actuele inkijk in de rituele creativiteit in Nederland. Het is interessante literatuur die bepaald wordt door de Nederlandse situatie en wetgeving, maar zeker voor Vlaanderen heel herkenbaar. Het boek is een aanrader voor allen die vaak met dood en rouw te maken hebben. Voor pastores is het een verhelderend en inspirerend boek. Wat niet gevonden kan worden zijn uitgewerkte rituelen die als gesneden brood kunnen gebruikt worden. Toch zijn de meeste hoofdstukken geïllustreerd met praktijkvoorbeelden die de creativiteit van de lezer zeker kunnen bevorderen. Voor ieder die actief is op dit terrein is het zeker een aanrader.

Lieve Verbiest

Uit: Pastorale Perspectieven nr. 142

naar boven

Halverwege. 75 psalmen vrij

Huub Oosterhuis, Halverwege. 75 psalmen vrij, Baarn Ten Have, 2008, 151 p.

Oosterhuis en psalmen is een combinatie die al veertig jaar lang aan getrouwheid wint. Want al verschillende decennia vertaalt hij psalmen die een plaats hebben opgeëist bij het betere kerklied. In menige kerk klinkt al even lang “Als God ons thuisbrengt” (psalm 126) en “Naar u gaat mijn verlangen Heer” (psalm 25). Samen met Michel van der Plas gaf Oosterhuis in 1995 al vijftig vertalingen van psalmen uit. Sinds enkele jaren werkt hij aan een vrijere vertaling van de 150 psalmen en naar aanleiding van zijn 75ste verjaardag geeft hij er al een zelfde aantal vrij. Bedoeling is dat ook minder bijbelvaste mensen de poëzie van de psalmen verstaan en leren smaken.

De verschillende contexten van waaruit de psalmen geschreven zijn, komen ook terug in de bundel. Existentiële ervaringen worden zo geschreven dat ze herkenbaar zijn: Zie mij, ik ben uitgebloeid / mijn gebeente is ontwricht / mijn kracht is op / verbijsterd is mijn ziel. (psalm 6); dankbaarheid en lof worden uitgedrukt: Waar Gij uw voet zet / bloeit het. / Al dat zingen. Overal. Voor U. (psalm 65); De wereld waarin ik vertoef wordt erbij betrokken: Gij die oordeelt de wereldgemeenschap, / Oordeel ook mij. / Red hen die zuiver van hart zijn, Gij, / onkreukbare rechter. (psalm 7) of geactualiseerd in psalm 149: Van Uruzgan tot Birma / tot Zimbabwe / jij God-ik-zal. Die Godsnaam is trouwens duidelijk aanwezig in de psalmen en consequent vertaald in de ‘ik-zal-zijn’-versie.

Oosterhuis wil voelbaar dicht bij de psalm blijven, zo dat hij ook kan worden gezongen: Ik heb nog harte-tonen en stem / lucht in mijn longen, voor Hem. / Geef me zeven accoorden / vooraf / dan volgen de woorden. (psalm 149), maar introduceert tegelijk ook actuele termen (bvb ‘Ploert en Schender’ om de god-loochenaar (Hebreeuwse rasja) aan te duiden. En soms komen ook andere wendingen aan bod. Zo klinkt in psalm 25 bijvoorbeeld een verwijzing door naar de eucharistie (delen wij dit brood en deze beker). Dit alles maakt dat de ene psalmhertaling als gekunstelder klinkt dan de andere, dat de ene meer begrijpbaar en herkenbaar is dan de andere, de ene al meer bruikbaar in liturgische (of andere publieke) bijeenkomsten dan andere. Maar het blijft een eerbare zaak de krachtige taal en de gebeden van de psalmen voor een zo ruim mogelijk publiek te blijven aanbieden. Hopelijk moeten we geen 75 jaar wachten op de tweede helft van de psalmen.

Lea Verstricht

Uit: Pastorale Perspectieven nr. 143

naar boven

Seelsorge im Wirtschafsunternehmen Krankenhaus

Dorothee Haart, Seelsorge im Wirtschaftsunternehmen Krankenhaus, Echter, 2007, 326 p.

Hoewel de organisatie van de ziekenhuispastoraal in het ziekenhuiswezen in Duitsland grondig anders is dan in Vlaanderen, lijken er me toch genoeg overeenkomsten te bestaan met onze situatie om dit boek hier te bespreken. Het boek bestaat uit vijf grote delen waarvan de eerste twee volledig gewijd worden aan de veranderingen die zich in de wereld van de gezondheidszorg en het ziekenhuisbeleid in de voorbije dertig jaar hebben afgespeeld. Hierbij ligt de klemtoon op het oprukkende marktmodel als het over gezondheid gaat. De duale gezondheidszorg met een standaard zorg voor de mutualiteitpatiënt en een zeer gespecialiseerde dure verzorging voor de koopkrachtige vraag. In het derde deel wordt het oprukkende kwaliteitsdenken als motor van de organisatieontwikkeling besproken waaruit ik me een puntig zinnetje herinner: “in vele brochures staat dat de mens in het middelpunt van hun zorgconcept staat. Vaak kan dat anders geformuleerd worden: de mens is middel, punt”.

De twee laatste delen gaan dan specifiek over de gewijzigde inschakeling van pastores. De auteur pleit hier voor een onverholen profetische houding. Zij gaat ervan uit dat de ziekenhuispastoraal zich mag opwerpen als de kritische instantie tegen het dogma van de meetbaarheid als laatste norm. Hierbij wordt de evangelische voorkeur voor de zwakste als norm gehanteerd. In dit deel is ook sprake van gezondheid als de mogelijkheid om bewust om te gaan met de beperktheid en niet tot elke prijs medische prestaties neerzetten. Zij is de voorspreekster van een werkelijke diaconie vanuit de instellingen die op basis van de christelijke caritasgedachte ontstaan zijn. Het criterium van goede zorg ligt hier niet louter bij de hoogstaande technische prestaties in het ziekenhuis maar bij de mate waarin de patiënten meer subject dan object van hun gezondheid zijn kunnen worden.

Ziekenhuispastoraal wordt in het boek gezien als één van de brandpunten van gelovige menswording in de steeds verder geseculariseerde wereld. De auteur ziet tijdelijke wezenlijke kernen van solidariteit ontstaan die in wisselwerking staan met de territoriale pastoraal. In de ziekenhuispastoraal ervaart de mens dat hij een op relatie en zorg aangewezen is.

Paul Eylenbosch

Uit: Pastorale Perspectieven nr. 143

naar boven

Verterend vuur. Over burnout in het basispastoraat

Anke Bisschops, Jos Pieper en Willem Putman (red.), Verterend vuur. Over burnout in het basispastoraat, Zoetermeer: Meinema, 2007, 204 p.

“De vurigheid van een geestelijk leven wordt tot tegengif tegen een slopend gevoel van steeds meer opgebrand raken”, schrijft Hein Blommestein in zijn bijdrage. Helende woorden. Woorden die kracht, smaak en vleugels geven. Je vindt ze op pagina 185 van het 204 pagina ’s tellende boek.

Wat voorafgaat zijn verschillende onderzoeken naar burnout bij katholieke en protestantse pastores, voornamelijk actief in de Nederlandse parochiepastoraal. Statistieken, cijfermateriaal, variabelen en metingen. Uiteraard noodzakelijk, maar het ligt bij het lezen toch wat zwaar op de maag. Voor mij het meest herkenbaar is de overgangsfase waarin de leken onder de pastores zich bevinden: het aantal priesters slinkt, maar er moet wel nog samengewerkt worden. Met als gevolg soms spanningen en onduidelijkheid rond taakinvulling en beroepsidentiteit. Dat kan leiden tot conflicten en zelfs tot burnout.

De interviews met negen pastores zijn een welkome afwisseling na het cijfermateriaal. Ze staven de bevindingen zoals ondermeer dat autonomie, sociale steun, ontplooiingsmogelijkheden, salaris, feedback en een goede spiritualiteit beschermende energiebronnen tegen burnout kunnen zijn. Net zoals werkdruk, emotionele belasting en conflicten met collega ’s de balans naar het negatieve doen overhellen.

Door de vele uiteenlopende bijdragen biedt het boek een ruime waaier aan informatie over burnout, de oorzaken en behandelingen. Inzicht in de valkuilen en zoeken naar je eigen kracht zijn onontbeerlijk om waakzaam te zijn voor de tekenen van burnout. Hoe een burnout aanpakken hangt grotendeels af van hoe je het duidt. Je kan burnout psychologisch kaderen en met psychologische middelen zoals therapie bestrijden. Ik vind het als pastor heel verhelderend om zowel de valkuilen als hulpbronnen eens zwart op wit te zien, aangevuld door herkenbare getuigenissen.

Maar aanvullend vind ik de praktisch-theologische duiding en de benadering vanuit de geestelijke begeleiding het boeiendst. Het raakt mijn geloofskern, waarop als mijn pastorale job –als deel van mijn leven- gestoeld is. Therapie is tijdelijk en gericht op herstel. Geestelijke begeleiding staat los van een eindpunt of –product. Waarom dus niet aan de religieuze bron middelen zoeken die kunnen wapenen tegen burnout? Rein Brouwer haalt Josuttis aan, een praktisch-theoloog die spreekt over burnout als de verdamping van de kern van iemands persoonlijkheid. Of zoals een geïnterviewde pastor het noemt: “Mijn ziel kon niet meer ademen.” Door zich te openen voor de werkelijkheid van de Heilige vindt er volgens Brouwer een fundamentele oriëntatie op de kracht van God plaats. Daardoor wordt de verhouding tot mensen en machten wezenlijk anders. Via de spirituele methodiek kan geleerd worden om een stuk de autonomie los te laten en zich te openen voor de bevrijdende kracht van God. Dat kan pastores helpen beter om te gaan met de frustratie van velen: “Ik hink steeds achterop op het werk dat nog gedaan moet worden, ik wil het op alle pastorale domeinen even goed doen, zowel qua pastorale gesprekken als qua management, ik offer mijn tijd en mezelf teveel op voor de mensen, enz.”

Laura Le Roy

Uit: Pastorale Perspectieven nr. 143

naar boven

Op zoek naar evenwicht. Morele vragen voor artsen en verpleegkundigen

Drs. A. Kooijman & Drs. P.M.J. Vleugels, Op zoek naar evenwicht. Morele vragen voor artsen en verpleegkundigen, Uitgeverij Kavanah, 2008, 176 p.

Zoals aangekondigd in de inleiding, is het boek een leerboek, dat een referentiekader wil aanbieden voor het nadenken over de gezamenlijke en individuele morele verantwoordelijkheid van hulpverleners. Het richt zich voornamelijk tot (aspirant) dokters en verpleegkundigen die in een algemeen ziekenhuis zijn tewerkgesteld, vanuit hun behoefte om op het terrein met elkaar te overleggen en daarbij te beschikken over een gemeenschappelijk ethisch en terminologisch kader.

De auteurs, die reeds geruime tijd als opleiders actief zijn in verschillende Nederlandse ziekenhuizen, beginnen hun boek met het verduidelijken van belangrijke begrippen, die met de morele dimensie van de patïentenzorg te maken hebben. Het nadenken en het overleg worden immers diepgaand bëinvloed door de mate waarin hulpverleners zich bewust zijn van diversiteit, subjectiviteit en emoties. Diversiteit slaat op belangrijke verschillen in de betekenisverlening en de gevolgen voor de interpretatie; subjectiviteit verwijst naar de persoonlijke levensbeschouwelijke keuzes; emoties houden verband met het vermogen om zich in de situatie van de andere in te leven. Dit leidt ongetwijfeld tot conflicterende opvattingen, maar in functie van een argumenterende verantwoording worden een drietal toetsingscriteria aangebracht.

Hierbij aansluitend wordt aandacht besteed aan de context waarin men morele afwegingen maakt. Deze verandert immers voortdurend als gevolg van wetenschappelijke en technologische veranderingen, maatschappelijke en persoonlijke ontwikkelingen.

In de daaropvolgende hoofdstukken wordt stil gestaan bij de gangbare invulling van het recht op zelfbeschikking en bij de achtergrond daarvan, en worden enkel kritische kanttekeningen gemaakt bij het gevestigde beeld van de patïentenautonomie. In dat verband wordt de vraag besproken hoe de autonomie van de patïent zich verhoudt tot de professionele verantwoordelijkheid van de hulpverlener en komen begrippen als informed consent, beslissingsbekwaamheid en zelfbeschikking uitgebreid aan bod.

Ook de vragen omtrent het levenseinde worden niet uit de weg gegaan. De auteurs merken in deze op, dat de persoonlijke opvattingen van hulpverleners de noodzakelijke communicatie in de weg staan en komen hieraan tegemoet door een gemeenschappelijk en helder taalgebruik te ontwikkelen. Ze sluiten het boek af met enkele algemeen aanvaarde morele principes (respect voor autonomie, niet schaden, weldoen, rechtvaardigheid) en reiken de lezer handvaten aan om ook in specifieke individuele gevallen ethisch verantwoorde beslissingen te nemen.

Het boek beantwoordt aan de vooropgestelde doelstellingen. De theoretische inzichten worden geïllustreerd met talrijke voorbeelden uit de praktijk die herkenbaar en invoelbaar zijn. Men baseert zich begrijpelijkerwijze op de Nederlandse wetgeving terzake, maar dit heeft nauwelijks invloed op een aantal morele uitgangspunten die leidend zijn voor het doen en laten van hulpverleners.

Boudewijn Baeskens

Uit: Pastorale Perspectieven nr. 143

naar boven

Paradoxaal leiderschap. Schetsen voor een psychologie van de pastor

Rein Nauta, Paradoxaal leiderschap. Schetsen voor een psychologie van de pastor, Valkenhof Pers, Nijmegen, 2006, 269 p.

Het object van dit boek zijn de ‘psychologische aspecten van motivatie en functioneren van degenen die ambtshalve zorgen voor de ziel’, meer specifiek van de Nederlandse pastors die voorgaan in de ‘gemeentes’ (dus enkel territoriale pastoraal). Het hele boek is opgebouwd rond paradoxen, zeg maar verrassende, tegendraadse uitspraken in verband met pastoraal:

  • Een pastor voelt zich als leider best volgeling en gaat best voor als volger. 
  • Echt pastoraat is gebaat bij onechtheid, bij een doen alsof (i.p.v. authenticiteit).
  • Een gemeente of parochie is gebaat bij conflicten, wil haar continuïteit gewaarborgd zijn.
  • Afgodendienst (t.o.v. charismatische predikanten) is soms nodig.
  • Pastores moeten niet alleen luisteren, ze moeten vooral tegenspreken.
  • Zingeving is niet de centrale vraag in de moderne tijd, maar juist de traditionele rollen van herder en leraar zijn aangewezen om anderen te helpen een eigen identiteit te vinden.
  • Een pastor kan maar een echte herder zijn als er een afwijzing is door zijn kudde.
  • Men zal als pastor vooral streven naar voltooiing en tegelijk accepteren dat die voltooiing als verlies wordt ervaren.

Al deze bizarre stellingen worden in het boek nader uitgewerkt. Men kan niet ontkennen dat het werken met paradoxen verassende invalshoeken biedt en dat je de stellingen aan het einde van ieder betoog (in zekere mate) moet onderschrijven. Toch voelt het spreken in paradoxen soms aan als een keurslijf. Het komt ook de leesbaarheid niet ten goede. De taal is moeilijk.
De subtitel van het boek (‘Schetsen voor…’) laat verstaan dat het hier niet gaat om een coherente theorie, een afgerond geheel. Het opzet van het boek is m.i. de individuele pastor aan te zetten tot nadenken. De auteur spaart de goedbedoelende pastor niet. De ontrafeling van de mogelijke motieven om pastor te worden is ronduit ontluisterend. De visie van de auteur op het ambt van pastor is vooruitstrevend: hij houdt een pleidooi voor een ‘transformationeel leiderschap’, ‘het wordt gekenmerkt door emotionaliteit, nabijheid en intellect. Dergelijke pastors motiveren door hun tegendraadsheid, verassen door hun scherpzinnigheid, bemoedigen door hun nabijheid.’ (p. 191 e.v.)

Dit boek is een academisch werk, minder geschikt voor het grote publiek of voor discussie in werkgroepen. Voor de individuele pastor is het een uitdaging, een zeer sterke impuls tot reflectie.

Lucia Goubert

Uit: Pastorale Perspectieven nr. 143

naar boven

Symbolisch bewustzijn en dynamische kracht. De rol van de verbeelding binnen de geestelijke begeleiding van ouderen.

Sjaak Körver en Paul Mulders (red), Symbolisch bewustzijn en dynamische kracht. De rol van de verbeelding binnen de geestelijke begeleiding van ouderen. Valkenhof Pers, Nijmegen, 2007, 110 p.

Dit boek bestaat uit negen bijdragen van verschillende auteurs. Enkelen onder hen hebben een (bijna) louter theoretische context, een kleine meerderheid komt uit het praktische werkveld. Dit weerspiegelt zich uiteraard in de verschillende bijdragen. Zo belicht het boek heel verschillende invalshoeken in de religieuze communicatie met ouderen.

De meeste bijdragen in dit boek hebben me weten te bekoren. In de praktijk van de begeleiding van pastoranten komt bijna alle nadruk te liggen op het verbale en objectiveerbare. De andere wegen zijn vaak ondergesneeuwd. Maar juist die andere wegen hebben de mogelijkheden in zich om het hele scala van ons mens-zijn en gelovig-zijn aan te spreken. Zeker de minder- of niet-verbale en niet-objectiveerbare toegangspoorten zijn voor mensen met dementie heel erg belangrijk. Verschillende toegangspoorten worden in dit boek verkend: dromen, verbeelding en symbolen; rituelen; stilte; liturgie; voorlezen; muziek.

In dit boek steken daardoor heel wat interessante ideeën die te denken geven. Sommige ideeën kun je gemakkelijk overnemen in de praktijk van pastorale begeleiding met personen met dementie. Andere ideeën moet de pastor zelf verder uitwerken voor de praktijk.

Het geheel oogt wel als een naast elkaar plaatsen van verschillende bijdragen zonder een dwarsverband. Naar mijn oordeel kon er veel meer uit dit boek gekomen zijn als dit een gezamenlijk gedragen en uitgewerkt project zou zijn. Het zou meer gewicht krijgen indien het zou vertrekken van een stevig onderbouwde visie, op basis waarvan elke auteur vanuit zijn eigen invalshoek zijn specialiteit uitwerkt. Toch zou ik dit boek willen aanraden. Het wijst een aantal wegen die op de werkvloer soms onbekend zijn, maar die toch heel vruchtbaar zijn in de gelovige begeleiding van mensen met dementie.

Bart Fivez

Uit: Pastorale Perspectieven nr. 143

naar boven

Liefde voor het werk in tijden van management. Open brief van een arts

Marc Desmet SJ

Marc Desmet, jezuïet en arts op de afdeling palliatieve zorgen van het Virga Jesseziekenhuis te Hasselt, schreef een boek over de beleving van de managementcultuur door zorgverleners. Desmet vertrekt vanuit de bevinding dat de managementcultuur uit de harde sector steeds meer doordringt in de zogenaamde zachte sector. Dat heeft zijn voordelen, zoals bijvoorbeeld het organiseren van gezondheidszorg op grotere schaal, maar ook zijn nadelen. Hij schrijft een brief naar het management van het ziekenhuis waarin hij vier ervaringen aanhaalt die duidelijk de nadelen verwoorden.

De eerste ervaring is deze van de constante stroom van veranderingen die vanuit het management doorstromen naar ‘de vloer’. Zorgverleners moeten veel energie en tijd investeren in het implementeren van die veranderingen. Tijd en energie die weggenomen worden van de directe patiëntenzorg. Hier raken we de kern van het betoog van de auteur: enkele kenmerken van de huidige managementcultuur trekken de zorgverleners weg van het ontwikkelen van een kwaliteitsvolle relatie met patiënten, waarin ze hun grootste voldoening vinden. Met als gevolg dat de liefde of de bezieling voor het werk aangetast wordt.

De toename van controle – en evaluatiemechanismen is een tweede ervaring. Deze zorgt ervoor dat er een gevoel van wantrouwen leeft in de voorziening.

Een derde ervaring is de groei van het middenkader in het ziekenhuis en de toename van het interdisciplinair overleg. Opnieuw evoluties die wegtrekken van de directe patiëntenzorg.

Ten slotte belicht de auteur enkele scherpe tegenstellingen die door zorgverleners worden ervaren. Er is bijvoorbeeld geen geld om voldoende mensen aan te nemen voor de basiszorg, maar er wordt wel veel geld uitgetrokken voor allerlei dure projecten, zoals het inhuren van externe expertise bij aanwervingen.

Na het verzenden van zijn brief wordt Marc Desmet uitgenodigd voor een gesprek met enkele beleidsmensen. De dialogen worden samengebald in één fictief gesprek tussen de auteur en een manager. In een tweede deel gaat hij aan het werk met enkele artikels die managers hem hebben gesuggereerd om inzicht te krijgen in de noodzaak van de huidige managementcultuur. De auteur maakt daarop een eigenzinnige doorlichting van de ziekenhuiswereld.

De zorg van Marc Desmet rond de liefde en bezieling voor het werk, wordt uitgewerkt in het derde deel van het boek. Spiritualiteit is de weg langs waar zorgverleners in een tijd van management bezieling kunnen behouden en voeden. In dit laatste deel wordt er gepleit voor enkele kleine bijsturingen van het management die grote gevolgen kunnen hebben voor de liefde voor het werk.

Dit boek zal herkenning brengen bij pastores, artsen, verpleegkundigen en andere zorgverleners die werken in de context van een voorziening. De neergeschreven ervaringen van Marc Desmet kunnen ook aanleiding zijn voor beleid en management om stil te staan bij alle impact dat een doorgedreven management cultuur kan hebben. In hoeverre draagt de huidige cultuur in voorzieningen bij tot een verdere humanisering van de zorg? Is er beleidsmoed om het welzijn van personeel in evenwicht te brengen met een economisch streven? Kan de core business voldoende behouden blijven, de zorg voor de patiënt?

Het boek biedt voor alle partijen een kans tot reflectie en tot verkenning van wegen om spiritualiteit en dialoog daarbij een plaats te geven. De enige gemiste kans van het boek, naar ons aanvoelen, is een stevigere onderbouw vanuit de huidige relevante literatuur . Meer onderbouw vanuit het huidige kwaliteitsdenken en meer onderbouw vanuit de kritiek erop.

uit: Ministrando mei 2010

Anne Vandenhoeck

naar boven

Mare en de dingen

Tine Mortier & Kaatje Vermeire,

Kaatje Vermeires entree in het jeugdliteraire landschap in 2007 was op z’n minst opmerkelijk te noemen. De donkere, mysterieus aandoende illustraties van "De vrouw en het jongetje" (met Geert De Kockere) lieten meteen vermoeden dat hier een illustratrice met durf, inlevingsvermogen en visie aan het werk was. De ingenieuze composities, rijkdom aan grafische technieken en het opvallend doordacht kleurenpalet werden terecht beloond met een Boekenwelp 2008. De kleurrijkere prenten in "Mannetje en Vrouwtje krijgen een kind" (bij een tekst van Brigitte Minne) blijven boeiend door de afwisseling van invalshoeken en harmonieuze vormgeving. Zoveel vakkennis, experimenteren met diverse materialen én eigenzinnigheid trokken ook op het internationale schouwtoneel de aandacht. Op de International Children’s Book Fair, de grootste jeugdboekenbeurs ter wereld in de Noord-Italiaanse stad Bologna, werd "Mare en de dingen", een samenwerking met Tine Mortier, als een coup de coeur oftewel ‘de ontdekking van de beurs’ geloofd. En dat hoeft, gezien Vermeires uitzonderlijke talent in combinatie met de haast poëtische tekst van Tine Mortier, absoluut niet te verwonderen.

De expansie aan zachte kleuren op de voorflap, die Mare te midden van de kersenbloesems portretteert, levert een gestaag uitdijende prent op, die dankzij de geslaagde compositie nergens overladen overkomt. De opvallend gedetailleerde illustratie fungeert als goedgekozen eyecatcher en straalt een natuurlijke souplesse en vitaliteit uit. Vermeires resolute keuze voor kleurrijke prenten valt op, al maakt ze hier ook een aantal sobere prenten die herinneren aan "De vrouw en het jongetje", en die mee de authenticiteit van haar werk uitmaken.

Mares verhaal begint bij haar geboorte, in een rieten stoel onder diezelfde kersenboom. Tine Mortier besteedt ruimschoots aandacht aan Mares opgroeien en haar eerste woordje (‘koek’), maar stelt toch vooral de unieke band tussen grootmoeder en kleindochter centraal, die immers eenzelfde ongeduld en gulzigheid delen. Op ongedwongen, haast poëtische wijze raakt de auteur treffend de kern van een buitengewone sterke relatie over de generaties heen, zonder tot melige passages te vervallen. Samen vertellen grootmoeder en kleinkind verhalen en snoepen ze ‘tot ze van suiker en kruimel aan elkaar kleefden’. De illustraties belichten de robuuste personages vanuit verschillende perspectieven en voorzien hen van een krachtige, beeldende expressie. Bovendien speelt Vermeire met motieven uit de tekst, zoals de koekjes, en voegt ze zelf betekenisvolle details toe aan het visuele verhaal, zoals de kersen of de watervlugge eekhoorn als levendig symbool van de vitaliteit die Mare en haar grootmoeder uitstralen. De onverwachte val en moeizame revalidatie van de grootmoeder vormen een betekenisvolle kentering in het verhaal die vooral visueel uiterst secuur en geraffineerd verbeeld wordt. De donkere tinten, herfsttooi van de natuur en breekbare personages roepen feilloos reminiscenties op aan "De vrouw en het jongetje". Grootmoeder blijkt zoveel vergeten, hoe ze moet eten en rennen en vertellen, en ook met de woorden vlot het niet meer zo. Vermoedelijk werd Mares oma getroffen door een hersenbloeding, maar dat wordt nergens met zoveel woorden gezegd. Mortiers suggestieve tekst laat terecht veel ruimte voor eigen invulling en verbeelding. Mares onbegrip voor de plots statische volwassene en de breekbare toenadering tot grootmoeder krijgen zowel tekstueel als visueel sterk gestalte. In tegenstelling tot de goedbedoelende volwassenen, die grootmoeder nooit echt begrijpen, leest Mare haar lichaamstaal en voelt ze haar oma’s behoeften feilloos aan. Het onverwachte overlijden van grootva, die een wat schimmige figuur op de achtergrond bleef, krijgt ook zo gestalte, in donkere kleuren, omringd door scherven van een gevallen theekopje, door een geschrokken, ietwat terughoudende eekhoorn geobserveerd. Op een zee van tranen dobberen Mare en grootmoe weg; een uitgepuurde prent die "tristesse" voelbaar maakt, maar ook efficiënt verbeeldt hoe Mare haar grootmoeder troost biedt. Een weinig begripvolle verpleegster verbiedt het tweetal om grootva een laatste groet te brengen. Niet toevallig wordt de afstandelijkheid van het medisch personeel verbeeld door hun gezichtsloos in steriele witte kleding te tooien, wat hun onderlinge inwisselbaarheid vergroot. Een laatste gevoelige prent toont Mare en grootmoeder aan grootva’s doodsbed, wat zowel verstilling voelbaar maakt, alsook een hoopvolle wenk naar de toekomst biedt. Opnieuw heeft Kaatje Vermeire zichzelf overtroffen en bewijst ze in haar gekende stijl dat ze steeds evolueert en openstaat voor nieuwe indrukken en impulsen. Als zoveel vakmanschap dan ook nog een auteur treft die wel degelijk iets te vertellen heeft, resulteert dit in een gelaagd prentenboek van een opmerkelijke schoonheid en diepgang.

Jürgen Peeters
Overgenomen van: http://www.deleeswolf.be/?navigatieid=45&berichtid=1811&maand=8&jaar=2010