Het lijden is een harde realiteit: het is bloed, zweet en tranen. Verdriet en onafhankelijkheid, opstandigheid en wanhoop. Niet alleen een achtergrond van een gesprek, maar op dat moment vaak de voorgrond van het leven. Pijn die nu schreeuwt. Tranen die nu worden geschreid. Wees voorzichtig in het omgaan met het lijden. Wees schroomvol.
Niets zo ergerlijk, kwetsend of moeilijk dan te snelle zachte woorden op een open wonde, dan een lieflijk willen sussen van wat nog schreeuwt. Als het lijden pijn doet, als de pastorant echt lijdt, laat hem of haar dan de ruimte opdat Goede Vrijdag, Goede vrijdag kan zijn. En open de ruimte voor een stille zaterdag waarin niets hoeft, maar wel kan gebeuren… Geen te snelle zin betekenisgeving.
We hebben allemaal opvattingen van ‘hoe men het beste met lijden moet omgaan’. Het een keer zeggen, goed wenen, het positieve zien, vooruit denken, geen angst hebben voor de dood, etc. Wees je bewust van je eigen impliciete visie en zie ook hoe de normativiteit en idealisering die kan binnensluipen hinderlijk kan zijn voor je denken en voor de pastorant.
Luisterend en staand in het lijden, kan je gemakkelijk meegezogen worden. Zowel voor de professionaliteit van de pastor als voor het welzijn van de pastorant, is het belangrijk voldoende afstand te houden, scherp en klaar te kunnen kijken. Geëngageerde pastoraal kan veelzijdigheid, inzicht en een heldere blik integreren.
De Bijbel, de traditie, een levend geloof en gebedsleven kunnen de pastor van binnenuit vernieuwen en fundamenteel inspireren in het omgaan met het lijden. Zoveel verhalen en geloofsmysteries kunnen niet alleen voor de pastorant, maar bijzonder ook voor de pastor en zijn of haar zelfverstaan cruciaal zijn: zowel het mysterie van lijden en opstanding, als gemeenschap, triniteit, incarnatie… Hoe kan de schat van het geloof, mij als pastor, hier en nu in het lijden inspireren en aansporen om er te zijn? Wat zou Jezus doen moest Hij deze lijdende mens zien? Wat zou ik doen moest ik Jezus als lijdende mens, in deze lijdende mens zien?
Zowel in de theologie, als in de pastoraal en in de concrete realiteit van mensen, is het een moeilijke evenwichtsoefening om niet zodanig vast te steken in de ernst van het lijden dat men niet meer vooruit kan, en tegelijk zich niet zodanig op hoop te focussen dat al het lijden als bij toverslag verdwenen lijkt. Als pastor is het van belang, mee met de pastorant in de spanning te staan en te balanceren tussen hoop en ernst.
Als pastor is het belangrijk om oog te hebben voor wie er buiten onze ‘pastorale benadering’ kan vallen, en hoe we dat kunnen vermijden. Vanzelfsprekend moeten we pastoraal niet opdringen, maar de nood is wel groter dan de geëxpliceerde vraag van praktiserende katholieken. Hebben we oog en oor voor de velen die niet zo vertrouwd zijn met de christelijke traditie, die oprecht zoeken, maar bij wie ‘te hoge christelijke taal’, niet meteen weerklank vindt? Zijn we er echt voor iedereen?
Het is verleidelijk vanuit het pastoraal gesprek met een individuele focus, zeer sterk te focussen op het lijden van de patiënt als pastorant. Twee zaken zijn mag men echter niet uit het oog verliezen: Ten eerste lijdt een mens niet alleen. De partner, de kinderen, vrienden, maar ook het personeel lijdt mee. Schenken we hen voldoende aandacht, met tegelijk het realistische bewustzijn dat we er niet altijd voor iedereen helemaal kunnen zijn? Ten tweede is hetgeen de patiënt vaak het diepste leed berokkent niet noodzakelijk het lijden dat hem of haarzelf overkomt. Het is misschien niet de ziekte of naderende dood die de patiënt het meeste doet lijden, maar wel het besef zijn partner en kinderen alleen te moeten achterlaten, te zien hoe zij onmachtig lijden, ongewild verdriet te brengen…
Onnodig om als pastor de hele tijd zwaarmoedig met de pastorant om te gaan. Een pastor die vaak ongewild met ‘het levenseinde’ en ‘de laatste sacramenten’ wordt geassocieerd, is echter zoveel meer. Bezoekers en familie die vaak niet weten hoe zich te gedragen… patiënten maken al meer dan genoeg het ongemak mee van mensen die om kousenvoeten, met zwaarwichtige woorden voorzichtig rond het lijden balanceren, of over niets anders spreken. Doe gewoon. Spreek ook over een boek, het laatste nieuws, een verjaardag, de kleinkinderen, de rozen in de tuin, muziek... ook dat is pastoraal.
Er is geen vaste tijd om opstandig te zijn, een tijd om stilletjes aan ‘te moeten verwerken’, een tijd om vooruit te kijken, en een tijd om te hopen. Respecteer ieders ritme. Laat elke persoon met zijn of haar eigen persoonlijkheid, omstandigheden en eigen weg, wandelen op eigen tempo. Zonder vooraf bepaalde bestemming. Zonder vooraf bepaalde tijd. Gun de ander de tijd om zichzelf te mogen zijn… en laat dat ook gelden voor jezelf. Pastores en pastoranten zijn gewone, en net daarom bijzondere mensen. Geen superhelden in het omgaan met, of overstijgen van het lijden. Geen heroïsche zinzoekers die altijd ten allen tijde klaarstaan om alle leed te helen. Maar gewone buitengewone mensen.
Een eerste visie stelt dat het lijden past in het plan van God. God heeft het met andere woorden doelbewust gewild. Mensen die menen dat het lijden binnen Gods bedoelingen past, houden er vaak verschillende visies op na. Zo zijn er mensen die stellen dat God een soort van rechtvaardige rechter is die mensen straft voor wat ze hebben misdaan. Dat de straf daarbij totaal niet in proportie is met de misdaad, wordt meestal over het hoofd gezien. Wie ziek is of lijdt, moet wel iets verkeerd gedaan hebben, dat is de gedachte. Anderen gaan dan weer zeggen dat God met het lijden een welbepaald doel voor ogen heeft: hij wil de mensheid opvoeden. Zo gaat hij mensen die van het rechte pad afwijken, doen lijden opdat ze terug op het rechte pad zouden belanden. Het lijden is met andere woorden een beproeving en heeft tot doel om er beter uit te komen, om een beter mens te worden. Weer anderen zijn de mening toegedaan dat Gods wegen ondoorgrondelijk zijn. Wij stervelingen weten niet wat Gods beweegredenen zijn en we zwijgen er dan ook beter over. God zal het wel goed voor hebben met de mensheid en met het lijden heeft hij vast en zeker een bepaald doel voor ogen, maar wat dat is, weten we niet. Al deze visies, die telkens de nadruk leggen op de gedachte dat God het lijden heeft gewild en bedoeld, gaan Gods almacht heel sterk beklemtonen en dit ten koste van zijn goedheid.
Een tweede visie bestaat eruit dat mensen in hun reactie op het extreme lijden dat hen te beurt valt, of dat zij zien in de wereld, God gaan doodverklaren. Het geloof in een almachtige en goede God is voor hen onverzoenbaar met de realiteit van het lijden. Als God zou bestaan, zou hij het lijden niet toestaan, zo is de redenering, en er is nu eenmaal lijden, dus God bestaat niet. De bijbelse opvatting van een rechtvaardige God valt volgens hen niet te harmoniseren met het reële en pijnlijke menselijke lijden. Deze visie is dan ook een kritiek op de eerste visie waarbij het lijden als de wil van God werd gezien. Het beeld van een God die een doelbewust plan heeft met de mensheid en die het lijden wenst, wordt hier radicaal overboord gegooid, maar tegelijkertijd gaat men God helemaal doodverklaren en niet alleen bepaalde godsbeelden. God is dus noch de almachtige noch de algoede, want hij bestaat niet. Velen die God doodverklaren zijn er van overtuigd dat het bestaan zinloos is, en zelfs absurd. Het is een lukrake opeenvolging van gebeurtenissen die op zich geen betekenis hebben. Het doodverklaren van God leidt dan ook dikwijls tot een vorm van nihilisme waarbij het leven een worsteling wordt om te overleven, waarbij het recht van de sterkste primeert. Het enige wat religie nog kan bieden, is de inbedding van mensen in een religieuze gemeenschap die aan haar leden geborgenheid en verbondenheid biedt, zonder dat God daarbij te pas komt.
Een derde visie op het lijden bestaat erin dat men zich radicaal tegen het kwaad gaat afzetten, want het is niet omdat anderen lijden veroorzaken dat wij het goede moeten laten. Ook binnen deze visie weigert men te geloven in een God die het lijden wil of het zelfs veroorzaakt. Toch leidt dit er niet toe dat men God volledig aan de kant gaat schuiven, integendeel, men is ervan overtuigd dat God aan de kant van de lijdenden staat. In deze positie gaat men niet zozeer spreken over God maar wel tegen God: de vraag naar het lijden wordt aan God zelf gesteld. Men gelooft dat God niet aanwezig is in het kwaad, maar wel in de slachtoffers van het kwaad. Christus aan het kruis is de ultieme mede-lijdende en als God zelf lijdt, kan het menselijk lijden niet meer tegen God gekeerd worden. Dit betekent dat je God niet ziet in het kwaad dat mensen doen, maar wel in het protest tegen dit kwaad. God is geen boosdoener maar de bezielende idee van het goede in elke mens. Hier wordt dus vooral de nadruk gelegd op Gods goedheid en minder op zijn almacht.
Een laatste visie op de verhouding tussen God en het lijden ligt in de lijn van voorgaande visie maar nuanceert deze sterk. God is immers niet alleen kwaad op het kwaad, hij is ook groter dan het kwaad. Waar de vorige visie enkel de goedheid van God beklemtoonde, gaat deze visie toch ook nog de almacht van God opnemen, zij het dan op een heel andere manier dan de klassieke manier. Gods almacht toont zich immers niet zomaar in zijn directe tussenkomst in de geschiedenis. God is groter dan het kwaad en daarin toont zich zijn almacht, maar Gods almacht wordt vooral duidelijk in zijn ultieme vergeving. God is ook goed want Zijn keuze voor het goede is nog veel sterker en fundamenteler dan zijn afkeer voor het kwade. God laat het lijden dan ook niet zomaar toe, maar hij draagt het en hij zal het ook wegdragen, vanuit zijn diepe bekommernis om het goede.