Vasten in de christelijke traditie(s)

In de christelijke traditie zijn verschillende belevingsvormen van vasten te ontdekken. Deze tonen verschillende perspectieven op het vasten, die steeds wezenlijk met elkaar verbonden zijn. Er zijn drie mogelijke benadering: wettisch, ascetisch & religieus-moreel. Deze drie onthullen steeds iets van het wezen van vasten, op een verschillende manier, maar steeds ook wezenlijk met elkaar verbonden daar het steeds om hetzelfde vasten gaat.

Het wettische aspect

In de wettische benadering kunnen we onderscheid maken tussen onthouding en vasten. Onthouding staat voor het zich onthouden van bepaald voedsel of drank. Deze onthouding wordt geregeld via een verzameling van geboden, verboden en wetteksten. Vasten staat voor deze onthouding op specifiek hiervoor vastgelegde tijden.

Onthouding

De wortels van de onthoudingswetten bevinden zich in het Oude Testament. In het tweede scheppingsverhaal geeft God aan de mens het verbod om te eten van de vruchten van de boom van de kennis van goed en kwaad. Dit is de symbolische uitdrukking dat er een grens is aan de vrijheid van de mens. Toch negeert de mens dit verbod en eet van de boom. De mens probeert de plaats van God in te nemen. Theologen noemen dit hoogmoed. De mens probeert volgens de Bijbel deze grens voortdurend te doorbreken. Denk maar aan Kaïn die Abel vermoordt of aan de mens die de hemel tracht te bestormen in het verhaal van de toren van Babel. Daarom wil God na de zondvloed duidelijker afspraken maken. Noah krijgt de toestemming om alles wat beweegt op aarde te eten, tenzij vlees waarin nog bloed zit. In Leviticus wordt dit voedselgebod meer technisch uitgewerkt. Dit vindt vandaag zijn neerslag in het joodse onderscheid tussen koosjer en niet-koosjer eten.

Christenen houden zich niet aan deze voedselwetten ten gevolge van een discussie tussen Petrus en Paulus. Petrus vond dat heidenen eerst jood moesten worden om christen te kunnen zijn, maar Paulus vond dit niet nodig. Hij won het pleit en zo moesten christenen zich niet eerst onderwerpen aan de joodse wetten en gebruiken, zoals de besnijdenis en de joodse voedselvoorschriften. Toch ontwikkelt zich in het vroege christendom ook een systeem van onthouding- en vastenwetten. Reeds vanaf de middeleeuwen was er een duidelijk systeem: op bepaalde dagen en in bepaalde periodes was het verboden om vlees te eten. Hier zit een theologische redenering achter. Het zich onthouden van vlees is een uitdrukking van de strijd tegen de zondige verlangens, die door Paulus ‘vleselijke verlangens’ genoemd worden. In de loop der tijden ontstond er een heel uitgebreid en rigide systeem met specifieke wetten over wie zich wanneer aan welke regels moest houden. Dit vond zijn neerslag in de codexen van het canoniek recht (1917 & 1983). Terwijl deze vastenwetgeving aanvankelijk bedoeld was om de inhoud en bedoeling van de vasten te beschermen en te stimuleren, kwam de klemtoon steeds meer te liggen op de regels om de regels en werden inhoud en bedoeling uit het oog verloren.

Vasten

Vroeger werd op iedere vrijdag en zaterdag gevast, op alle dagen van de veertigdagentijd, op bepaalde dagen tijdens de advent en ter voorbereiding van een aantal feesten zoals Pinksteren, Allerheiligen en Maria Immaculata. Ook in de vroegchristelijke gemeenten werden belangrijke gebeurtenissen voorbereid door vasten en gebed. Net als bij de onthoudingsregels groeide dit uit tot een uitgebreid wettelijk systeem doorheen de geschiedenis van de Kerk.

Een bijzondere periode van vasten is de veertigdagentijd. In de tweede eeuw ontwikkelde zich een vastenperiode als voorbereidingstijd op Pasen. Aanvankelijk was dit een korte periode van boetedoening op de vrijdag en de zaterdag voor Pasen en dit op ‘de dagen dat de bruidegom weggenomen was’ (Mt. 9, 15; Mc. 2, 20 & Lc. 5, 35). Pas in de vierde eeuw evolueerde het naar een periode van veertig dagen. Men koos voor deze tijdspanne omwille van symbolische redenen. Zo verbleef Mozes veertig dagen op de berg Sinaï zonder voedsel en drank, de zondvloed duurde veertig dagen en Christus zei neen tegen de verleidingen van de duivel tijdens een veertigdaagse vasten in de woestijn.

Aanvankelijk was deze veertigdaagse vastenperiode voorbehouden voor de boetedoening van de penitenten (gelovigen die omwille van zware zonden voor een periode buiten de kerkgemeenschap werden geplaatst en na veertig dagen van publieke boetedoening op Pasen terug in de gemeenschap opgenomen werden) en doopleerlingen, maar al snel werd het een vasten voor alle gelovigen, vanuit de theologie dat alle gelovigen moeten sterven met Christus om samen met Hem in de paasnacht opnieuw te verrijzen.

Het ascetische aspect

Deze benadering legt sterk de nadruk op ascese, onthechting, afstandname van het lichamelijke met de bedoeling dit lichamelijke te overstijgen. Deze vorm van ascetisch vasten is vooral gestoeld op Paulus, die schrijft over de strijd tussen het lichamelijke en het geestelijke. Hiermee verdedigt Paulus geen dualisme, waarbij het lichaam volledig slecht zou zijn en de geest onverdeeld goed. Hij vindt de ‘vleselijke ingesteldheid’ zondig, met name de neiging om zich te richten op het aardse. Lichamelijke onthouding moet dus beantwoorden aan een vasten van de geest. Vasten moet helpen om in aanraking met God te komen. Ascese ontkent dus het aardse niet, maar wil een te grote gehechtheid aan dit aardse voorkomen en binnen het aardse een ruimte creëren om in relatie met God te kunnen komen.

Het religieus-morele aspect

Dit aspect gaat op zoek naar de diepere inhoud en de authentieke bedoeling van de vasten. In het evangelie waarschuwt Jezus zelf tegen een verkeerde beleving van het vasten. Niet het uiterlijke vasten, maar de innerlijke gesteldheid telt en ascetische prestatiezucht is uit den boze. Vasten is met andere woorden een innerlijke gesteldheid: bekering van het hart. Augustinus plaatst vasten binnen een triptiek van vasten, aalmoezen geven en bidden. Vasten leert volgens hem beheersing en matiging. De behoefte aan eten en drinken wordt tot juiste proporties teruggebracht. Vasten helpt om zich te realiseren dat het eigen ik niet centraal staat in de schepping en om die schepping op een juiste wijze te gebruiken, namelijk steeds gericht naar de Schepper. Dit vasten drukt zich ook uit in een solidariteit met hen die zelf geen voedsel hebben. Dit impliceert een delen van de eigen bezittingen. Beide aspecten staan in het teken van de liefde tot God. Dit wordt uitgedrukt in het derde deel van de triptiek: de vasten is een periode van verdiept gebed.

Conclusie

Vasten is niet zoals de kinderen vroeger deden: veertig dagen niet snoepen, alle snoepjes gedurende de vasten opsparen in een doos en op Pasen alles opeten. Vasten is ook geen vorm van een religieus dieet, dat als doel op zich zou fungeren, de vergissing van de wettische benadering en waar sommige overijverige asceten de bal mis sloegen. Nee, de matiging van voedsel heeft te maken met enerzijds het herstellen van een innerlijk evenwicht door een bezinning hoe we ons tot de materiële wereld verhouden en anderzijds met het herstellen van rechtvaardigheid door te delen met de armen. Het is een periode van zelfonderzoek: zowel het uitzuiveren van de eigen verlangens en aspiraties (‘wat is belangrijk in mijn leven?’, ‘waar ligt het ware geluk?’) als een periode van bewustwording van de eigen kleine menselijke kanten, en vanuit dit besef van de eigen kleinheid er toe komen de kleinheid van anderen te vergeven. Deze hernieuwde openheid naar het eigen innerlijk en naar de medemens staat steeds in het teken van een hernieuwde openheid naar God: de triptiek van vasten, aalmoezen en gebed. Het is met andere woorden een bekeringsperiode van het hart, een periode waarin de mens opnieuw Gods barmhartigheid ontdekt.

Deze tekst is een samenvatting van de lezing ‘Geschiedenis van het christelijke vasten’ die Anthony Dupont gaf in het Parochiaal centrum van Kessel-Lo, op 12/03/08.