‘Er zullen tekenen zijn aan zon, maan en sterren en op aarde zullen volkeren in angst verkeren… Wanneer zich dit alles voltrekt, richt u dan op en heft uw hoofden omhoog, want uw verlossing komt nabij.’ (Lucas 21, 26.28)
Gezegend het licht!
Gezegend mensen die goed zijn
de hand die niet slaat
de mond die niet verraadt
de vriend die zijn vriend niet verloochent.
Gezegend het licht!
Gezegend zij de vrouw voor de man
en de man voor de vrouw
en oud voor jong
en sterk voor zwak.
Gezegend het licht!
Gezegend die zich gegeven heeft
zich nemen laat,
die wordt gebroken,
uitgedeeld van hand tot hand,
als brood gegeten.
Gezegend het licht!
Gezegend het licht als wij donker zijn.
Gezegend het licht dat ziende maakt.
‘Een stem roept in de woestijn: Bereidt de weg van de Heer, maakt zijn paden recht… Heel de mensheid zal Gods redding zien.’ ( Lucas 3, 4b.6)
Gezegend dit uur!
Ommekeer veronderstelt dat het geen noodlot is als we vastzitten in onmacht en de weg naar een ander niet meer vinden. Ieder mens kan zich omkeren. Een stem roept: ‘keer om en bereidt de weg van de Heer’!
Geen naïef geroep, maar een voluit beseffen hoe wij voor elkaar donker kunnen zijn, hoe wij verslijten aan elkaar en pijnlijke lasten met ons meedragen.
Dat het anders kan, dat het anders moet en dat het anders zal… dat is bijbels.
Niet gemakkelijk: een weg te gaan in hoop en vrees.
Maar… als je gaat:
Gezegend dit uur!
‘In die tijd stelden de mensen Johannes de vraag: ‘Wat moeten we doen?’ Johannes gaf hun ten antwoord: Wie dubbele kleding heeft, laat hij delen met wie niets heeft; en wie voedsel heeft, laat hij hetzelfde doen.’ (Lucas 3, 10-11)
Gezegend die recht doet!
Bij alles wat gebeurt, schrikwekkend, mensonwaardig, nu hier, dan daar –
Leer ons aandacht hebben
voor wat óók gebeurt
en geschiedenis maakt:
voor gerechtigheid die volbracht wordt,
voor mensen die zich inzetten
ten einde toe en zich houden.
Gezegend die recht doet!
Wij bidden U voor onze kinderen
die zullen opgroeien
in een wereld van geweld en leugens,
met hier en daar veilige plaatsen –
wij bidden dat ze die zullen vinden;
mogen zij mensen ontmoeten
die hen behoeden en leren liefhebben.
Dat wij die mensen zijn.
Gezegend die recht doet!
‘Zodra Elisabet de groet van Maria hoorde, sprong het kind op in haar schoot. Elisabet werd vervuld met heilige geest… Waaraan heb ik het te danken dat de moeder van mijn Heer naar mij toe komt?’ Lucas 1, 41.43
Gezegend die komt!
Naar U gaat mijn verlangen, Heer,
Heer, mijn God, ik ben zeker van U.
Zoudt Gij ooit mij te schande maken,
neen, voor allen die op U wachten
zijt Gij een goede en be¬trouwbare God.
Maak mij, Heer, met uw wegen vertrouwd,
zet mij op het spoor van uw waarheid.
Zend mij uw licht en uw trouw tegemoet.
Steeds weer zoeken mijn ogen naar U,
hoe is uw naam, waar zijt Gij te vinden,
eeuwige God, wij willen U zien.
Naar U gaat mijn verlangen, Heer,
Heer, mijn God, ik ben zeker van U.
Kom! Gezegende!
Maria uit Nazaret
en Jozef uit de stam van David
kondigen u met vreugde de geboorte aan
van hun eerstgeborene
Hij ontving de Naam boven alle namen :
Jezus Emmanuel, God-met-ons,
Mensenzoon en Zoon van God.
Geboren in de heilige kerstnacht
om Redder van de wereld te zijn,
Licht voor alle volkeren,
het levende Woord.
Zalig Kerstfeest!
Je kunt het Kind vinden en ontmoeten
overal waar mensen goed zijn voor elkaar,
en vooral in je eigen hart.
Hij verlangt geen goud, wierook of mirre,
maar nodigt je uit
om met Hem mee op weg te gaan
en ‘ja’ te zeggen tegen de liefde en het leven.
Maria uit Nazaret
en Jozef uit de stam van David
kondigen u met vreugde de geboorte aan
van hun eerstgeborene
Hij ontving de Naam boven alle namen :
Jezus Emmanuel, God-met-ons,
Mensenzoon en Zoon van God.
Geboren in de heilige kerstnacht
om Redder van de wereld te zijn,
Licht voor alle volkeren,
het levende Woord.
Zalig Kerstfeest!
Je kunt het Kind vinden en ontmoeten
overal waar mensen goed zijn voor elkaar,
en vooral in je eigen hart.
Hij verlangt geen goud, wierook of mirre,
maar nodigt je uit
om met Hem mee op weg te gaan
en ‘ja’ te zeggen tegen de liefde en het leven.
De twaalfjarige Jezus zei hij tegen zijn ouders:
‘Waarom hebben jullie mij gezocht?
Wisten jullie niet dat ik bij mijn Vader moest zijn?’ (Lucas 2, 49)
Gij die genoemd wordt
Schepper, moeder, vader,
zegen ons met onze kinderen
en met allen die ons zijn toevertrouwd.
Wij bidden U voor alle ouders
dat zij de kracht mogen vinden
om hun kinderen groot te brengen
met wijsheid en geduld.
Voor onze kinderen die zullen opgroeien
in een wereld die vol is van geweld en leugens,
met hier en daar veilige plaatsen –
wij bidden dat ze die zullen vinden;
mogen zij mensen ontmoeten
die hen behouden en leren liefhebben.
Wij bidden voor kinderen zonder ouders
en voor mensen zonder kinderen,
zegen ons, een voor een, en allen tezamen,
laat niet varen het werk van uw handen
dat wij groeien in aandacht en liefde.
Toen Jezus te Betlehem in Juda geboren was, ten tijde van koning Herodes, kwamen er te Jeruzalem wijzen uit het oosten, en vroegen: ‘Waar is de pasgeboren koning der Joden? Want wij hebben zijn ster in het oosten gezien, en zijn gekomen om Hem onze hulde te brengen.’ (Matteüs 2, 1-2)
Lied aan het licht
Licht dat alle nacht verduurt,
vonk die ons bewaarde,
- ogen, sterren, hemelvuur –
troost maar deze aarde.
Jij mijn geliefde
naaste medemens
- open boek,
woord van vrede,
diepste wens –
jij mijn geliefde
naaste medemens,
vlam, lopend vuur,
raak mij,
steek mij aan.
Licht dat alle nacht verduurt,
vonk die ons bewaarde,
- ogen, sterren, hemelvuur –
troost maar deze aarde.
‘Terwijl Jezus na zijn doop in gebed was, geschiedde het dat de hemel openging en dat de heilige Geest over Hem neerdaalde, en dat een stem uit de hemel sprak: ‘Gij zijt mijn Zoon, de welbeminde, in U heb ik mijn gehagen gesteld’.
(Lucas 3, 21-22)
Stem die ook mij roept:
‘Wie ben je, mens, waar is je broer?’
Wij willen leven in Jezus’ spoor.
Daarom wij bidden U:
Om vriendelijkheid tussen mensen,
om aandacht en geduld
in deze harde snelle wereld,
om een leven menswaardig.
Behoed ons dat wij ons niet verharden
geef ons ogen voor elkaar.
Wees dichtbij en verlicht ons
als wij proberen dichtbij elkaar te zijn
in goede en kwade dagen. Gedenk in uw erbarmen
allen die bij ons horen,
geef ons elkaar te zegenen en te behoeden
en tot rust en vrede te zijn.
‘Iedereen zet eerst de goede wijn voor, en wanneer men eenmaal goed gedronken heeft, de mindere. U hebt de goede wijn tot nu bewaard.’
Zo maakte Jezus te Kana in Galilea een begin met de tekenen, en openbaarde zijn heerlijkheid. En zijn leerlingen geloofden in Hem. Johannes 2, 10-11
Als Jezus zijn optreden begint, breekt er een nieuwe tijd aan. De oude wet, een regime van berekening en misleiding, heeft zijn tijd gehad. In Kana wordt de bruiloft tussen God en mensen gevierd met een overvloed aan voortreffelijke wijn. De oude regels gelden niet meer. ‘Gij hebt de goede wijn tot het laatste bewaard!’ Het goed begint, als Jezus begint.
God van liefde, al uw aandacht en genegenheid gaat naar ons uit. Gij gunt ons alle goeds. Wij bidden U: maak ons open en ontvankelijk voor U en voor het feest dat Gij met ons vieren wilt, een feest van eensgezindheid, van zusterschap en broederschap in Jezus, uw geliefde Zoon, onze Heer. Amen.
‘… om aan armen
de blijde boodschap te brengen,
aan gevangenen
hun vrijlating bekend te maken
en aan blinden dat ze zullen zien:
om verdrukten
te laten gaan in vrijheid,
om een genadejaar af te kondigen
van de Heer.’ Lucas 4, 18b-19
Gij die boven mensen uit
genoemd wordt ‘God’
gezegend om uw naam
‘Ik zal er zijn’.
Als Gij bestaat, bewerk ons dan,
boetseer ons hart en ons verstand,
dat wij ontvankelijk worden voor uw naam.
Uw naam is dat Gij ons kent,
dat Gij goed zijt in liefde,
ongehoord in bevrijden,
dat ontferming uw kracht is.
God,
Gij mijn kracht,
grond onder mijn voeten,
licht in mijn ogen,
hoor mijn bidden:
laat niet los van mij, uw hand,
dat ik uw liefde proef in mensen.
Amen.
Simeon sprak: ‘Zie, dit kind is bestemd tot val of opstanding van velen in Israël, tot een teken dat weersproken wordt, opdat de gezindheid van vele harten openbaar moge worden.’ Lucas 2, 34-35a
Uit ‘Adem Licht’
Jij geeft mij vleugels en handen vol licht.
Jij leert mij leven
zonder gewicht,
lopen op water
en spelen met vuur.
Jij maakt mij open –
ik weet dag noch uur.
Hein Stufkens
In die tijd begon Jezus in de synagoge te spreken: ‘Het schriftwoord dat gij zojuist gehoord hebt is thans in vervulling gegaan.’
Hoort en ziet het levend woord.
Met het hart wordt hij gehoord.
Ziet de mens en zegt hem voort.
Die de naam heeft eens voorgoed,
dat hij leeft en liefde doet,
brood dat deze wereld voedt.
Eerste letter van de taal
licht waarin ik ademhaal
toekomst eenmaal andermaal –
die ons kent van zo dichtbij
een uit onze kring is hij,
een van ons bezingen wij.
Stem die mij roept: wie ben je,
mens waar is je broer?
Stem die geen naam heeft, nog niet, mensen zonder stem.
Woord dat aanhoudt.
God die mij vasthoudt.
Roep mij, dat ik leef.
Simon Petrus zei: ‘Heer, ga weg van mij want ik ben een zondig mens’. Jezus echter sprak: ‘Wees niet bevreesd, voortaan zult ge mensen vangen’. Lucas 5, 8.10b
Geroepen om mens te zijn
Komen ooit voeten gevleugeld mij melden de vrede,
daalt over smeulende aarde de dauw van de vrede,
wordt ooit gehoord uit mensenmonden dat woord:
wij zullen rusten in vrede.
Dan zal ik huilen en lachen en drinken en slapen;
dromen van vluchten en doden en huiverend ontwaken.
Maar niemand vlucht, nergens alarm in de lucht,
overal vrede geschapen.
Dan zal ik zwaaien naar vreemden,
zij zullen mij groeten.
Wie was mijn vijand?
Ik zal hem in vrede ontmoeten.
Dan zal ik gaan waar nog geen wegen bestaan –
vrede de weg voor mijn voeten.
Jezus sloeg zijn ogen op, keek zijn leerlingen aan en sprak: ‘Zalig gij die arm zijt, want aan u behoort het Rijk Gods’. Lucas 6, 20
Zalig, zalig, zalig, zalig, zalig…
… Woorden die ons uitnodigen tot
moed om de stilte uit te houden
openheid om te horen wat niet gezegd wordt
de wil om een ander ernstig te nemen
trouw in de aanwezigheid
… Woorden voor onderweg
Als je opgesloten bent
in woordeloos verdriet
laat mij dan
je stem
je trooster
zijn
zegt God
je zal zingen
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: ‘Tot u die naar Mij luistert zeg ik: bemint uw vijanden, doet wel aan die u haten, zegent hen die u vervloeken en bidt voor hen die u mishandelen… Wees barmhartig zoals uw Vader barmhartig is. Oordeelt niet, dan zult ge niet geoordeeld worden. Veroordeelt niet, dan zult ge niet veroordeeld worden’.
Lucas 6, 27-28.36-37
Dat onze liefde groot mag zijn,
groot genoeg om over grenzen heen
de vreemdeling onze hand te reiken.
Dat onze liefde vrij mag zijn,
vrij genoeg om de ravijnen
van vijandschap en haat te overbruggen.
Dat onze liefde warm mag zijn,
warm genoeg om in de koude nacht de dagen
met wat vrede toe te dekken.
Dat onze liefde diep mag zijn,
diep genoeg geworteld in de ziel
om in de droge tijden stand te houden.
Maak ons mild, God, zoals Gij,
geduldig en aandachtig in liefde,
wees ons daarin nabij met uw trouw.
Amen.
Vastentijd is
Het aanhoudend roepen
beantwoorden
uit je beslotenheid te treden
de levensdraden aan te halen
beeld van God te zijn.
WIJ BIDDEN:
dat uw woord ons leren zal
elkaar te zegenen en te behoeden;
dat wij ons keren naar elkaar
en niet uit het oog verliezen
allen die aan onze zorgen zijn toevertrouwd.
Hoe broos je ook bent
moge je op jouw manier
een open mens zijn
naar Gods bedoeling.
Vastentijd is
Het aanhoudend roepen
beantwoorden
uit je beslotenheid te treden
de levensdraden aan te halen
beeld van God te zijn.
WIJ BIDDEN:
dat uw woord ons leren zal
elkaar te zegenen en te behoeden;
dat wij ons keren naar elkaar
en niet uit het oog verliezen
allen die aan onze zorgen zijn toevertrouwd.
Hoe broos je ook bent
moge je op jouw manier
een open mens zijn
naar Gods bedoeling.
‘De Heer heeft ons verhoord en zich onze vernedering, ons zwoegen en onze verdrukking aangetrokken. Hij heeft ons uit Egypte geleid met sterke hand… Hij heeft ons naar deze plaats gebracht, en ons dit land geschonken: een land van melk en honing.’ (Deut. 26, 7b-8a.9)
Deze wereld omgekeerd…
Zijn woord wil deze wereld omgekeerd :
dat lachen zullen wij die wenen,
dat wonen zal wie hier geen woonplaats heeft,
dat dorst en honger zijn geleden.
Die onvruchtbaar bleef, zal vruchtbaar zijn,
die geen vader had, zal vader zijn;
mensen zullen and're mensen zijn,
de bierkaai wordt een stad van vrede.
Wie denken durft, dat deze droom het houdt,
een vlam die kwijnt maar niet zal doven,
wie zich aan deze dwaasheid toevertrouwt,
al komt de onderste steen boven :
die zal kreunen onder zorgen,
die zal vechten in 't verborgen,
die zal waken tot de morgen dauwt.
Hij zal zijn ogen niet geloven.
… levensruimte voor allen!
‘In die tijd nam Jezus Petrus, Johannes en Jakobus met zich mee, en besteeg de berg om er te bidden. Terwijl Hij in gebed was, veranderde zijn gelaat van aanblik, en werden zijn kleren verblindend wit… Uit de wolk klonk een stem die sprak: ‘Dit is mijn Zoon, de welbeminde, luistert naar Hem’.’ (Lucas 9, 28.35)
Bij name genoemd…
Als ik nog nooit jouw naam had gehoord,
zou je mij roepen, zou je mij zoeken,
zou je mij geven drinken en eten,
zou jij je leven delen met mij als brood.
Ik kende nauwelijks je naam toen je mij vroeg.
Sinds jij mij vroeg wie ik ben en waarom,
besta ik niet meer buiten jou om. Jij, onuitsprekelijke, god van mensen is jouw naam. Stem die mij roept waar is je broeder is jouw naam.
Ik kende nauwelijks je naam toen je mij vroeg.
Jouw zoon, jouw knecht zij de weg die wij gaan.
Jezus van Nazareth de weg die wij gaan.
Zijn woord, zijn geest, zijn weg ten leven:
Hij is onze toekomst hij is jouw naam.
Ik kende nauwelijks je naam toen je mij vroeg.
…worden we mekaar gaan kennen.
‘Iemand had een vijgenboom die in zijn wijngaard geplant stond; hij kwam zoeken of er vrucht aan zat, maar vond niets. Toen zei hij tot de wijngaardenier:…Hak hem om! Waartoe put hij de grond nog uit? Maar de man gaf hem ten antwoord: Heer, laat hem dit jaar nog staan; laat mij eerst de grond eromheen omspitten, en er mest op brengen. Misschien draagt hij het volgend jaar vrucht.’
(Lucas 13, 6-9)
Gij die gezegd hebt
dat Gij nooit varen laat
het werk van uw handen
beschaam ons toch niet.
Aan U vertrouwen wij ons toe!
Gij wacht op ons
totdat wij opengaan voor U.
Wij wachten op uw woord
dat ons ontvankelijk maakt.
Stem ons af op uw stem,
stem ons af op uw stem, op uw stilte.
Aan U vertrouwen wij ons toe!
‘Er moet feest en vrolijkheid zijn, omdat die broer van je dood was en levend is geworden, verloren was en is teruggevonden.’ (Lucas 15, 23)
Jij, mijn herder, niets zal mij ontbreken!
Wees nabij omwille van jouw naam.
Laat mij jouw wegen voelen,
breng mij in het spoor van jouw nabijheid.
Denk niet aan mijn vroegere ontsporingen, denk met genegenheid aan mij.
Wie weerloos zijn wijst hij het rechte spoor, wie weerloos zijn wijst hij de weg, genegenheid en trouw zijn het spoor van zijn nabijheid.
Wend je naar mij, begenadig mij,
zie ik ben eenzaam en weerloos.
Bevrijd mij uit mijn omklemming,
haal mij terug, ik ben ontspoord.
Laat mij niet beschaamd staan,
aan jou vertrouw ik mij toe.
Laat gaafheid en goedheid mij behoeden, naar jou zie ik uit.
Jij, mijn herder, niets zal mij ontbreken!
‘Terwijl Hij in het zand schreef zei Hij tot hen: Laat degene die zonder zonden is, het eerst een steen op haar werpen. Ze dropen één voor één af. Nu richtte Jezus zich op en sprak tot haar: Vrouw, waar zijn ze gebleven? Heeft niemand u veroordeeld? Zij antwoordde: Niemand, Heer. Toen zei Jezus tot haar: Ook ik veroordeel u niet; ga heen, en zondig van nu af niet meer.’ (Johannes 8, 7…11)
Uit diepten van ellende roep ik, Heer,
roep ik om hulp tot U, Gij kunt mij redden:
mijn ziel verwacht van U verlossing, Heer.
Aanhoor mijn schreien en mijn smeken, Heer,
wil naar mijn beeld’ uw oor te luist’ren leggen.
Zo Gij de zonden blijft gedenken, Heer,
wie zou voor U, och Heer, nog staande blijven?
Doch uw vergeving, schenkt Gij altijd, Heer,
zo blijven allen U eerbiedig dienen.
Op U blijft ook mijn ziel vertrouwen, Heer,
en zij vertrouwt uw woord en uw beloften.
Meer dan de wachter ’s nachts op dagend licht,
vertrouwt mijn ziel vol hoop op uw verhoring.
De wachters mogen uitzien naar het licht,
en Israël, uw volk, naar U verlangen.
Bij U is waarlijk mededogen, Heer,
verlossing en genade overvloedig.
(naar psalm 130)
Jezus zei tot Thomas:
‘Kom hier met uw vinger
en leg die in mijn zijde
en wees niet langer ongelovig maar gelovig.’
Toen riep Thomas uit:
‘Mijn Heer en mijn God!’
God,
als een roep klinkt uw naam:
‘Nooit laat Ik u in de steek’.
We zijn U dankbaar
voor allen die onder ons
uw naam laten ervaren
in hun helende aandacht
voor de littekens
en de verborgen pijnen
die we met ons meedragen.
Wij bidden U
dat wij zo’n mensen
mogen zijn voor wie we
op onze weg ontmoeten.
Maak ons open en ontvankelijk
voor allen
die onhoorbaar roepen
om een mens om mee te gaan.
‘Toen zij aan land waren gestapt, zagen zij dat er een houtskoolvuur was aangelegd met vis erop en brood. Jezus zei hun: Komt ontbijten. Wetend dat het de Heer was, durfde geen van de leerlingen Hem vragen: Wie zijt gij?’ Joh. 21, 9.12
Aan wat op aarde leeft,
geeft Gij hetzelfde brood
en wie er U om smeekt,
wordt met uw Geest gedoopt.
Geef ons dezelfde taal
om uw woord te verstaan.
Bewaar ons in uw hand,
bewaar ons in uw naam!
Een houtskoolvuur, vis en brood…
God voorziet. De maaltijd is gereed.
De richting is duidelijk: Jezus
is het brood des levens, ook hier en nu.
Heer God, ik geloof dat Jezus, uw Zoon,
aanwezig is in het teken van het Brood dat ik ontvangen heb en overal in de tekenen van liefde van mens tot mens.
‘ In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: Mijn schapen luisteren naar mijn stem, en ze volgen Mij. Ik geef hun eeuwig leven; zij zullen in eeuwigheid niet verloren gaan, en niemand zal ze van Mij wegroven.’ Joh. 10, 27-28
Een oude joodse wijsheid vertelt dat de hemel ons niet roept om anders, beter, mooier te zijn dan we zijn. We worden geroepen om ons vermogen tot liefde niet te vrezen of te minachten of te verstoppen, maar om dat vermogen tot ontplooiing te brengen…
Mijn herder is de Heer
Het zal mij nooit aan iets ontbreken.
Hij brengt mij door de nacht heen.
Hij is een licht dat daagt.
Hij geeft rust aan mijn onrust.
Hij geeft leven aan mijn ziel.
Hij is mij vertrouwd op vreemde wegen.
Een veilige gids.
Waar ik ook moet gaan
Al is het in het donker van de nacht.
Hij is bij mij. Hij is mijn licht.
Hij laat mij niet alleen.
Mijn herder is de Heer
Het zal mij nooit aan iets ontbreken.
‘Een nieuw gebod geef ik u: gij moet elkaar liefhebben. Hieruit zullen allen kunnen opmaken dat gij mijn leerlingen zijt: als gij de liefde onder elkaar bewaart.’ Joh. 13, 35
Gij die het sprakeloze bidden hoort
achter de woorden die wij tot U roepen.
Gij die de mensen ziet zoals geen mens.
Gij die uw woord in ons hebt neergelegd
in den beginne, als een bron van weten.
Gij die ons hebt geschapen naar U toe.
Wek onze kracht, vuur onze hartstocht aan, heradem ons dat wij in U volharden. Doe lichten over ons uw lieve Naam.
‘Ik zal er zijn’ is uw naam.
Wij bidden dat Gij met ons gaat
naar verte die niemand weet,
een leven in lief en leed.
Gij, liefde die mensen samensmeedt:
richt onze voeten op de weg van de vrede.
‘ … de helper, de heilige Geest, die de Vader in mijn naam zal zenden, Hij zal u alles leren, en u alles in herinnering brengen wat Ik u gezegd heb.’ Joh. 14, 26
De geest des Heren heeft
een nieuw begin gemaakt,
in al wat groeit en leeft zijn adem uitgezaaid.
De Geest van God bezielt
die koud zijn en versteend,
herbouwt wat is ver¬nield,
maakt één wat is verdeeld.
Wij zijn in Hem gedoopt,
Hij zalft ons met zijn vuur,
Hij is een bron van hoop in alle dorst en duur.
Wie weet vanwaar Hij komt?
Wie wordt zijn licht gewaar?
Hij opent ons de mond en schenkt ons aan elkaar.
De Geest die ons bewoont,
verzucht en smeekt naar God,
dat Hij ons in de Zoon doet opstaan uit de dood.
Opdat ons leven nooit in weer en wind bezwijkt,
kom, Schep¬per, Geest,
voltooi wat Gij begonnen zijt.
‘ Heilige Vader, ik bid voor hen die door het woord in Mij geloven, opdat zijn allen één mogen zijn zoals Gij, Vader, in Mij en Ik in U, dat zij ook in Ons mogen zijn, opdat de wereld gelove dat Gij Mij gezonden hebt.’ Joh. 17, 20-21
Mogen allen één zijn, Vader,
zoals Gij in Mij zijt en Ik in U ben;
mogen zij ook één zijn in Ons,
opdat de wereld gelove in Mij!
Heilige Vader, U wil ik Mij wijden
voor al wie Gij Mij toevertrouwt,
dat zij zich aan U wijden ook
in liefd' aan elkaar tot zelfs in de dood!
Heilige Vader, Ik bid ook voor allen,
die ooit zullen luist¬'ren naar hen
en blij geloven in uw woord;
ook zij wezen één, en één zoals Wij!
Heilige Vader, 'k wil dat zij met Mij zijn,
waar Ik blijvend zal zijn met U
en schouwen naar de heerlijk¬heid,
die gij aan Mij schonk voor alles bestond!
God,
Vader, Zoon en Heilige Geest,
Gij zijt mij doorgegeven
als een oud verhaal
dat spreekt
van nooit aflatende trouw
en van ongekende nabijheid.
Maak mij stil en aandachtig,
opdat ik U niet overstem,
maar U leer kennen als een God -
om-mensen-begaan.
Jezus nam de vijf broden en de twee vissen, sloeg de ogen ten hemel, sprak er de zegen over uit, brak ze en gaf ze aan zijn leerlingen om ze aan de menigte voor te zetten. Lucas 9, 16
Gij draagt en voedt de wereld.
Ons lief en leed
laat U niet onverschillig, God,
ons leven en geluk
is U een grote zorg.
Dag aan dag, en dieper dan wij durven vermoeden zijt Gij aanwezig
overal waar wij gaan.
Wij danken U voor die aanwezigheid,
die zo verborgen en kwetsbaar
zo trouw en daadwerkelijk is.
Wij geloven er in en leven van U
zoals wij leven van het brood
zoals wij hongeren en dorsten
naar vrede.
Jezus zei tot de farizeeër: ‘Haar zonden zijn haar vergeven, al zijn ze nog zo talrijk, want zij heeft veel liefde betoond. Weinig liefde betoont hij aan wie weinig wordt vergeven’. Daarop sprak Hij tot haar: ‘Uw zonden zijn u vergeven. Uw geloof heeft u gered. Ga in vrede.’ (Lucas 7, 47-49)
Ik sta voor U in leegte en gemis,
vreemd is uw naam, onvindbaar zijn uw wegen.
Gij zijt mijn God sinds mensenheugenis,
dood is mijn lot, hebt Gij een and’re zegen?
Zijt Gij de God bij wie mijn toekomst is?
Heer, ik geloof, waarom staat Gij mij tegen.
Mijn dagen zijn door twijfel overmand,
ik ben gevangen in mijn onvermogen.
Hebt Gij mijn naam geschreven in uw hand, zult Gij mij bergen in uw mededogen?
Mag ik nog levend wonen in uw land, mag ik nog eenmaal zien met nieuwe ogen?
Spreek Gij het woord dat mij vertroosting geeft,
dat mij bevrijdt en opneemt in uw vrede. Open die vreugde die geen einde heeft,
wil alle liefde aan uw mens besteden.
Wees Gij vandaag mijn brood zowaar Gij leeft.
Gij zijt toch zelf de ziel van mijn gebeden.
Ik zal zelf mijn schapen weiden en ze zelf een rustplaats wijzen. Het verloren dier zal ik zoeken,
het afgedwaalde terughalen, het gewonde verbinden, het zieke sterken, de vette en sterke dieren bewaren; Ik zal ze weiden zoals het behoort. Ezechiël 34, 16
Was jij mijn herder, niets zou mij ontbreken.
Breng mij naar bloeiende weiden
doe mij liggen aan vlietend water
Dat mijn ziel op adem komt
dat ik de rechte sporen weer kan gaan achter jou aan.
Moet ik de afgrond in, de doodsvallei,
ik zal bang zijn, ben jij naast mij –
ik zal niet doodgaan van angst.
Jij hebt de tafel al gedekt,
mijn spotters weten niet wat ze zien:
dat jij mijn voeten wast, ze zalft met balsem, mij inschenkt, drink maar zeg je.
Laat het zo blijven, dit geluk
deze genade, al mijn levensdagen.
Dat tot in lengte van jaren ik wonen zal
bij jou in huis.
Jij mijn herder, niets zal mijn ontbreken.
‘Wie zeggen de mensen dat ik ben?’
Zij antwoordden: ‘Johannes de Doper; anderen zggen: Elia; en weer anderen: een van de oude profeten is opgestaan.’
Hierop zei Hij tot hen: ‘Maar gij, wie zegt gij dat Ik ben?’ Lucas 9, 18b-19
Uit psalm 63
God, mijn God zijt Gij.
Ik zoek U met groot verlangen.
Naar U dorst mijn ziel
en hunkert mijn hart,
als dorre akkers naar regen.
Ik zal U prijzen zolang ik leef,
mijn handen uitstrekken naar U.
Mijn ziel wordt verzadigd
met voedzame spijs;
mijn mond zal U jubelend danken.
Want Gij zijt altijd
mijn beschermer geweest;
ik koester mij onder uw vleugels.
Met heel mijn hart
houd ik vast aan U;
het is uw hand die mij steunt.
Mijn hart prijst hoog de Heer!
Mij geschiede naar zijn woord.
Gods woord werkt als een spoor van licht. Hij gaat met ons mee, een weg van dagen.
Dat heeft Maria als onblusbaar vuur
gedragen in haar hart.
Wees gegroet (H. van Herreweghen)
Een somber, moe en angstig man,
zo simpel als hij bidden kan:
Maria, wees gegroet.
Gij glimlacht, daar ge in licht gewaad
in felle zon te glanzen staat
want gij zijt mild en goed.
En ‘k glimlach naar het ogenlicht
dat teer maakt uw verdroomd gezicht
en mij vertrouwen doet.
Glimlachend zien we elkander aan,
geef dat ik zo voor u mag staan
eens, en voorgoed.
Maria, wees gegroet.
Iemand zei: ‘Ik zal U volgen, Heer, maar laat mij eerst afscheid nemen van mijn huisgenoten’. Tot hem sprak Jezus: ‘Wie de hand aan de ploeg slaat, maar omziet naar wat achter hem ligt, is ongeschikt voor het rijk Gods’. Lucas 9, 61-62
Laten we bidden om moed,
dat we durven breken
met wat zijn tijd heeft gehad,
dat we ons niet blindstaren
op het verleden,
dat we ons niet laten verlammen
door heimwee naar vroeger.
Laten wij bidden om moed,
dat we nieuwe wegen durven gaan,
dat we afstand durven nemen
van wat we bezitten,
dat we voorrang geven
aan wat echt toekomst heeft.
Jezus zei: ‘In welk huis ge ook binnengaat, laat uw eerste woord zijn: vrede aan dit huis. In elke stad waar ge binnengaat en ontvangen wordt, eet wat u wordt voorgezet, genees de zieken die er zijn en zegt tot hen: het rijk Gods is u nabij’. (Lucas 10, 5.8-9)
Deze woorden
aan jou opgedragen,
hier en heden
prent ze in je hart,
berg ze in het binnenst
van je ziel,
leer ze aan je kinderen,
herhaal ze,
thuis en onderweg
waar je ook bent,
als je slapen gaat
en als je opstaat,
deze woorden
aan jou toevertrouwd.
‘Wie van deze drie lijkt u de naaste te zijn van de man die in handen van de rovers gevallen is?’ Hij antwoordde: ‘Die hem barmhartigheid betoond heeft.’ En Jezus sprak: ‘Ga dan en doet gij evenzo.’ Lucas 10, 36-37
Uitnodiging ter overweging:
° Van wie ben ik de naaste?
° Wat betekent het voor mij God te
beminnen?
Gij spreekt en roept
een woord dat om antwoord vraagt,
een naam die liefde uitlokt,
liefde geeft.
Waar doofheid heerst,
daar zijt Gij niet,
waar mensen stom zijn
en elkaar dood zwijgen,
daar zijt Gij niet.
Open dan onze mond en vul ons hart met goede woorden voor elkaar,
dat in ons uw liefde, uw bestaan zichtbaar mag worden. Amen.
De Heer gaf haar ten antwoord: ‘Marta, Marta, wat maak je je bezorgd en druk over veel dingen. Slechts één ding is nodig. Maria heeft het beste deel gekozen, en het zal haar niet ontnomen worden’. (Lucas 10, 38-42)
De drukte van het leven dwingt ons nogal eens tot het snelle lezen van onszelf en van anderen: als een telegram. Taakgerichtheid en efficiëntie doen selecteren en maken dat we geregeld functioneel aan elkaar voorbij gaan. Wij leven met telkens nieuwe doeleinden voor ogen. Eerst moet dit gebeuren en dan dat... maar wat als het plannen maken in duizend stukjes uiteen ligt? Dan gaat alles nood¬gedwongen veel trager. Dan wordt het detail belangrijk. Dan moet elk stukje van de puzzel nauwkeurig bekeken worden. Ook dat is een leerproces: het belangrijke reisdoel verandert in een oefening in wandelen, in een totaal andere manier van omgaan met de werkelijkheid.
‘Wat ik echter van een plein waardeer, is dat ze je
wegvoert van de metafoor waarin het leven als een
reis wordt voorgesteld. Een plein is een microkos¬mos,
niet iets om van de ene plaats naar de andere te gaan.
In een plein ligt geen doel besloten, geen
bestemming. Het is een plaats om te zijn, en niet
zomaar een willekeurige plaats.’ R. Hellenga
Gij die ons kent
in alle namen die wij dragen, in de zorgen die ons bezwaren,
wees bij ons, dat wij in vrede zijn.
Jezus sprak tot zijn leerlingen: ‘Wanneer gij bidt, zegt dan: Vader, uw naam worde geheiligd, uw rijk kome. Geef ons iedere dag ons dagelijks brood, en vergeef ons onze zonden, want ook wij vergeven aan ieder die ons iets schuldig is. En leid ons niet in bekoring’. Lucas 11, 1-3
Bidden is je toevertrouwen aan God, Vader, Moeder, grond van ons bestaan.
Bidden is je verlangen naar liefde en respect openhouden.
Bidden is beseffen dat honger in de wereld niet kan.
Bidden is ruimte herstellen tussen mensen: gij en ik en Gij.
Bidden is vragen naar richting en houvast.
Wij bidden U,
dat uw woord ons leren zal
elkaar te zegenen en te behoeden;
dat wij ons keren naar elkaar
en niet uit het oog verliezen
allen die aan onze zorgen zijn toevertrouwd.
Zegen ons daartoe, Gij die onze Vader zijt.
De rijke zei: ‘Dit ga ik doen: ik breek mijn schuren af en bouw grotere. Daarin zal ik dan heel mijn rijkdom aan koren opbergen’. Maar God sprak tot hem: ‘Dwaas! Nog deze nacht komt men je leven van je opeisen, en al die voorzieningen die je getroffen hebt, voor wie zijn die dan?’ Lucas 12, 18.20
Wat maak je je zorgen om geld en om goed?
Zolang je je leven maar kunt delen met anderen, ben je toch rijk genoeg?
Wij bidden om kracht
tot bezinning en aandacht:
dat wij ons scherper bewust worden
van wat dichtbij gebeurt, in onze buurt, maar ook buiten ons gezichtsveld:
dat mensen verarmen, dat hun leven verbitterd wordt door harde dienst.
Wij bidden voor onze kinderen
die zullen opgroeien in een wereld
van geweld en leugens,
met hier en daar veilige plaatsen –
wij bidden dat ze die zullen vinden;
mogen zij mensen ontmoeten
die hen behoeden en leren liefhebben.
‘Houdt uw lendenen omgord en de lampen brandend. Gedraag u als mensen die wachten op de terugkomst van hun heer, die naar de bruiloft is om, als hij aankomt en klopt, hem aanstonds open te doen.’ (Lucas 12, 35-36)
Naar psalm 130
Uitzien is mijn ziel naar hem
meer dan wachters naar de morgen wachtend op de morgen.
Vandaag worden wij opgeroepen om waakzaam te zijn! Dat is:
blijven geloven dat onze wereld toekomst heeft en je daarvoor willen inzetten;
de tekenen van de tijd verstaan en bemoediging vinden in het kleine begin.
Gij wacht op ons
totdat wij opengaan voor U,
wij wachten op uw woord dat ons ontvankelijk maakt.
Stem ons af op uw stem
op uw stilte.
In die tijd sprak Jezus tot zijn leerlingen: ‘Vuur ben Ik op aarde komen brengen… Meent gij dat Ik op aarde vrede ben komen brengen? Neen, zeg Ik u, juist verdeeldheid. Want van nu af zullen er vijf in één huis verdeeld zijn; drie zullen er staan tegenover twee en twee tegenover drie’. Lucas 12, 49a.51-52a
In de hemel onze vader
in een hemel die te hoog is –
waarom zijt Gij niet op aarde
hier nu God in mensen vrede?
Zijt Gij God en niet bij machte
moord en doodslag te voorkomen?
Waarom geeft Gij ons de vrijheid
elkaar zinloos te doen lijden?
Scheur de wolken kom bevrijden.
Plant uw geest in onze harten
zend uw kracht in onze handen
dat wij leren lief te krijgen
onze naaste, vriend en vreemde.
Dat wij medicijnen vinden
tegen het ondraaglijk lijden.
Dat de groten dezer aarde
zich bekeren tot de armen.
Scheur de wolken kom bevrijden.
Iemand vroeg Hem: ‘Heer, zijn er weinig die gered worden?’ Maar Hij sprak tot hen: ‘Spant u tot het uiterste in om door de nauwe deur binnen te komen, want, Ik zeg u, velen zullen proberen binnen te komen maar zij zullen daar niet in slagen’. Lucas 13, 23-24
Hoor! Maar ik kan niet horen.
Mijn oren dichtgestopt.
Mijn adem opgekropt.
Mijn hart van leegte zwaar.
Ik ben nog niet geboren.
Ik ben niet ik. Niet waar.
Hoor! Maar ik wil niet horen.
Zou ik uw woord verstaan,
ik moest uw wegen gaan,
U volgen hier en nu.
Ik durf niet zijn geboren
en leven toe naar U.
Hoor, roept Gij in mijn oren
en jaagt mijn angst uiteen.
O stem door merg en been
verwek mij uit het graf
uw mens opnieuw geboren.
O toekomst laat niet af.
‘Ga liever, als u ergens uitgenodigd bent, achteraan zitten. Dan zal de gastheer naar u toekomen en zeggen: Vriend, kom meer naar voren. Dat zal een eer voor u zijn in het oog van al uw disgenoten. Iedereen immers die zich verheft zal vernederd worden, maar wie zich vernedert zal verheven worden. Lucas 14, 10-11
In niet mis te verstane gelijkenissen is de kern van de boodschap vandaag: ‘Ieder die zich verheft, zal door God vernederd worden, en wie zich vernedert, zal door God verheven worden’.
De joodse wijsheid zegt dat elke mens in zich een pit draagt dat ‘geluk’ heet. Het verhaal stelt dat de westerse mens die pit in zichzelf zoekt, maar volgens de wijze draagt een ander mijn pit en ben ik drager van andermans pit. Zo worden we geroepen om elkaar te waarderen, te eerbiedigen en te leren kennen.
Dat ik ben niet meer of minder,
dan een mens, een kind van mensen,
één van velen, één met allen,
groot en nietig, weerloos, vrij.
Om te zijn elkaar tot zegen,
om te gaan een weg van dagen,
liefdesweg die ooit zal leiden
naar een menselijk bestaan.
‘Niemand van u kan mijn leerling zijn, als hij zich niet losmaakt van al wat hij bezit.’ (Lucas 14, 33)
Vanuit bijbelse liefde worden wij vandaag aangespoord om ons de vraag te stellen of wij wel echt tot Jezus’ leerlingen behoren.
Het is een oproep dat ons leven wil openen naar God en naar elkaar.
Gij,
die het sprakeloze bidden hoort
achter de woorden die wij tot U roepen.
Gij die de mensen ziet zoals geen mens.
Gij die Uw woord in ons het neergelegd
in den beginne als een bron van weten.
Gij die ons hebt geschapen naar U toe.
Wek onze kracht,
vuur onze hartstocht aan,
heradem ons
dat wij in U volharden.
Doe lichten over ons uw lieve naam.
‘Wanneer iemand onder u honderd schapen heeft en er één verliest, laat hij dan niet de negenennegentig in de wildernis achter om op zoek te gaan naar het verlorene?’ Lucas 15, 4
Gij God
zijt houvast in het leven, zo hopen wij.
Gij laat niet verloren gaan één mensenkind.
Wij bidden U:
zie onze wereld,
zie hoe wij leven in lief en leed.
Wij vertrouwen U onze geliefden toe.
Voor onze kinderen die opgroeien
in een wereld van geweld en leugens,
met hier en daar veilige plaatsen –
wij bidden dat ze vinden;
mogen zij mensen ontmoeten
die hen behoeden en leren liefhebben.
Bij alles wat gebeurt,
schrikwekkend, mensonwaardig,
nu hier, dan daar –
Leer ons aandacht te hebben
voor wat ook gebeurt
en geschiedenis maakt:
voor mensen die zich inzetten
en zorg dragen ten einde toe
en zich houden.
'Wie betrouwbaar is in het kleinste, is ook betrouwbaar in het grote; en wie onrechtvaardig is in het kleinste, is ook onrechtvaardig in het grote.’ Lucas 16, 10
Gij die in het verborgene ziet,
Gij die in mensen trouw nabij zijt,
die mij in mijn waardigheid aanspreekt:
om nieuwgeboren mensen,
om groot geluk,
om niet-meer-eenzaamheid,
om schoonheid,
om al het goede dat gedaan wordt, gezegend Gij.
Gij die oorsprong zijt
van al het goede dat gedaan wordt,
die ons aanspreekt, ondervraagt, bemoedigt, troost, vermaant
dat wij elkaar liefhebben:
geef dat wij leren
elkaar te zegenen en te behoeden;
dat wij ons keren naar elkaar
en niet uit het oog verliezen allen
die aan onze zorgen zijn toevertrouwd.
Er was eens een rijk man, die in purper en fijn linnen gekleed ging en iedere dag uitbundig feest vierde, terwijl een arme, die Lazarus heette, met zweren overdekt aan de poort lag…’ ( Lucas 16, 19-20)
Voor mensen, hier en overal,
die worden uitgebuit,
vernederd, wreed behandeld,
bidden wij U.
Voor hen die zich niet kunnen opwerken
uit hun armoede,
die van dag tot dag
uitzichtloos verdergaan;
voor wie de hoop hebben opgegeven
dat het ooit anders kan.
Troost ons met uw groot verhaal
over liefde sterk als de dood,
over uw trouw en ontferming.
Wees dichtbij en verlicht ons
als wij proberen elkaar nabij te zijn
in lief en leed
met zorg en aandacht.
Geef ons elkaar te zegenen en te behoeden.
In die tijd zeiden de apostelen tot de Heer: ‘Geef ons meer geloof’. De Heer antwoordde: ‘Als ge een geloof had als een mosterdzaadje, zoudt ge tot die moerbeiboom zeggen: maak uw wortels los uit de grond en plant u in de zee, en hij zou u gehoorzamen… Lucas 17, 5-6
Wil je wel geloven dat het groeien gaat,
klein en ongeloof’lijk
als een mosterdzaad,
dat je had verborgen
in de zwarte grond,
en waaruit een grote boom ontstond.
Wil je wel geloven het begin is klein,
maar het zal een wonder
boven wonder zijn
als je het gaat wagen
met Gods woord alleen;
dan gebeuren wonderen om je heen.
Wil je wel geloven dat je vrede wint,
als je vol vertrouwen leeft,
zoals een kind.
Als je een geloof hebt
als een mosterdzaad,
groeit de liefde uit boven de haat.
Een van hen keerde terug, toen hij zag dat hij genezen was, en hij verheerlijkte God met luide stem. Vol dankbaarheid wierp hij zich voor Jezus’ voeten neer; en deze man was een Samaritaan. Hierop vroeg Jezus: ‘Zijn niet alle tien gereinigd? Waar zijn dan de negen anderen?’ Lucas 17, 15-17
Psalm 118
Mijn God zijt Gij,
U wil ik danken zowaar als ik leef.
Ik was gevangen en riep: God.
En Hij heeft mij geantwoord.
Hij heeft mij de ruimte gegeven,
Hij komt voor mij op als een vriend.
Beter te schuilen bij God
dan te vertrouwen op mensen.
Beter te schuilen bij God
dan te vertrouwen op macht.
Ik was geslagen,
maar God heeft mij overeind geholpen.
Ik zal niet sterven, ik zal leven, Hij tilt mij op.
Mijn God zijt Gij, U wil ik danken, mijn God,
U in de hoogte steken. Ik spreek U uit,
ik noem uw Naam, zowaar als ik leef.
‘Zou God dan geen recht verschaffen aan zijn uitverkorenen die dag en nacht tot Hem roepen?’ Lucas 18, 7a
Een schoot van ontferming is onze God.
Hij heeft ons gezocht en gezien
zoals de opgaande zon aan de hemel.
Hij is ons verschenen
toen wij in duisternis waren,
in schaduw van dood.
Hij zal onze voeten richten
op de weg van de vrede.
Wij bidden:
Gij die gezegd hebt
dat Gij nooit varen laat
het werk van uw handen
beschaam ons toch niet.
Troost ons met uw groot verhaal
over liefde sterk als de dood,
over uw trouw en ontferming.
Zegen ons een voor een en allen tezamen dat wij uw weg gaan
van aandachtige liefde.
Het gebed van de arme dringt door de wolken heen, zolang het zijn doel niet bereikt, rust het niet; het laat niet af totdat de Allerhoogste zich erbarmt. Jezus Sirach 35, 17-18a
Voor mensen, hier en overal,
die worden uitgebuit,
vernederd, wreed behandeld,
veracht om hun huidskleur,
bidden wij U.
Voor hen die zich niet kunnen opwerken uit hun armoede,
die van dag tot dag
uitzichtloos verdergaan;
voor daklozen, zwervers,
voor kleine en grote verslaafden;
voor wie de hoop hebben opgegeven
dat het ooit anders kan.
Wij bidden dat onze ogen ook opengaan voor de tekenen van een nieuwe aarde die ook te zien zijn als wij goed zien.
Uw wereld niet, uw wereld toch –
Verberg uw Aangezicht niet.
Jezus sprak tot Zacheüs: ‘Vandaag is dit huis heil ten deel gevallen, want ook deze man is een zoon van Abraham. De mensenzoon is immers gekomen om te zoeken en om te redden wat verloren was’. Lucas 19, 9-10
Gij die ons in dit leven hebt geroepen, doe ons toebehoren aan elkaar.
Dat wij naar wegen zoeken
om elkaar van dienst te zijn,
dat wij niet losgeslagen leven
buiten uw bereik –
bescherm ons tegen onszelf.
Dat wij ons niet schamen
voor wie wij zijn, voor ons lichaam,
onze verlangens;
dat wij elkaar zonder angst bejegenen en niet overvragen;
dat wij dankbaar zijn
voor vriendschap en genegenheid;
dat wij in eenvoud geven en ontvangen en het niet moe worden
ons geluk te beproeven bij elkaar.
‘Broeders en zusters, moge de Heer Jezus Christus zelf, moge God, onze Vader die ons zijn liefde heeft betoond, en die ons in zijn genade eeuwige troost en blijde hoop heeft geschonken, uw harten bemoedigen en sterken met alle goeds in woord en daad.’ 2 Tess. 2, 16-17
Eeuwige,
gedenk uw woord van trouw
ons gegeven:
dat Gij niet vergeet één mensenkind, dat Gij nooit varen laat
het werk van uw handen.
Gezegend Gij
om nieuwgeboren mensen,
om groot geluk,
om niet-meer-eenzaamheid,
om schoonheid,
om al het goede dat gedaan wordt.
Maar treur met ons
om allen die weg zijn,
vernietigd, in rook opgegaan –
hun lege plaatsen,
hun namen niet meer genoemd.
Hoe moeten zijn leven
die hun geliefden hebben verloren?
Gezegend Gij als Gij ons antwoordt.
‘Voor u die mijn naam vreest, gaat de zon van de gerechtigheid op, en met haar vleugels brengt zij genezing. Zo spreekt de Heer van de hemelmachten.’ Mal, 20a
Het zal in vroegte zijn als toen.
De steen is weggerold.
Ik ben uit de grond opgestaan.
Mijn ogen kunnen het licht verdragen.
Ik loop en struikel niet.
Ik spreek en versta mijzelf.
Mensen komen mij tegemoet –
wij zijn in bekenden veranderd.
Het zal in alle vroegte zijn als toen.
De ochtendmist trekt op.
Ik dacht een dorre vlakte te zien.
Volle schoven zie ik, lange halmen,
aren waarin de korrel zwelt.
Bomen omranden het bouwland.
Heuvels golven de verte in,
bergopwaarts en worden wolken.
Wij overnachten in elkaars schaduw.
Wij worden wakker van het eerste licht.
Alsof iemand ons bij naam en toenaam heeft geroepen.
‘Christus is het beeld van de onzichtbare God, de eerstgeborene van de schepping… in Hem heeft God willen wonen in heel zijn volheid, om door Hem het heelal met zich te verzoenen, en vrede te stichten door het bloed aan het kruis vergoten om alles in de hemel en op aarde te verzoenen, door Hem alleen.’ Kol. 15, 19-20
Temidden van armen en eenvoudigen
is God mens geworden.
Omwille van de minsten is Hij in Jezus
dienstbaar geworden aan onze wereld.
Hij is door de wereld gegaan
als een koninklijk mens,
een dienstknecht;
als brood voor onderweg,
voedsel dat niet vergaat.
Wij hebben niets te vrezen:
God is onze reisgenoot!
God, schepper van alle dingen,
blijf bij ons aanwezig,
en maak onze oude aarde nieuw.
Herschep ons hart,
heradem ons verstand,
dat wij elkaar behoeden en doen leven.
Wees de stem die ons geweten wekt.
Verberg u niet.
Met dank aan Filip Zutterman