De avond voor de vasten begint wordt vastenavond of carnaval gevierd. Dit feest heeft heidense wortels en werd gevierd bij het begin van de lente. Het idee van verkleden/vermommen is geïnspireerd op het Romeins narrenfeest of misschien op het herdersfeest van de Arcadiërs. De braspartijen zijn eerder geïnspireerd op de Germaanse offerfeesten bij het begin van de lente.
Het woord vastenavond zou volgens sommigen niet te verklaren zijn als de avond voor de vasten begint, maar het zou afkomstig zijn van ‘vastelavond’, waarin we het middelhoogduitse ‘faseln’ zien wat vruchtbaar maken betekent. Het gebruik van het vieren van vastenavond zou verband kunnen houden met de oude vruchtbaarheidsriten.
Het woord carnaval zou afgeleid zijn uit het latijn. Sommige denken van ‘carrus navalis’, wat letterlijk vertaald schip-kar betekend. In het heidense volksgeloof zouden de vruchtbaarheidsgoden na de strenge winter hun intocht doen in het land. Anderen denken dan weer dat carnaval is afgeleid van ‘carnem levare’, letterlijk vertaald ‘het vlees opbergen’ of van ‘carne vale’, wat betekent ‘gegroet vlees, het ga je goed’. Deze twee zouden dan verwijzen naar de vastenperiode als tijd waarin geen vlees werd gegeten.
Carnaval of vastenavond is dus hoogstwaarschijnlijk een heidens volksfeest dat binnen de christelijke traditie een plaats heeft gekregen. Op deze manier wordt uitdrukking gegeven aan de spanning in het menselijk bestaan tussen uitgelatenheid en ernst. Langs de ene kant drukt carnaval de vreugde uit als grondhouding voor christenen, die de dingen zouden moeten relativeren en humor zouden moeten zien als een grote kracht. Langs de andere kant drukt aswoensdag dan de ernst uit door ons te plaatsen in de broosheid van ons bestaan en ons uit te nodigen terug thuis te komen bij onszelf, God en de medemens.
Bron: J.LAMBERTS, Volksgebruiken in de loop van het liturgisch jaar, Averbode, Altiora, 2001, p. 75-78.
In de tiende eeuw ontstond het gebruik van het hongerdoek, dat het gebeuren aan het altaar aan het zicht onttrok. Aanvankelijk waren deze doeken niet beschilderd, wat dan begrepen werd als ‘vasten voor de ogen’, maar later werden deze doeken kleiner en beschilderd met taferelen uit het lijdensverhaal. Uiteindelijk evolueerde dit naar het bedekken van het kruis en de beelden in de kerk met een paarse doek van Palmzondag tot Pasen.
De laatste decennia kreeg het gebruik van het hongerdoek vernieuwde belangstelling, niet meer om het altaar af te schermen maar voor pastoraal-catechetische motieven. Het gaat hierbij om doeken, meestal gemaakt door kunstenaars uit de derde wereld, waarop het verlossend lijden van Christus werd geprojecteerd op het lijden van de armen en de hongerigen. Ze roepen op tot bezinning en inzet, tot een hedendaagse beleving van de oproep tot vasten, gebed en het geven van aalmoezen.
Bron: J.LAMBERTS, Volksgebruiken in de loop van het liturgisch jaar, Averbode, Altiora, 2001, p. 78-79.