Je bent hier: Startpagina › Thema's › Kerstmis › Achtergrondinformatie

Kerstmis: het feest van de geboorte van Jezus

Algemeen

Het is niet gemakkelijk om het precieze ontstaan van Kerstmis te achterhalen. De precieze geboortedatum van Jezus is niet gekend. In 336 n.C. vierde men in Rome Kerstmis op 25 december. Er zijn verschillende hypotheses waarom dit feest nu juist op dat moment werd gevierd.

Volgens de apologetische-godsdiensthistorische hypothese zouden de christenen het heidense feest van de winterzonnewende vervangen hebben door het feest van de geboorte van Christus. De Romeinen vierden de geboorte van de onoverwinnelijke zonnegod, terwijl de christenen de geboorte van “het ware licht, dat iedere mens verlicht” (Joh 1,9) vieren.

De berekeningshypothese gaat ervan uit dat de christenen in de derde eeuw de historische datum van Jezus’ geboorte probeerden te achterhalen. Hierbij speelde de symboliek van Christus als licht en zon van de gerechtigheid een grote rol. Daarom schonk men veel aandacht aan de natuurlijke standen van de zon. Zo plaatste men de geboorte van Johannes de Doper op de zonnewende van juni, wanneer de zon haar hoogste punt bereikt (vgl. Joh 3,30: Hij moet groter worden, maar ik kleiner) en omdat Jezus volgens het Lucasevangelie zes maanden later geboren werd, werd zijn geboortedag gevierd op de winterzonnewende.

Het woord Kerstmis is ontstaan uit de term ‘Christus-mis’, omdat tijdens de mis de geboorte van Jezus Christus wordt gevierd.

In de liturgie van Kerstmis vieren we het verjaardagsfeeest van de geboorte van Christus. In de vijfde eeuw sprak paus Leo de Grote over het mysterie van Christus’ geboorte, maar in feite is Kerstmis geen apart mysterie. Het wil ons eerder verbinden met het begin van het paasmysterie. Kerstmis bereidt ons voor op het Paasmysterie, door te stellen dat onze Verlosser de Ware Zoon van God is, die mens geworden is. God is mens geworden opdat mensen zouden kunnen delen in zijn goddelijk leven.

Bronvermelding: J. LAMBERTS, Volksgebruiken in de loop van het liturgisch jaar, Averbode, Altiora, 2001, p. 29-33.

naar boven

Maria

Maria als geroepene

Lucas 1,26-38 verhaalt over de boodschap van de engel aan Maria en zegt ons niet alleen iets over de roeping van Maria maar over elke roeping, en over het menszijn zelf als roeping en zending.

1. Geroepen worden

Maria is een geroepene in de letterlijke zin van het woord. Haar roeping begint niet bij haarzelf, maar bij God, die haar roept tot iets wat helemaal niet strookt met haar plannen. Maria koestert haar eigen dromen, haar persoonlijk levensproject (trouwen met Jozef, dromen over een eigen huis en kinderen). Hiermee drukt zij zoals elke mens haar gezonde zelfzorg uit. En deze zorg is getekend door verantwoordelijkheid voor zichzelf: dit kunnen we een verantwoordelijkheid in de eerste persoon noemen.

Soms breekt onaangekondigd en onvoorzien het andere in ons bestaan binnen met alle gevolgen vandien. In het verhaal is het de engel Gabriël die als het andere in het bestaan van Maria binnendringt. In de lijn van de oudtestamentische traditie is de engel een boodschapper (het woord engel betekent in het Grieks en Latijn 'bode') en ook diegene die voor God naar de mens toe optreedt. Zo komt God onder de mensen aanwezig, zonder zijn heiligheid nodeloos bloot te geven.

2. Roeping niet verwarren met ideaal

De bijbelse idee van roeping (en dus ook van Maria's roeping) is niet hetzelfde dan een ideaal. Een ideaal heeft te maken met de gedachte dat ik als bewust en vrij wezen een specifieke taak of levenskeuze ontwerp, die maar betekenis heeft als ze het beste van zichzelf waarmaakt. Dat kan de mens alleen door zijn individuele mogelijkheden en gaven te ontplooien en zichzelf te realiseren. De bijbelse roepingsidee gaat regelrecht in tegen deze idee van zelfrealisatie. De bijbel legt de klemtoon op het feit dat de roeping in tegenstelling tot een ideaal niet uit mezelf ontstaat maar vanuit het andere dan mijzelf.

3. Geroepen door een gevoelige God

Het geroepen worden ondanks zichzelf gaat niet terug op een anoniem principe maar op Iemand, die het woord richt tot de mens. Het gaat letterlijk om een roeping, met de klemtoon op de passiviteit van het geroepen worden. De roeping is een taalgebeuren, waarbij het gesproken woord centraal staat. Dat roepingswoord komt 'van buiten', komt van elders op mij af, maar gaat zich tegelijkertijd nestelen in mijzelf.

4. Roeping als uitverkiezing

Hoewel de roeping radicaal is, is ze nooit een uitschakeling van het zelf en van de eigen vrijheid. De roeping is steeds een uitverkiezing. Maria wordt persoonlijk aangesproken, tot twee maal toe. Niet de mens in het algemeen, maar Maria in het bijzonder wordt geroepen om persoonlijk te antwoorden. Hierdoor krijgt zij een uitzonderlijke plaats. Door een roeping en uitverkiezing wordt men als mens uniek.

5. Uitverkiezing als zending

De uitverkiezing is niet zomaar een voorrecht, mag geen aanleiding geven tot hoogmoed en pretentie maar ze moet verstaan worden als een zending naar de mensen toe. Dat roeping onmiddellijk ook zending inhoudt, wordt duidelijk in het verhaal van Maria. De zending die Maria opgedragen krijgt, is moeder worden van Jezus. Hier kunnen we spreken over een verantwoordelijkheid in de tweede persoon: ik word verantwoordelijk gesteld voor de ander.

6. Ondanks zichzelf aan het Goede toegewijd

God is de Goede bij uitstek. Hij is geen verre en onaantastbare maar een raakbare en geraakte God, die zich verbindt met kleine en kwetsbare mensen. Maria, en ook elke mens, is ondanks zichzelf aan het Goede toegewijd. Deze gehechtheid aan het Goede gaat aan de vrije keuze vooraf. De geroepene bevindt zich immers steeds al in een verbondenheid met het Goede.

7. Een roeping die een crisis veroorzaakt

De roeping en de zending doen de mens perplex staan. Het is niet verwonderlijk dat de mens dan vragen stelt, het niet begrijpt en zelfs weerbarstig is. Sowieso veroorzaakt een roeping een crisis bij de geroepene. Ook Maria lijkt helemaal niet gelukkig te zijn met de boodschap. Haar reactie op de boodschap van de engel is er in het begin één van schrik en terugdeinzen, maar dit maakt Maria precies zo menselijk.

8. Geroepen tot het onmogelijke

De crisis van Maria wordt veroorzaakt door wat de engel zegt, namelijk door zijn boodschap. Vooral de inhoud van de boodschap zorgt voor de nodige onrust bij Maria. Die boodschap houdt iets onmogelijks in: zwanger worden en toch geen gemeenschap hebben met een man. Sowieso klinkt de idee van een maagdelijke geboorte in onze oren heel vreemd en zelfs absurd. Men kan op zoek gaan naar een andere verklaring om het verhaal plausibel te maken, maar dit maakt misschien de sterkte van het verhaal zelf ongedaan. Het onmogelijke wijst juist op het andere dat onaangemeld en tegen alle wetmatigheden in van elders komt en ook echt iets nieuws tot stand brengt. Alleen het onmogelijke is het buitengewone waardoor de loop van de geschiedenis en van de wereld onomkeerbaar opengebroken wordt naar een radicaal nieuwe toekomst.

9. Een kind van de belofte

Het verhaal van de boodschap aan Maria is in de bijbelse traditie geen toevallige uitzondering. Het onmogelijke is een teken van Gods werkdadige transcendentie. Zo krijgt in het Oude Testament het koppel Sara en Abraham ook een zoon na een zegen van God, hoewel het koppel heel oud is (Sara is al negentig jaar oud!) en Sara bovendien onvruchtbaar is. Er is dus geen twijfel mogelijk of zij op natuurlijke wijze nog een kind kan krijgen. Maar het is juist door het onmogelijke dat het nieuwe en het andere kan binnengebracht worden. Het kind van Abraham en Sara, is, net zoals het kind van Maria, de zoon van de belofte en niet de zoon van de natuur.

10. Voor God is niets onmogelijk

Jezus is een kind dat door God toegezegd wordt. Het gaat letterlijk om een buiten-gewoon of ab-normaal kind. Precies door zijn anderszijn opent Jezus als het kind van de belofte de horizon van een nieuwe wereld. Precies de moeilijkheid en onmogelijkheid van dit verhaal houdt ons wakker en prikkelt ons om aandacht te besteden aan het openbarende dat door het onmogelijke wordt opgeroepen.

Vandaar ook dat de engel op de vraag van Maria (hoe zal dit geschieden?) niet reageert door wat hij aankondigt enigszins toegankelijk en begrijpelijk te maken, maar door te stellen dat voor God niets onmogelijk is. Het onmogelijke wordt mogelijk dankzij God.

11. Maria's kritische mondigheid

Maria antwoordt op de aankondiging van haar moederschap niet zomaar in blinde gehoorzaamheid of met een onnadenkend of slaafs ja maar zij stelt uitdrukkelijk vragen. Dit staat in contrast met de traditionele voorstellingen van de brave en gehoorzame Maria. We moeten zeker de 'brave' Maria in vraag stellen, want al schrikt Maria van de aanspraak door de engel en deinst ze terug, toch laat zij zich niet intimideren en verlammen door paniek. De goddelijke huivering slaat haar niet neer maar richt haar op en wekt haar tot moedige mondigheid. Zij is een volwassen jonge vrouw die beseft wat haar overkomt en daarom met open ogen en vanuit haar onherleidbare zelfstandigheid om toelichting durft te vragen.

12. Een vrij en geïncarneerd ja

De kritische vraagstelling door Maria betekent ook dat haar vrijheid allesbehalve schaakmat gezet is, maar integendeel helemaal ingeschakeld wordt. Dat zij om opheldering vraagt, betekent dat zij niet gedwongen wordt, maar vanuit zichzelf op de roeping kan reageren. In deze zin is haar zending geen dwang, die haar vrijheid negeert of vernietigt, maar een appel dat haar vrijheid aanspreekt en tegelijk vrijlaat. Hiermee raken we de kern van de ethische vrijheid: ik moet ja zeggen maar ik kan nee zeggen. En Maria zegt, na haar kritische vraag, in volle vrijheid ja op de zending, die haar van Godswege wordt toevertrouwd. Enkel door zichzelf volledig, tot en met haar lichaam, ter beschikking te stellen, kan ze de zending om de moeder van Jezus te worden volledig waarmaken. En dit geldt voor elke roeping: een opgenomen zending kan enkel reëel zijn als ze zich op een concrete en aardse wijze voltrekt als dienst voor het heil van mensen. Een roeping mag nooit introvert zijn, dat wil zeggen naar binnen gekeerd, maar ze moet integendeel steeds extravert worden, dat wil zeggen helemaal naar buiten toe gekeerd. Elke roeping is steeds ook zending, een betrokkenheid op het andere dan zichzelf.

Roger Burggraeve (http://www.kuleuven.be/thomas/secundair_onderwijs/in_de_kijker/50_nativity.php#impuls4)

naar boven

Maria als moeder

U hebt genade gevonden bij God (LC 1,30) Over Maria en andere moeders - Annemie Dillen

“Dat is je moeder”, zegt Jezus in Joh 19,27 tegen ‘de leerling van wie hij veel hield’. Hij wijst naar Maria, zijn moeder. Maria krijgt als het ware een nieuwe zoon, de leerling een nieuwe moeder – los van enige bloedverwantschap. Dat bloedverwantschap in de evangelies niet als het allerbelangrijkste voor familierelaties wordt voorgesteld, is duidelijk wanneer we denken aan uitspraken als “Wie meer houdt van zijn vader of moeder dan van Mij, is Mij niet waard. Wie meer houdt van zijn zoon of dochter dan van Mij, is Mij niet waard,” (Mt 10,37) .

(...)

Ondanks dergelijke relativerende teksten, is Maria de moeder bij uitstek, de ‘Moeder Gods’ in de katholieke traditie, de moeder van de kerk en de moeder van de huiskerk, het gezin. We kunnen ons afvragen wat de betekenis van Maria als ‘moeder’ kan zijn, en in welke mate de Mariale teksten inspirerend kunnen zijn voor mensen vandaag.

(...)

In de eerste encycliek van paus Benedictus XVI, Deus Caritas Est, lezen we (nr. 41) “Maria is groot, juist omdat ze niet zichzelf maar God wil verheerlijken. Ze is nederig. Ze wil niets anders zijn dan de dienstmaagd des Heren (v Lc1, 38-48)”. Maria is het beeld van liefde voor anderen.

(...)

‘Maagdelijkheid’ en ‘gehoorzaamheid’ zijn twee kenmerken die vaak aan Maria worden toegeschreven, maar juist door feministische theologen als weinig ‘inspirerend’ voor het dagelijkse leven van ‘gewone’ vrouwen ervaren worden .

(...)

De Oostenrijkse feministische theologe Andrea Lehner-Hartmann schrijft “Zoals de Zoon van God gehoorzaam was tot in de dood aan het kruis, zo onderwierp Maria, als het voorbeeld voor de vrouw, zichzelf aan de wil van God. Welnu, voor vele vrouwen kan religieuze gehoorzaamheid de bron van vervreemding en onderdrukking zijn” .

(...)

Niet enkel de realiteit van huiselijk geweld, maar ook onevenwichtige rolpatronen in het huishouden of in de globale samenleving, de uitbuiting van dienstmeisjes over heel de wereld en ook in België, laten ons kritisch nadenken over de betekenis van het beeld van Maria als dienares. Maar het lezen van de tekst doet ons ook nieuwe aspecten zien en andere vragen stellen. Wat betekent het om ‘dienares van de Heer’ te zijn en om open te staan voor het ontvangen van het geschenk van de geboorte van een wonderlijke kind als Jezus?
Annemie Dillen reflecteert hierop verder aan de hand van het verhaal van de annunciatie (Lc 1, 26-38)

(...)

Als Maria zich ten dienste stelt van de Heer, en wil ingaan op de boodschap haar aangekondigd door de engel, gaat ze in op een heilsboodschap en gaat het om een inzet ‘voor het goede doel’. Deze heilsboodschap moet het idee van ‘dienstbaarheid’ altijd kwalificeren.

(…)

Het moederschap van Maria heeft meteen ook een sociale dimensie. Maria’s boodschap, in haar loflied, is er een van dank, van lof voor een God die het opneemt voor armen, voor zwakkeren. Dit kan een uitdaging betekenen voor gezinnen vandaag. Vaak zien we immers dat mensen gefocust zijn op het gezinsleven, op de gezondheid en het geluk van het eigen kind en van zichzelf. Het verhaal dat de Amerikaanse pastoraaltheologe Bonnie Miller-McLemore vertelde over een gebed van een Nicaraguaanse revolutionaire strijdster, biedt een ander perspectief. De strijdster bidt voor haar kinderen dat ze dapper mogen zijn, besef hebben van hun afhankelijkheid van God en hun kwetsbaarheid, dat ze vrijheid en zelfrespect zullen nastreven, maar niet ten koste van anderen. Deze vrouw bidt dat haar kinderen niet door materiële beslommeringen opgeslorpt zullen worden, maar wel een rechtvaardige samenleving nastreven . Een gebed dat in de lijn ligt van Maria’s houding…

(...)

‘Generativiteit’ – waaronder zwangerschap en moeder en/of vader zijn vallen – is een existentieel thema dat binnen de theologie meer aandacht verdient dan het tot nu toe gekregen heeft. Daartoe kan ook het denken over Maria nieuwe aanzetten bieden.

(...)

Net zoals Maria ervaren vrouwen dat ze geconfronteerd worden met ‘heteronomie’, met het niet alles in eigen handen hebben . Zwanger worden kan immers, zeker vandaag, wel in zekere mate gepland worden, maar hangt uiteindelijk niet enkel van vrouwen of mannen af. De ervaring dat het zwanger worden uiteindelijk een ‘wonder’ is wordt zowel door koppels die spontaan zwanger worden als door hen die een beroep moeten doen op medisch geassisteerde vormen van bevruchting ervaren.

(...)

Wanneer een vrouw vervolgens zwanger is, ervaart ze nog veel sterker dat ze niet alles in de hand heeft: een kind groeit in haar, en ze kan gezond leven en veel rusten, maar ze heeft het leven, de gezondheid, de geboorte en het karakter van het kind niet volledig in de hand. En ook wanneer kinderen opgroeien of zelfs volwassen zijn, betekent moederschap – en ouderschap in het algemeen – het ‘kunnen loslaten’ en het erkennen van de ‘heteronomie’: je hebt niet alles zelf in de hand . Ouders moeten telkens opnieuw ‘afscheid nemen’ van hun kind, wanneer het de eerste keer bij een oppas blijft, voor het eerst naar school of naar de universiteit gaat , of ook wanneer het kind ervoor kiest andere wegen uit te gaan dan diegene die de ouder gedroomd hadden.

(...)

De Amerikaanse theologe Bonnie Miller-McLemore wijst ons op een aspect van het moederschap van Maria, dat ook voor hedendaagse vrouwen van belang is. Ze verwijst naar de zinnen: “Maria bewaarde dit alles in haar hart en dacht erover na.” (na het bezoek van de herders aan het jonge gezin) (Lc 2,19) en “Zijn moeder bewaarde alles in haar hart” (na het terugvinden van de twaalfjarige Jezus in de tempel) (Lc 2,51b). Het gaat hier over wijsheid, verbonden met het hart, over beschouwende reflectie en aandachtige liefde . Dit ‘in haar hart bewaren’ en ‘erover nadenken’ houdt ook de connotatie in van appreciëren, verbaasd zijn, een zekere angst hebben en de grenzen van het mens-zijn erkennen.

(...)

Zeer boeiend in dit verhaal is de passage over de Heilige Geest. Maria zegt geen seksuele omgang met een man te hebben. En toch wordt ze zwanger. Een gebeuren dat vragen oproept, en voor letterlijke denkers weinig te zeggen heeft – want zo kan het toch niet gebeurd zijn? En toch…is juist deze passage vol van betekenis. Ze verwijst naar het mysterie van God. Maar dat klinkt redelijk abstract en doet ons onmiddellijk vragen: ‘kunnen we, ook als we geloven dat God steeds groter is, dan niets van God begrijpen’, of ‘moeten we dan zonder meer hopen op wonderen’ of nog: is de mysterievolle God uit de bijbel dan niet ook vaak een willekeurige God – kunnen we wel rekenen op zo’n God?

(...)

Het alternatief is om het mysterie open te laten, om niet alles te willen ‘verklaren’. Dat wil echter niet zeggen dat de tekst geen betekenis kan hebben. In de lijn van Diltheys onderscheid tussen ‘verklaren’ (erklären) en ‘verstaan’ (verstehen) kunnen we zoeken naar mogelijkheden voor een ‘existentieel verstaan’ van dit moeilijke aspect van de tekst, het ‘zwanger worden van de heilige geest’.

(...)

Heteronomie is belangrijk als aanvulling bij het denken in termen over autonomie en relationaliteit. Het is goed om deze drie bijeen te houden en om zo de ambiguïteit van de werkelijkheid en van het moederschap ernstig te nemen. Aandacht hebben voor ambiguïteit, betekent positieve en negatieve elementen erkennen, oog hebben voor kracht van vrouwen, maar ook voor vormen van onderdrukking. Het betekent aandacht hebben voor wat men zelf in de hand heeft, maar ook voor datgene wat mensen overkomt, en in beide sporen van Gods liefde kunnen zien, maar tevens het gevaar voor de ontkenning hiervan.

(...)

Een te sterke focus op de kracht en de autonomie van vrouwen, en mensen in het algemeen, onder andere vanuit het modewoord ‘empowerment’, kan ertoe leiden dat de kwetsbaarheid, de zorg en het ervaren van hoop en genade ‘ondanks alles’ buiten beeld blijft.

(...)

Naast aandacht voor ‘heteronomie’ is ook het denken in termen van relationaliteit belangrijk voor concrete kwesties omtrent moederschap. Tussen het ‘kinderen wensen’ en het effectief ‘kinderen krijgen’ ligt immers een grote kloof, die vaak niet enkel met verminderde lichamelijke vruchtbaarheid te maken heeft. Ook allerlei sociale factoren spelen een rol, zoals de beschikbaarheid van kinderopvang, financiële kwesties en de houding van de omgeving en de werkgever tegenover kinderen. Ook bij de opvoeding van kinderen zelf speelt de samenleving op micro-, meso- en macroniveau een belangrijke rol.

(...)

Maria’s vraag: ‘hoe moet dat dan?’ en het antwoord van de engel kunnen verwijzen naar een idee die ook in hedendaagse theologische reflecties over gezinsleven en moederschap terug te vinden is, namelijk de visie dat een vrouw er uiteindelijk toch niet alleen voor staat. Ze krijgt de hulp van de Heilige Geest – en de boodschap dat het niet allemaal van haar alleen afhangt.

Bron: A. Dillen, 'U hebt genade gevonden bij God (LC 1,30) Over Maria en andere moeders.' , M. Moyaert & C. Brabant (eds.), Worstelen met het Woord, Kapellen: Pelckmans, 2009.

Voor meer info over Maria, zie http://www.pastoralezorg.be/144/themas/meimaand--mariamaand

naar boven