A-jaar

Eerste zondag van de advent - A

Weest waakzaam: geef aandacht aan de komst van God in uw leven. (naar Matteüs 24, 37-44)

Biddend in verbondenheid
met de actie van welzijnszorg

Werk armoede weg!

We laten een eerste lichtje branden als een teken van hoop,

Gij die ons roept
om ons heil niet te zoeken
in eigen haard en huis
maar in de warmte en het onderdak
dat wij anderen kunnen bieden:
doe ons Uw stem horen,
laat ons Uw licht zien
in Hem die als vreemdeling en dakloze
ons leven is binnengekomen
en de mensen hoop heeft gegeven

naar boven

Tweede zondag van de advent - A

In die tijd trad Johannes de doper op en hij predikte in de woestijn van Judea: ‘ Bekeert u, want het rijk der hemelen is nabij’. (Matteüs 3, 1-2a)

Biddend in verbondenheid
met de actie van welzijnszorg

Werk armoede weg!

We laten een tweede lichtje branden om goed te luisteren naar mensen die een weg voor de Heer willen banen.

U die ons de ogen opent
voor wat er in de wereld gebeurt,
U die ons hart sneller doet kloppen
als mensen om hulp vragen
of zich verontrecht voelen,
wees in ons:
Kracht en Hoop,
Uithoudingsvermogen en Liefde

naar boven

Derde zondag van de advent - A

Jezus antwoordde: ‘Gaat aan Johannes zeggen wat gij hoort en ziet: blinden zien en lammen lopen, melaatsen genezen en doven horen, doden staan op en aan armen wordt de blijde boodschap verkondigd’. ( Matteüs 11, 4-5)

Biddend in verbondenheid
met de actie van welzijnszorg

Werk armoede weg!

We laten een derde lichtje branden om ons hart te richten op wat tot vreugde strekt voor God en mensen.

Laten wij bidden
voor mensen met een huis vol problemen
omdat gebrek aan comfort en veiligheid
het leven verzuurt en bemoeilijkt
en voor spanningen zorgt in het gezin.

Gij die ons in dit leven hebt geroepen,
doe ons toebehoren aan elkaar.
Dat wij niet onvindbaar zijn,
doelloos, dood, in schijn gevangen.

naar boven

Vierde zondag van de advent - A

 In zijn droom verscheen Jozef een engel van de Heer, die tot hem sprak: Jozef, zoon van David, wees niet bevreesd, Maria, uw vrouw, tot u te nemen: het kind in haar schoot is van de heilige Geest. Zij zal een zoon ter wereld brengen, die gij Jezus moet noemen, want Hij zal zijn volk redden uit hun zonden.’  ( Matteüs 1, 20-21 )

Biddend in verbondenheid
met de actie van welzijnszorg

Werk armoede weg!

We laten een vierde lichtje branden om beter te zien waar het op aankomt: breekbaar licht van een sterke God.

'Hoe kun je het moment bepalen
waarop de nacht ten einde is en de dag begint?'
'Het is als je in het gezicht van een ander mens kunt kijken
en daarin je zuster of je broeder herkent.
Tot op dat moment is de nacht nog bij ons...'.

naar boven

Kerstmis

Maar de engel sprak tot de herders: ‘Vrees niet, want zie, ik verkondig u een vreugdevolle boodschap die bestemd is voor heel het volk. Heden is u een redder geboren, Christus de Heer, in de stad van David. En dit zal u een teken zijn: gij zult het pasgeboren kind vinden in doeken gewikkeld en liggend in een kribbe’. ( Lucas 2, 10-12 )

Maria uit Nazaret
en Jozef uit de stam van David
kondigen u met vreugde de geboorte aan
van hun eerstgeborene

Hij ontving de Naam boven alle namen :
Jezus Emmanuel, God-met-ons,
Mensenzoon en Zoon van God.

Geboren in de heilige kerstnacht
om Redder van de wereld te zijn,
Licht voor alle volkeren,
het levende Woord.

Zalig Kerstfeest!

Je kunt het Kind vinden en ontmoeten
overal waar mensen goed zijn voor elkaar,
en vooral in je eigen hart.

Hij verlangt geen goud, wierook of mirre,
maar nodigt je uit
om met Hem mee op weg te gaan
en ‘ja’ te zeggen tegen de liefde en het leven.

naar boven

Feest van de Heilige Familie

‘Toen de Wijzen waren heengegaan, verscheen een engel van de Heer in een droom aan Jozef en sprak: Sta op, neem het kind en zijn moeder, vlucht naar Egypte en blijf daar tot ik u waarschuw, want Herodes komt het kind zoeken om het te doden.’ ( Matteüs 2, 13 )

Gij die genoemd wordt
Schepper, moeder, vader,
zegen ons met onze kinderen
en met allen die ons zijn toevertrouwd.

Wij bidden U voor alle ouders
dat zij de kracht mogen vinden
om hun kinderen groot te brengen
met wijsheid en geduld.

Voor onze kinderen die zullen opgroeien
in een wereld die vol is van geweld en leugens,
met hier en daar veilige plaatsen –
wij bidden dat ze die zullen vinden;
mogen zij mensen ontmoeten
die hen behouden en leren liefhebben.

Wij bidden voor kinderen zonder ouders
en voor mensen zonder kinderen,
zegen ons, een voor een, en allen tezamen,
laat niet varen het werk van uw handen
dat wij groeien in aandacht en liefde.

naar boven

Openbaring van de Heer

Toen Jezus te Betlehem in Juda geboren was, ten tijde van koning Herodes, kwamen er te Jeruzalem wijzen uit het oosten, en vroegen: ‘Waar is de pasgeboren koning der Joden? Want wij hebben zijn ster gezien, en zijn gekomen om Hem onze hulde te brengen’. ( Matteüs 2, 1-2 )

Lied aan het licht

Licht dat alle nacht verduurt,
vonk die ons bewaarde,
- ogen, sterren, hemelvuur –
troost maar deze aarde.

Jij mijn geliefde
naaste medemens
- open boek,
woord van vrede,
diepste wens –

jij mijn geliefde
naaste medemens,
vlam, lopend vuur,
raak mij,
steek mij aan.

Licht dat alle nacht verduurt,
vonk die ons bewaarde,
- ogen, sterren, hemelvuur –
troost maar deze aarde.

naar boven

Doop van de Heer - A

Nadat Jezus gedoopt was ging de hemel open en Hij zag de Geest Gods neerdalen in de gedaante van een duif en over zich komen. En een stem uit de hemel sprak: ‘Dit is mijn Zoon, mijn veelgeliefde, in wie Ik welbehagen heb’. ( Matteüs 3, 16-17 )

Wij willen leven in Jezus’ spoor.
Daarom wij bidden U:

Om vriendelijkheid tussen mensen,
om aandacht en geduld
in deze harde snelle wereld,
om een leven menswaardig.
Behoed ons dat wij ons niet verharden
geef ons ogen voor elkaar.

Wees dichtbij en verlicht ons
als wij proberen dichtbij elkaar te zijn
in goede en kwade dagen. Gedenk in uw erbarmen
allen die bij ons horen,
geef ons elkaar te zegenen en te behoeden
en tot rust en vrede te zijn.

naar boven

Tweede zondag door het jaar – A

Johannes de doper getuigde: ‘Ik heb de Geest als een duif uit de hemel zien neerdalen, en Hij bleef op Hem rusten’. ( Johannes 1, 32 )

Geest van hierboven,
leer ons geloven, hopen,
liefhebben door uw kracht!

Overkom mij,
naar jou zie ik uit
aan jou vertrouw ik mij toe,
laat mij niet beschaamd staan.

Laat mij jouw wegen voelen,
breng mij in het spoor van jouw nabijheid.
Denk met genegenheid aan mij.

Wend je naar mij, begenadig mij,
zie ik ben eenzaam en weerloos,
bevrijd mij uit mijn omklemming,
haal mij terug.

Laat mij niet beschaamd staan,
aan jou vertrouw ik mij toe.
Laat gaafheid en goedheid mij behoeden,
naar jou zie ik uit.

Kom, Schepper, Geest.

naar boven

Derde zondag door het jaar – A

‘Het volk dat in duisternis zat, heeft een groot licht aanschouwd; en over hen die in het land van doodse duisternis waren, is een licht opgegaan.’ ( Matteüs 4, 16 )

Soms breekt uw licht
in mensen door onstuitbaar
zoals een kind geboren wordt.

De mysticus Eckhart zei:
‘Het heeft geen zin dat Jezus geboren wordt,
als hij niet geboren wordt in mij’.

Laten wij bidden
dat Licht ons overkomt
en dat wij voor elkaar dat licht mogen zijn.
Laten wij leven hem achterna.

Goed is
dat je goede woorden overweegt en wil
‘heb je naaste lief die is als jij
de vluchteling, de arme, doe hen recht’
- prent ze in het hart van je verstand,
die woorden –
zeg ze voor je uit, gezegend ben je,
een boom aan stromen levend water.
Naar psalm 1

naar boven

Vierde zondag door het jaar – A

Zalig de armen van geest, want aan hen behoort het rijk der hemelen. Zalig de treurenden, want zij zullen getroost worden. Zalig de zachtmoedigen, want zij zullen het land bezitten. Zalig die hongeren en dorsten naar de gerechtig-heid, want zij zullen verzadigd worden. Zalig de barmhartigen… Zalig de zuiveren van hart… Zalig die vrede brengen... Zalig! Zalig! ( uit Matteüs 5, 1-12a )

Uw koninkrijk komt - vrede en vreugde -
waar mensen blij zijn om uw genade,
waar mensen goed zijn voor elkaar.
Uw koninkrijk komt. De Heer zij met ons.

Uw koninkrijk komt - vrede en vreugde -
waar mensen bidden, danken en zingen,
waar mensen luist’ren naar uw woord.
Uw koninkrijk komt. De Heer zij met ons.

Uw koninkrijk komt - vrede en vreugde -
waar mensen geloven in uw liefde,
waar mensen vertrouwen in uw kracht.
Uw koninkrijk komt. De Heer zij met ons.

Uw koninkrijk komt - vrede en vreugde -
waar mensen leven naar uw geboden,
als mensen gaan waar Gij ze zendt.
Uw koninkrijk komt. De Heer zij met ons.

naar boven

Vijfde zondag door het jaar – A

In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: ‘Gij zijt het licht van de wereld…’ ( Matteüs 5, 14 )

Jezus’ spreken is een ode
aan wie in de nacht waken
en het licht dragen –
hun vurig verlangen wekt de dageraad.

Jij geeft mij vleugels
en handen vol licht.
Jij leert mij leven
zonder gewicht,
lopen op water
en spelen met vuur.
Jij maakt mij open –
ik weet dag noch uur.

Laten wij bidden
om mensen met licht in de ogen
die ons aanraken met hun licht
en ons verlangen doen ontbranden.

naar boven

Eerste zondag van de 40 dagen - A

In die tijd werd Jezus door de Geest naar de woestijn gevoerd om door de duivel op de proef gesteld te worden… Hij zei: ‘Weg, satan; er staat geschreven: de Heer uw God zult gij aanbidden, en Hem alleen dienen’. ( Matteüs 4, 1.11 )

Die de aarde boetseerde, grondvestte, vasthoudt.
Die haar niet geschapen heeft als een chaos.
Maar opdat zij ingericht en bewoond wordt.

Die niet heeft gesproken in het geheim,
niet gezegd heeft zoek mij maar in de leegte.
Maar “Hier ben ik, woon hier onder mijn woord”.

Hij zegt: God? Ik, God, Ik zal en geen ander.
Ik spreek recht, trouw, waarheid,
woorden die werken:
Licht! En zie licht, water, dorst naar dat water.

In uw woord is zwijgen tasten waken.
In uw woord is wachten luisteren horen.
In uw woord ontstaan wij, mensen uit mensen.

In uw woord is zon en aarde voor allen,
grond die draagt, licht, verte,
rozen rivieren.

Die ons hult in taal opdat wij leven,
spreek ons voort dat niet verstommen
wij, deze mensen.

naar boven

Tweede zondag van de 40 dagen – A

Uit de wolk klonk een stem: ‘ Dit is mijn liefste zoon, een man naar mijn hart. Luister naar hem. ( Matteüs 17, 5 )

Moge onder ons komen
die genoemd wordt zoon der mensen die gezegd wordt dood maar levend
die gehoopt wordt mens voor allen –

Moge onder ons komen deze,
niet in droom, in stand van sterren,
niet als spiegelbeeld in water
maar in mensentaal van liefde.

In dit mensenbrood gebroken, levenskansen, recht voor allen,
in het drinken van de beker,
in vergeving en ontferming.

Moge onder ons komen deze,
ogenlicht en levensadem,
knecht en koning, lam en herder,
lieve meester, woord van God.

naar boven

Derde zondag van de 40-dagentijd – A

‘ Wie van het water drinkt dat Ik hem zal geven, krijgt in eeuwigheid geen dorst meer; integendeel, het water dat Ik hem zal geven, zal in hem een waterbron worden, opborrelend tot eeuwig leven.’ (Joh. 4, 14)

Er is een dieper verlangen, er is een diepere dorst in wat wij van het leven maken. Er is een dieper ontvangen in geven en krijgen. Gij zijt die bron van waaruit wij leven.

Psalm 42

Zoals een hert reikhalst naar levend water,
zo wil ik, God, met heel mijn wezen naar U toe.
Ik dorst naar God, de levende God.

Wanneer sta ik eindelijk oog in oog met mijn God?
Ik heb geen brood dan tranen dag en nacht,
en altijd weer hoor ik ze zeggen:
waar blijft nu je God?

God, geef mij vandaag en iedere dag
een teken van liefde,
dan zal ik voor U zingen tot diep in de nacht,
zolang ik besta,
een lied voor de God van mijn leven.

Maar waarom zo moedeloos, waarom opstandig?
Ik zal wachten op God, en eens zal ik Hem danken:
Gij zijt mijn lijfsbehoud, Gij zijt mijn God.

Hij moge van mij maken een bron die zacht en vrolijk stroomt. Dat ik mij geven mag aan de wortels van het gras en van de bloemen.

naar boven

Vierde zondag van de 40-dagentijd – A

‘Toen spuwde Jezus op de grond, maakte met het speeksel slijk, bestreek daarmee de ogen van de blinde, en zei: Ga u wassen in de vijver van Siloam – wat betekent: gezondene. Hij ging ernaar toe, waste zich, en kwam er ziende vandaan.’ (Joh. 9, 6-7)

Laten we bidden
dat God voor ons licht mag zijn als wij donker zijn:

Soms breekt uw licht in mensen door onstuitbaar
zoals een kind geboren wordt.
In Jezus zien wij uw licht.
Geen duisternis heeft ooit hem overmeesterd.

Wij willen leven hem achterna.
Kom dan met uw licht, dat wij leven.

Laten wij bidden
om Gods zegen als licht over ons leven:

Licht dat ons aanstoot in de morgen,
aanhoudend licht dat overwint.
Vaderlijk licht steevaste schouder,
draag mij, ik ben jouw kijkend kind.
Licht, kind in mij, kijk uit mijn ogen
of ergens al de wereld daagt
waar mensen waardig leven mogen
en elk zijn naam in vrede draagt.

naar boven

Vijfde zondag van de 40-dagentijd – A

‘Mijn geest zal ik over u uitstorten, en gij zult leven; ik zal u vestigen op uw eigen grond, en gij zult weten dat ik de Heer ben: wat ik zeg, dat volbreng ik! Zo luidt de godsspraak van de Heer.’ (Ez. 37, 14)

Hij die gesproken heeft een woord dat gààt,
een tocht door de woestijn, een weg ten leven, een spoor van licht dat als een handschrift staat tegen de zwartste hemel aangeschreven:
Hij schept ons hier een nieuwe dageraad,
Hij roept ons aan: ‘Ik zal jou niet begeven’.

Hij die ons in zijn dienstwerk heeft gewild,
die het gewaagd heeft onze hand te vragen;
die ons uit angst en doem heeft weggetild
en ons tot hier op handen heeft gedragen;
Hij die verlangen wekt, verlangen stilt –
vrees niet, Hij gaat met ons, een weg van dagen.

Van U is deze wereld, deze tijd.
Gij hebt uw stem tot op vandaag doen klinken. Uw naam is hartstocht voor gerechtigheid,
uw woord de bron waaruit wij willen drinken. Gij die tot hiertoe onze toekomst zijt –
dat wij niet in vertwijfeling verzinken.

naar boven

Tweede zondag van Pasen - A

 Jezus zei tot Thomas:
‘Kom hier met uw vinger en leg die in mijn zijde en wees niet langer ongelovig maar gelovig’. Toen riep Thomas uit:
‘Mijn heer en mijn God!’

God,
als een roep klinkt uw naam:
‘Nooit laat Ik u in de steek’.

We zijn U dankbaar
voor allen die onder ons
uw naam laten ervaren
in hun helende aandacht
voor de littekens
en de verborgen pijnen
die we met ons meedragen.

Wij bidden U
dat wij zo’n mensen
mogen zijn voor wie we
op onze weg ontmoeten.
Maak ons open en ontvankelijk
voor allen
die onhoorbaar roepen
om een mens om mee te gaan.

naar boven

Derde zondag van Pasen - A

‘Blijf bij ons, want het wordt al avond en de dag loopt ten einde. Toen ging Hij binnen om bij hen te blijven. Terwijl Hij met hen aanlag, nam Hij brood, sprak de zegen uit, brak het, en reikte het hun toe. Nu gingen hun ogen open, en zij herkenden Hem, maar Hij verdween uit hun gezicht.’  (Lucas 24, 29-31)

Komen ooit voeten gevleugeld
mij melden de vrede,
daalt over smeulende aarde
de dauw van de vrede,
wordt ooit gehoord
uit mensenmonden dat woord :
wij zullen rusten in vrede.

Dan zal ik zwaaien naar vreemden,
zij zullen mij groeten.
Wie was mijn vijand?
Ik zal hem in vrede ontmoeten.
Dan zal ik gaan
waar nog geen wegen bestaan
vrede de weg voor mijn voeten.

naar boven

Vierde zondag van Pasen - A

‘Wie door de deur binnengaat is de herder van de schapen. De schapen luisteren naar zijn stem; hij roept de schapen bij hun naam en leidt ze naar buiten. Hij trekt voor hen uit, terwijl zij hem volgen, omdat zij zijn stem kennen.’ (Joh. 10, 2…4)

Mijn herder is de Heer
Het zal mij nooit aan iets ontbreken.
Hij brengt mij door de nacht heen.
Hij is een licht dat daagt.

Hij geeft rust aan mijn onrust.
Hij geeft leven aan mijn ziel.
Hij is mij vertrouwd op vreemde wegen.
Een veilige gids.

Waar ik ook moet gaan
Al is het in het donker van de nacht.
Hij is bij mij. Hij is mijn licht.
Hij laat mij niet alleen.
Mijn herder is de Heer
Het zal mij nooit aan iets ontbreken.

Hij vervult mijn verlangen
Hij stilt mijn honger en lest mijn dorst.
Die tegen mij zijn moeten het aanzien:
Mijn herder is de Heer
Het zal mij nooit aan iets ontbreken.

naar boven

Vijfde zondag van Pasen - A

‘Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Niemand komt tot de Vader tenzij door Mij’. (Joh. 14, 6)

Wat willen we dat mensen van ons zeggen?
Hoe willen wij gezien worden door onze naasten?

‘Ik ben de weg, de waarheid en het leven,’ zo wil Jezus bij ons zijn.
Wat dat betekent maken de vele namen duidelijk die Hem werden gegeven:

Naaste. Vreemde. Jood. Zaad.
Boom aan de bron. Bruidegom. Weg.
Droom van een mens. Deur open. Hoeksteen. Sleutel.
Leeuw van Juda. Lam. Gerechte.
Herder. Parel. Twijgje. Vis.
Brood. Woord.
Wijnstok. Zoon van God. Knecht.
Stromen levend water. Morgenster. Koploper. Enige. Onzegbaar gezegde.

naar boven

Zesde zondag van Pasen - A

‘In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: Ik zal u niet verweesd achterlaten: Ik keer tot u terug. Nog een korte tijd, en de wereld ziet Mij niet meer; gij echter zult Mij zien, want Ik leef en ook gij zult leven.’ (Joh. 14, 18-19)

Gij zijt voorbijgegaan,
een steekvlam in de nacht,
De vonken van uw naam
zijn ogen in ons hart.
In flarden hangt uw woord
om onze wereld heen,
wij leven in u voort, wij zijn met u bekleed.

Gij zijt voorbijgegaan,
een voetspoor in de zee.
Gij zijt te ver gegaan,
Gij zijt een mens te veel.
Gij zijt voorgoed,
Gij zijt verborgen in uw God.
Geen stilte spreekt U uit,
ondenkbaar is uw dood.

Gij zijt voorbijgegaan,
een vreemd bekend gezicht,
een stuk van ons bestaan,
een vriend, een spoor van licht.
Uw licht is in mijn bloed,
mijn lichaam is uw dag,
ik hoop U tegemoet zolang ik leven mag.

naar boven

Zevende zondag van Pasen - A

‘In die tijd sloeg Jezus zijn ogen ten hemel, en zei: Ik bid voor hen. Niet voor de wereld bid Ik, maar voor hen die Gij Mij gegeven hebt, omdat zij U toebehoren. Ik blijf niet langer in de wereld, zij echter blijven in de wereld, terwijl Ik naar U toekom.’ (Joh. 17, 1a.9.11a)

Als ik nog nooit jouw naam had gehoord,
zou je mij roepen, zou je mij zoeken,
zou je mij geven drinken en eten,
zou jij je leven delen met mij als brood.

Ik kende nauwelijks je naam toen je mij vroeg.

Sinds jij mij vroeg wie ik ben en waarom,
besta ik niet meer buiten jou om.
Jij, onuitsprekelijke,
God van mensen is jouw naam,
stem die mij roept: ‘Waar is je broeder?’
is jouw naam.

Jouw zoon, jouw knecht, zij de weg die wij gaan. Jezus van Nazaret, de weg die wij gaan.
Hij is onze toekomst, hij is jouw naam.

naar boven

Achtste zondag door het jaar – A

Vraag je dus niet bezorgd af: Wat zullen we eten? Wat zullen we drinken? Wat zullen we aantrekken? Zoek eerst het koninkrijk van God en zijn gerechtigheid, dan krijg je dat alles erbij.(Matteüs 6, 32.34)

Zolang er mensen zijn op aarde

Zolang er mensen zijn op aarde,
zolang de aarde vruchten geeft,
zolang zijt Gij ons aller Vader :
wij danken U voor al wat leeft.

Zolang de mensen woorden spreken,
zolang wij voor elkaar bestaan,
zolang zult Gij ons niet ontbreken,
wij danken U in Je¬zus' Naam.

Gij voedt de vogels in de bomen,
Gij kleedt de bloemen op het veld.
O Heer, Gij zijt mijn onderkomen,
en al mijn dagen zijn ge¬teld.

Gij zijt ons licht, ons eeuwig leven,
Gij redt de wereld van de dood.
Gij hebt uw Zoon aan ons gegeven,
zijn lichaam is het levend brood.

Daarom moet alles U aanbidden,
uw liefde heeft het voortge¬bracht.
Vader, Gijzelf zijt in ons midden.
O Heer, wij zijn van uw geslacht.

naar boven

Negende zondag door het jaar – A

Ieder die Mij hoort en doet wat Ik zeg, zal het vergaan als een verstandig man die zijn huis bouwde op de rots. De regen viel neer, de bergstromen kwamen omlaag, de wind stak op en ze stortten zich op dat huis, en het stortte niet in, want het was op de rots gegrondvest. (Matteüs 7, 24-25)

Naar psalm 121

Onze hulp in de Naam
die hemel en aarde gemaakt heeft.
Die trouw blijft tot in lengte van dagen.
Die sprak ‘er zij licht’
die zag dat het goed was
die nooit varen laat het werk van zijn handen.

Wij bidden om vaste grond voor onze kinderen die opgroeien in een wereld
van geweld en leugens,
met hier en daar veilige plaatsen.
Wij bidden dat ze die zullen vinden;
mogen zij stevige mensen ontmoeten
die hen behoeden en leren liefhebben.
Zegen ons allen, een voor een.
Zie naar ons om, dat wij leven.

naar boven

Tiende zondag door het jaar - A

De Farizeeën zeiden tot zijn leerlingen: ‘Waarom eet uw Meester met tollenaars en zondaars?’ Jezus hoorde dit en zei: ‘Ik wil liever barmhartigheid dan offers. Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars’. (Mt. 9, 11-13)

Naar Psalm 25

Naar U klimt mijn ziel.
Richt mij. Beur mij op.
Ik verlang naar jou.
Jij beschaamt mij niet.

Wek uw kracht in mij,
dat ik mij bevrijd;
dat ik niet ontzet,
zoveel kwaad in zicht,
wegkruip in de kuil,
wegkom in de droom.
‘Er zij licht’, spreekt Gij,
‘er zij deze dag’.
Doe uw woord gestand.
Spreek opdat ik leef.

naar boven

Elfde zondag door het jaar - A

‘In die tijd werd Jezus bij het zien van de menigte, door medelijden bewogen, omdat ze afgetobd neerlagen als schapen zonder herder… Hij riep zijn twaalf leerlingen bij zich en gaf hun de macht om de onreine geesten uit te drijven en alle ziekten en kwalen te genezen.’ (Mt. 9, 36. 10,1)

Gij die ons in dit leven hebt geroepen, gezegend zijt Gij
om alle vriendschap
om warmte en intimiteit tussen mensen
om eerbied en sympathie.

Wij bidden U
dat wij elkaar blijven zoeken.
Dat wij ons niet schamen voor wie wij zijn, dat wij elkaar zonder angst bejegenen
en niet overvragen;
dat wij dankbaar zijn
voor vriendschap en genegenheid;
dat wij in eenvoud geven en ontvangen
en het niet moe worden
ons geluk te beproeven bij elkaar.

Troost ons met uw groot verhaal
over liefde sterk als de dood,
over uw trouw en ontferming
betoond aan Jezus, uw kind.

naar boven

Twaalfde zondag door het jaar – A

Jezus zei tot zijn apostelen: ‘Verkoopt men niet twee mussen voor een stuiver? En toch zal buiten de wil van uw Vader niet één mus op de grond vallen. Bij u echter is zelfs ieder haar van uw hoofd geteld. Weest dus niet bevreesd.’ (Matteüs 10, 29-31a)

Naar psalm 139

Gij, Gij peilt mijn hart, Gij doorgrondt mij,
Gij weet mijn gaan en mijn staan.
Gij kent mijn gedachten van verre,
mijn reizen en trekken, mijn rusten.

Achter mij zijt Gij en voor mij uit.
Gij legt uw handen op mij.
Dit is wat ik niet kan begrijpen, niet denken, dit gaat mij te boven.

Beklim ik de hemel, daar zijt Gij,
daal ik af in de aarde, daar vind ik U ook.
Had ik vleugels van morgenrood, vloog ik over de verste zeeën, ook daar Gij, uw hand,
uw rechterhand die mij vasthoudt.

Uw schepping ben ik in hart en nieren,
Gij hebt mij geweven in de schoot van mijn moeder.
Ik wil U bedanken daarvoor,
dat Gij mij ontzagwekkend gemaakt hebt.
Gij eeuwige, peil nu mijn hart, doorgrond mij.
Leid mij voort op de weg van uw dagen.

naar boven

Dertiende zondag door het jaar - A

Jezus zei tot zijn apostelen: ‘Wie zijn leven vindt, zal het verliezen, en wie zijn leven verliest om mijnentwil, zal het vinden. Wie u opneemt, neemt Mij op; en wie Mij opneemt, neemt Hem op die Mij gezonden heeft’. (Matteüs 10, 39-40)

Roept God een mens tot leven,
wie weet waarom en hoe,
hij moet zichzelf prijsgeven, hij leeft ten dode toe.

Gods woord roept door de tijden,
zijn volk en grijpt het aan,
Hij doet het uitgeleide, het moet de zee ingaan.

Geroepen en verzameld uit dood en slavernij,
gedoopt in woord en water, dat volk van God zijn wij.

Wij werden nieuw geboren toen de mens Jezus kwam,
die als een slaaf de zonde der wereld op zich nam.

Met Hem in geest en water tot zoon van God gewijd,
zijn wij met Hem begraven, verrezen voor altijd.

Gestorven voor de zonde, in Jezus' bloed vereend,
en met elkaar verbonden, levend voor God alleen.

Wie Jezus' kelk wil drinken, zijn doop wil ondergaan,
zal in de dood verzinken en uit die dood opstaan.

Hij zal zijn leven geven, hij maakt zichzelf tot brood,
hij sterft en and'ren leven, hij overleeft de dood.

naar boven

Veertiende zondag door het jaar – A

 In die tijd sprak Jezus: ‘Komt allen tot Mij, die uitgeput zijt en onder lasten gebukt, en Ik zal u rust en verlichting schenken. Neemt mijn juk op uw schouders, en leert van Mij: Ik ben zachtmoedig en nederig van hart; en gij zult rust vinden voor uw zielen, want mijn juk is zacht en mijn last is licht’. (Matteüs 11, 28-30)

Als ik nog nooit jouw naam had gehoord
zou jij mij roepen, zou je mij zoeken,
zou je mij geven drinken en eten
zou jij je leven delen met mij als brood.

Ik kende nauwelijks je naam toen je mij vroeg.

Sinds jij mij vroeg wie ik ben en waarom
besta ik niet meer buiten jou om.
Jij, onuitsprekelijke,
god-van-mensen is jouw naam.
Stem die mij roept:
waar is je broeder is jouw naam.

Ik kende nauwelijks je naam toen je mij vroeg.

Jouw zoon, jouw knecht zij de weg die wij gaan Jezus van Nazaret de weg die wij gaan.
Zijn woord, zijn geest, zijn weg ten leven:
de weg die wij gaan.

Ik kende nauwelijks je naam toen je mij vroeg.

naar boven

Vijftiende zondag door het jaar – A

 ‘Eens – zo begon Jezus – ging een zaaier uit om te zaaien… Het zaad dat in goede aarde werd gezaaid, zijn zij die het woord horen en begrijpen en daarom vrucht dragen…’ (Matteüs 13, 23)

‘Zo zal het gaan met het woord dat komt uit mijn mond: het keert niet vruchteloos naar Mij terug; het keert pas weer, wanneer het mijn wil heeft volbracht, en zijn zending heeft vervuld.’
(Jesaja 55,11)

Een zaaier ging uit om te zaaien,
hij zaaide zo wijd als de wind,
zo wijd als de winden waaien
waar niemand een spoor van vindt.

Een deel van het zaad ging verloren,
een deel van het zaad werd brood,
maar niemand weet van te voren
de weg van het zaad in de schoot.

Het wordt op de wegen vertreden,
het valt in een vruchteloos graf,
het sterft aan de doornen beneden,
de vogels van boven af.

De lage, de hoge gevaren
bedreigen het kiemende graan,
maar soms kan het openbaren
de zin van het aardse bestaan.

Er is geen verwachting van leven,
tenzij in de dood van het zaad,
wij moeten de aarde vergeven
dat zij ons sterven laat.

O Zaaier, ga uit om te zaaien
de kiem waaruit leven onstond,
zo wijd als de winden waaien
en maak ons tot moedergrond!

naar boven

Zestiende zondag door het jaar - A

‘Toen de halmen opgeschoten waren en vrucht hadden gezet, was ook het onkruid te zien… Jezus zei: ik ben bang dat ge, wanneer ge het onkruid bijeengaart, de tarwe mee uittrekt. Laat beide samen opgroeien tot de oogst, en met de oogsttijd zal ik de maaiers zeggen: haalt eerst het onkruid bijeen en bindt het in bussels om te verbranden, maar slaat de tarwe op in mijn schuur.’ (Matteüs 13, 29-30)

Vanuit het besef dat goed en kwaad, lief en leed in het leven dooreengevlochten zijn bidden tot een God die maar laat gebeuren… Om troost en richting.

Jij,
Geen veilig pad om langs te gaan
geen plek geen been om op te staan
geen rots om op te bouwen.
geen bron die uit de rotsen breekt
geen bloed dat stuwt, geen hart dat spreekt,
geen ziel om in te schouwen.
Geen gulden regel, rond getal,
geen laatste gericht in dit heelal
onwrikbaar onbewogen.
Maar mensen die verminkt en klein
ontheemd ontkend toch mensen zijn
roepend om mededogen.

Roepende stilte, verre stem,
als jij bestaat, besta in hen,
in mensen in ons midden.
Wees onbestaanbaar ongehoord,
besta in mij, onvindbaar woord
niet god die wij aanbidden.
Jij die mij kent, jij die mij boeit
ik die jou jij noem onvermoeid
en nog niet kan vergeten,
zouden wij ik-en-niemand zijn
ontheemd ontkend ontroostbaar zijn
en van elkaar niet weten?

naar boven

Zeventiende zondag door het jaar – A

'Het rijk der hemelen lijkt op een koopman, op zoek naar mooie parels. Toen hij een parel van grote waarde had gevonden, ging hij alles verkopen wat hij bezat en kocht haar.’ (Matteüs 13, 45-46)

Een toeverlaat voor als de weg niet gemakkelijk loopt…
Psalm 121

Ik sla mijn ogen op naar de bergen –
zou iemand mij komen helpen?
Ja, mijn God komt mij helpen,
de schepper van hemel en aarde.

Hij zal niet toelaten dat je struikelt.
Hij zal niet slapen, Hij waakt over jou.
Nee, slapen en sluimeren zal Hij niet,
Hij waakt over heel zijn volk.

Onze God houdt de wacht
als een schaduw over je heen.
Overdag zal de zon je niet steken
en ’s nachts zal de maan je geen kwaad doen.

Hij houdt alle kwaad van je af,
Hij neemt je onder zijn hoede.
En waar je ook gaat of staat,
God zal je behoeden voor eeuwig.

naar boven

Achttiende zondag door het jaar – A

‘Wat geeft gij uw geld voor iets dat geen brood is? Wat geeft gij uw arbeid voor iets dat niet voedt? Luistert, luistert naar Mij: dan eet gij wat goed is, dan verzadigt gij u aan heerlijke spijs. Neigt uw oor en komt naar Mij en luistert en gij zult leven.’ (Jesaja 55, 2-3)

Onze Vader verborgen,
uw naam worde zichtbaar in ons
uw koninkrijk kome op aarde,
uw wil geschiede : een wereld
met bomen tot in de hemel,
waar water, schoonheid en brood
gerechtigheid is en genade.
Waar vrede niet hoeft bevochten,
waar troost en vergeving is
en mensen spreken als mensen,
waar kinderen helder en jong zijn
dieren niet worden gepijnigd
nooit één mens meer gemarteld,
niet één mens meer geknecht.
Doof de hel in ons hoofd,
leg uw woord op ons hart,
breek het ijzer met handen,
breek de macht van het kwaad.
Van U is de toekomst, kome wat komt.

naar boven

Negentiende zondag door het jaar – A

Petrus stapte uit de boot en liep over het water naar Jezus toe. Maar toen hij merkte hoe hevig de wind was, werd hij bang. Hij begon te zinken en schreeuwde: ‘Heer, red mij!’ Terstond stak Jezus zijn hand uit en greep hem vast, terwijl Hij tot hem zei: ‘Kleingelovige, waarom hebt ge getwijfeld?’ (Matteüs 14, 29-31)

Bidden om houvast met psalm 25

Houd mij in leven, wees Gij mijn redding,
steeds weer zoeken mijn ogen naar U.

Omdat Gij zijt zoals Gij zijt :
zie naar mij om en wees mij genadig,
want op U wacht ik een leven lang.
Houd mij in leven, wees Gij mijn redding,
steeds weer zoeken mijn ogen naar U.

Zijt Gij het, Heer, die komen zal,
of moeten wij een ander verwachten?
Houd mij in leven, wees Gij mijn redding,
steeds weer zoeken mijn ogen naar U.

Gij geeft uw woord aan deze wereld,
Gij zijt mijn lied, de God van mijn vreugde,
naar U gaat mijn verlangen, Heer.
Houd mij in leven, wees Gij mijn redding,
steeds weer zoeken mijn ogen naar U.

naar boven

Twintigste zondag door het jaar – A

Zo spreekt God, de Heer: ‘Onderhoudt het recht, en doet wat rechtvaardig is, want mijn heil is in aantocht; mijn gerechtigheid zal zich openbaren… Mijn huis zal worden genoemd: een huis van gebed voor alle volken.’ (Jesaja 56, 1.7b)

Bidden met psalm 1

Goed is dat je niet doet wat slecht is
niet achter oplichters aanloopt
niet met ploert en schender heult
niet je schouders ophaalt
‘ploert en schender, ach zo is de wereld’.

Goed is dat je goede woorden overweegt en wil ‘heb je naaste lief die is als jij:
de vluchteling, de arme, doe hen recht’ – prent ze in het hart van je verstand,
die woorden –
zeg ze voor je uit, gezegend ben je,
een boom aan stromen levend water, vruchten zul je dragen
blad dat niet vergeelt,
het zal je goed gaan.

Oplichter, ongezegend zul je zijn.
Een storm steekt op je waait de leegte in.

naar boven

Eenentwintigste zondag door het jaar – A

‘Maar gij – sprak Hij tot hen – wie zegt gij dat ik ben? Simon Petrus antwoordde: Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God. Jezus hernam: Zalig zijt gij, Simon, zoon van Jona, want niet vlees en bloed hebben u dit geopenbaard, maar mijn Vader, die in de hemel is.’ (Matteüs 16, 15-17)

Wie zegt Gij dat ik ben?

Een verzameling namen voor Jezus van Nazaret om mee te bidden.

Naaste. Vreemde.
Jood. Zaad.
Boom aan de bron. Bruidegom.
Weg. Droom van een mens.
Deur open. Hoeksteen.
Sleutel. Leeuw van Juda.
Lam. Gerechte.
Herder. Parel.
Twijgje. Vis.
Brood. Woord.
Wijnstok. Zoon van God.
Knecht. Stromen levend water.
Morgenster. Koploper.
Enige.
Onzegbaar gezegde.

Wie zegt gij dat ik ben?

naar boven

Tweeëntwintigste zondag door het jaar – A

Eens zei Jezus tot zijn leerlingen: ‘Wie mijn volgeling wil zijn, moet Mij volgen door zichzelf te verloochenen en zijn kruis op te nemen. Want wie zijn leven wil redden, zal het verliezen. Maar wie zijn leven verliest om mijnentwil, zal het vinden. Wat voor nut heeft het voor een mens heel de wereld te winnen, als dit ten koste gaat van eigen leven?’ (Matteüs 16, 24-26)

Roept God een mens tot leven,
wie weet waarom en hoe,
hij moet zichzelf prijsgeven, hij leeft ten dode toe.

Gods woord roept door de tijden,
zijn volk en grijpt het aan,
Hij doet het uitgeleide, het moet de zee ingaan.

Geroepen en verzameld uit dood en slavernij,
gedoopt in woord en water, dat volk van God zijn wij.

Wij werden nieuw geboren toen de mens Jezus kwam,
die als een slaaf de zonde der wereld op zich nam.

Met Hem in geest en water tot zoon van God gewijd,
zijn wij met Hem begraven, verrezen voor altijd.

Gestorven voor de zonde, in Jezus' bloed vereend,
en met elkaar verbonden, levend voor God alleen.

Wie Jezus' kelk wil drinken, zijn doop wil ondergaan,
zal in de dood verzinken en uit die dood opstaan.

Hij zal zijn leven geven, hij maakt zichzelf tot brood,
hij sterft en and'ren leven, hij overleeft de dood.

naar boven

Drieëntwintigste zondag door het jaar – A

In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: ‘Wanneer uw broeder gezondigd heeft, wijs hem dan onder vier ogen terecht. Luistert hij naar u, dan hebt gij een broeder gewonnen… Want waar er twee of drie verenigd zijn in mijn naam, daar ben Ik in hun midden.’ (Matteüs 18, 15.20)

Behoed mijn weg.
Richt mij,
dat ik niet vastloop
dat ik mij niet voeg
in de kringloop van het lot
dat ik niet,
ten einde raad,
mij aan wanhoop overgeef,
in het kwaad berust,
mij voeg naar ongerechtigheid
en niet meer horen wil
van nieuw begin.
Doe mij uitzien
naar een toekomst
van nieuwe aarde.
Doe mij heugen
wat Gij gewild hebt.
Roep mij, vandaag nog.
Wijs mij terecht.

naar boven

Kruisverheffing 

Zozeer heeft God de wereld liefgehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat alwie in Hem gelooft niet verloren zal gaan, maar eeuwig leven zal hebben. (Johannes 3, 16)

Alleen de liefde
draagt nog onder
iedere voetstap
de snelle steen aan
waarop ik kan staan,
een voetstap lang…

H. Andreus

Geef uw zegen, God,
aan onze wereld
en blijf ons trouw
in alles wat gebeuren kan.
Wij willen ons bestaan
met al onze zorgen en vreugden
ontvangen uit uw hand.

Laat ons elkaar beminnen,
want inderdaad de Liefde is uit ¬God;
wie liefheeft, is uit God geboren,
wie liefheeft kent de Heer, want Hij is Liefde.

Uit het lied ‘Zo lief heeft God de wereld gehad’

naar boven

Vierentwintigste zondag door het jaar – A

‘In die tijd kwam Petrus naar Jezus toe en sprak: “Heer, als mijn broeder tegen mij misdoet, hoe dikwijls moet ik hem dan vergeven? Tot zevenmaal toe?” Jezus antwoordde hem: “Neen, zeg Ik u, niet tot zevenmaal toe maar tot zeventig maal zevenmaal.”’ Matteüs 18, 21-22

Duren zal de liefde…

Wij stonden aan weerszijden van een afgrond, waren nog niemand voor elkaar, eerst riep jij vragend mijn naam, ik schreeuwde ‘ja die ben ik’, het knalde in de lucht, jij lachte vrolijk.

Toen zei je: kom dan, spring, nu, en je strekte je armen uit, naar mij. Nog is het toen
en zeg je: kom dan, spring, nu, en je strekt
je armen naar me uit, nog even wijd.

Psalm 118

Mijn God zijt Gij,
U wil ik danken zowaar als ik leef.

Ik was gevangen en riep: ‘God’.
En Hij heeft mij geantwoord.
Hij heeft mij de ruimte gegeven,
Hij komt voor mij op als een vriend.

Ik was geslagen,
maar God heeft mij overeind geholpen.
Ik zal niet sterven, ik zal leven,
Hij tilt mij op.

naar boven

Vijfentwintigste zondag door het jaar – A

 Toen de werkers van het eerste uur zagen dat zij slechts evenveel kregen als die van het elfde uur begonnen ze te morren tegen de landeigenaar. Maar hij antwoordde: “Mag ik soms met het mijne niet doen wat ik verkies of zijt ge kwaad, omdat ik goed ben? Zo zullen de laatsten de eersten en de eersten de laatsten zijn”. Matteüs 20, 15

Naar Psalm 72

Voor kleine mensen is Hij bereikbaar,
Hij geeft hoop aan rechtelozen,
hun bloed is kostbaar in zijn ogen,
Hij koopt hen vrij uit het slavenhuis.

Hij zal opkomen voor de misdeelden,
Hij zal de machten die ons dwingen,
breken en binden,
Hij zal leven onvergankelijk als de zon.

Zoals de dauw die de aarde drenkt,
zo zal Hij komen en in die dagen
zullen trouw en waarachtigheid bloeien,
zal er vrede in overvloed zijn.

Dan dragen de bergen schoven van vrede
en de heuvels een oogst van gerechtigheid,
een vloed van koren, golvende velden,
een stad rijst op uit een zee van groen.

Zijn naam is tot in eeuwigheid,
zolang de zon staat aan de hemel.
Zijn naam gaat rond over de aarde,
een woord van vrede van mens tot mens.

naar boven

Zesentwintigste zondag door het jaar – A

Een man had twee zonen. Hij ging naar de eerste en zei: Mijn zoon, ga vandaag werken in mijn wijngaard. Goed, vader – antwoordde deze – maar hij deed het niet. Toen ging hij naar de tweede en zei hetzelfde. Deze antwoordde : Neen, ik wil niet, maar later kreeg hij spijt en ging toch. Wie van de twee heeft nu de wil van zijn vader gedaan? Zij antwoordden: ‘De laatste’. Matteüs 21, 28-32

Bidden met psalm 25

Wees nabij omwille van jouw naam,
haal mij terug, ik ben ontspoord.

Naar jou gaat mijn verlangen,
wees nabij, mijn Machtige,
aan jou vertrouw ik mij toe,
laat mij niet beschaamd staan.

Laat mij jouw wegen voelen,
breng mij in het spoor van jouw nabijheid.
Denk niet aan mijn vroegere ontsporingen,
denk met genegenheid aan mij.

Wie weerloos zijn wijst hij het rechte spoor,
wie weerloos zijn wijst hij de weg,
genegenheid en trouw
zijn het spoor van zijn nabijheid.

Wie eerbiedigt zijn nabijheid?
Wie de weg kiest die hij gewezen krijgt.
Hij geniet met volle teugen,
zijn kinderen erven het land.

Laat mij niet beschaamd staan,
aan jou vertrouw ik mij toe.
Laat gaafheid en goedheid mij behoeden,
naar jou zie ik uit.

naar boven

Zevenentwintigste zondag door het jaar – A

Er was eens een landeigenaar die een wijngaard aanlegde. Hij verpachtte hem aan wijnbouwers. Toen stuurde hij zijn zoon om de opbrengst in ontvangst te nemen. ‘Dat is de erfgenaam’, zeiden ze en ze grepen hem vast en doodden hem. Jezus sprak: ‘De steen die de bouwlieden hebben afgekeurd is juist de hoeksteen geworden’. naar Matteüs 21, 33-43

Bidden met negenentwintig namen voor Jezus van Nazaret

Naaste. Vreemde.
Jood. Zaad.
Boom aan de bron. Bruidegom.
Weg. Droom van een mens.
Deur open. Hoeksteen.
Sleutel. Leeuw van Juda.
Lam. Gerechte.

Herder. Parel.
Twijgje. Vis.
Brood. Woord.
Wijnstok. Zoon van.
God. Knecht.
Stromen levend water. Morgenster.
Koploper. Enige.
Onzegbaar gezegde.

naar boven

Achtentwintigste zondag door het jaar – A

‘Het rijk der hemelen gelijkt op een koning die een bruiloftsfeest gaf voor zijn zoon. Hij stuurde zijn dienaars uit om allen te roepen die hij tot de bruiloft had uitgenodigd, maar zij wilden niet komen. Toen sprak hij tot zijn dienaars: gaat naar de kruispunten der wegen en nodigt wie ge er maar vindt, tot de bruiloft.’ Matteüs 22, 2-3.9

Aan de liefde

Liefde heeft geen longen
maar zij ademhaalt en zingt
en wat zij heeft gezongen
klimt over steile hoogten.
Korte lange vlagen kussen
zwermen zoenen noem je liefde –
dat betonnen knoesten twijgen
groen blad rooie wangen krijgen.
Maar ook harde noten kraken
stenen slijpen tot zij zingen
stenen kloven tot zij stromen,
maar ook cederhoven planten
rozenperken in woestijnen, noem je liefde.
Maar ook blinde ogen wenken,
doden drenken noem ik liefde,
en de zon, met al zijn felle stralen,
vuursteen tussen diamanten.
Liefde heeft niet één paar handen
geen paar voeten, maar zij treedt je
tot je wijn bent, maar zij kneedt je
voor elkaar tot dagelijks brood.
Liefde heeft geen hart, geen schoot,
maar je wordt uit haar geboren tot je dood.

naar boven

Negenentwintigste zondag door het jaar – A

‘In die tijd gingen de Farizeeën onder elkaar beraadslagen hoe ze Jezus in zijn eigen woorden konden vangen. Ze vroegen Hem: wat dunkt U, is het geoorloofd belasting te betalen aan de keizer of niet? Hij sprak tot hen: geeft aan de keizer wat de keizer toekomt, en aan God wat God toekomt.’ Matteüs 22, 15.17.21b

Geven wat God toekomt, maar hoe?

Jij die voor alle namen wijkt
geen weg die in jouw verte reikt
geen woord kan jou aanbidden.

Geen veilig pad om langs te gaan
geen plek geen been om op te staan
geen rots om op te bouwen.
Geen gulden regel, rond getal
geen laatst gericht in dit heelal
onwrikbaar onbewogen.
Maar mensen die verminkt en klein
ontheemd ontkend toch mensen zijn
roepend om mededogen.

Roepende stilte, verre stem,
als jij bestaat, besta in hen,
in mensen in ons midden.

Jij die mij kent, jij die mij boeit
ik die jou jij noem onvermoeid
en nog niet kan vergeten,
zouden wij ik-en-niemand zijn
ontheemd ontkend ontroostbaar zijn
en van elkaar niet weten?

naar boven

Dertigste zondag door het jaar - A

‘Gij zult de Heer uw God beminnen met geheel uw hart, geheel uw ziel en geheel uw verstand. Dit is het voornaamste en eerste gebod. Het tweede, daarmee gelijkwaardig: Gij zult uw naaste beminnen als uzelf. Aan deze twee geboden hangen heel de Wet en de Profeten.’ Matteüs 22, 37-39


Deze woorden aan jou opgedragen
hier en heden prent ze in je hart,
berg ze in het binnenst van je ziel,
leer ze aan je kinderen. Herhaal ze,
thuis en onderweg, waar je ook bent
als je slapen gaat en als je opstaat
deze woorden aan jou toevertrouwd.


Gij, die niet gezegd hebt,
zoek mij maar in de leegte,
maar ‘Hier ben ik, woon hier,
onder mijn woord’.

In uw woord is zwijgen, tasten, waken.
In uw woord is wachten, luisteren, horen.
In uw woord ontstaan wij,
mensen uit mensen.
Gij die ons hult in taal opdat wij leven,
leg in ons uw woord
dat wij elkaar behoeden en doen leven.

naar boven

Eenendertigste zondag door het jaar – A

'Laat u geen leraar noemen; gij hebt maar één leraar, de Christus. Wie de grootste onder u is, moet uw dienaar zijn. Al wie zich verheft, zal vernederd en wie zichzelf vernedert, zal verheven worden.’ (Matteüs 23, 10-12)

Voor het woord nederigheid wordt in het Latijn ‘Humilitas’ gebruikt. Daar zit het woord humus in, vruchtbare grond. Nederigheid heeft dus iets te maken met de grond van de zaak, van waaruit een mens leeft.
Nederigheid is een diep besef dat je als mens niet boven de aarde verheven bent. Je bent een deel daarvan en je neemt als mens deel aan alles wat uit de aarde voortkomt.
Je zou kunnen zeggen, dat nederigheid vooral de kunst is om de aarde ernstig te nemen. Nederigheid heeft dus niks te maken met onderdanigheid of slaafsheid. Het is veeleer de krachtige houding van degene die heel goed zijn plaats kent.

Daarom worden de nederigen ook opgenomen in de Zaligsprekingen:
‘Zalig de nederigen, want zij zullen het land bezitten’.

naar boven

Tweeëndertigste zondag door het jaar – A

‘Het is met het rijk der hemelen als met tien meisjes die met hun lampen uittrokken, de bruidegom tegemoet. Vijf van hen waren dom, de andere vijf verstandig. Want de dommen namen wel hun lampen mee, maar geen olie; de verstandigen echter namen met hun lampen ook kruiken olie mee… Weest waakzaam, want gij kent dag noch uur.’ Matteüs 25, 1-4.13

Gij, die nooit varen laat
het werk van uw handen,
Gij weet wat wij nodig hebben ,
Gij kent ons verlangen
naar geluk en vrede.
Gij hoort ons roepen.
Waarom blijft Gij zwijgen?

Gij die het sprakeloze bidden hoort
achter de woorden die wij tot U roepen.
Gij die geen mens vergeet,
geen mens veracht.
Wij bidden U:
Wek onze kracht,
vuur onze hartstocht aan,
heradem ons dat wij in U volharden.
Doe lichten over ons uw lieve Naam:
‘Ik zal bij jou zijn’ .

naar boven

Drieëndertigste zondag door het jaar – A

Zo spreekt de Heer: ‘Aan ieder die heeft, zal gegeven worden, zelfs in overvloed gegeven worden; maar wie niet heeft, hem zal nog ontnomen worden zelfs wat hij heeft’. (Matteüs 25, 29) 

Houd mij in leven, wees Gij mijn redding,
steeds weer zoeken mijn ogen naar U.
Houd mij in leven, wees Gij mijn redding,
steeds weer zoeken mijn ogen naar U.

Omdat Gij zijt zoals Gij zijt :
zie naar mij om en wees mij genadig,
want op U wacht ik een leven lang.
Steeds weer zoeken mijn ogen naar U.

Zijt Gij het, Heer, die komen zal,
of moeten wij een ander verwachten?
Heer, mijn God, ik ben zeker van U.
Houd mij in leven, wees Gij mijn redding,
steeds weer zoeken mijn ogen naar U.

Gij geeft uw woord aan deze wereld,
Gij zijt mijn lied, de God van mijn vreugde,
naar U gaat mijn verlangen, Heer.
Steeds weer zoeken mijn ogen naar U.
Houd mij in leven, wees Gij mijn redding,
steeds weer zoeken mijn ogen naar U.

naar boven

Christus Koning

Zo spreekt God, de Heer: ‘Ik zoek mijn kudde op, en bezoek mijn eigen schapen. Zoals een herder omziet naar zijn kudde… . Het vermiste schaap ga ik zoeken, het verdwaalde breng Ik terug, het gewonde verbind Ik, het zieke geef Ik weer kracht en het gezonde en sterke blijf Ik verzorgen. Ezechiël 34, 11-12a.16
Mijn herder is de Heer
Het zal mij nooit aan iets ontbreken.
Hij brengt mij door de nacht heen.
Hij is een licht dat daagt.

Hij geeft rust aan mijn onrust.
Hij geeft leven aan mijn ziel.
Hij is mij vertrouwd op vreemde wegen.
Een veilige gids.

Waar ik ook moet gaan
Al is het in het donker van de nacht.
Hij is bij mij. Hij is mijn licht.
Hij laat mij niet alleen.
Mijn herder is de Heer
Het zal mij nooit aan iets ontbreken.

Hij vervult mijn verlangen
Hij stilt mijn honger en lest mijn dorst.
Die tegen mij zijn moeten het aanzien:
Mijn herder is de Heer
Het zal mij nooit aan iets ontbreken.

naar boven

Met dank aan Filip Zutterman