De Allerheiligenliturgie wil ons een voorsmaak geven van en een aandeel in de hemelse liturgie. Liturgie is niet zozeer een creatie van de mens, maar een nu reeds participeren aan de hemelse liturgie.
Bron: J.LAMBERTS, Volksgebruiken in de loop van het liturgisch jaar, Averbode, Altiora, 2001, p. 166-167.
|
[2] En ik zag een andere engel opstijgen van de opgang van de zon, met het zegel van de levende God. Hij riep met luide stem tot de vier engelen, aan wie macht gegeven was om schade toe te brengen aan land of zee: [3] ‘Breng geen schade toe aan land of zee of aan de bomen voordat wij de dienstknechten van onze God met het zegel op hun voorhoofd getekend hebben.’ [4] Daarop vernam ik het aantal getekenden: honderdvierenveertigduizend uit alle stammen van de Israëlieten (...) [9] Daarna zag ik een grote menigte, die niemand tellen kon, uit alle rassen en stammen en volken en talen. Zij stonden voor de troon en voor het lam, in witte kleren en met palmtakken in de hand, [10] en luid riepen zij: ‘De redding komt van onze God, die op de troon zetelt, en van het lam!’ [11] Alle engelen stonden rondom de troon, samen met de oudsten en de vier dieren, en zij wierpen zich neer voor de troon en aanbaden God: [12] ‘Amen! Lof en heerlijkheid en wijsheid en dank en eer en macht en sterkte aan onze God tot in alle eeuwigheid, amen!’ [13] Toen richtte zich een van de oudsten tot mij en zei: ‘Wie zijn dat in die witte kleren en waar komen zij vandaan?’ [14] Ik antwoordde hem: ‘Heer, dat weet u.’ Toen zei hij: ‘Dat zijn degenen die uit de grote verdrukking komen, die hun kleren hebben wit gewassen in het bloed van het lam. (Willibrordvertaling) |
De eerste lezing geeft een beschrijving van wie die heiligen nu zijn. We vinden verschillende symbolen in deze lezing terug.
Opvallend is de verwijzing naar het zegel op het voorhoofd getekend. In de Bijbel vinden we verschillende verwijzingen naar het symbool van een zegel. Wat betekent dit symbool juist?
“Wat verzegeld is, is eigendom van hem of haar die het zegel draagt. Het zegel verraadt wie de drager is, juist omdat het bij de persoon behoort. Het voorwerp dat de zegel draagt is waardevol en dient daarom zorgvuldig te worden bewaard. Kostbare dingen dragen een zegel. (...) De getrouwen ontvangen op hun voorhoofd het zegel van de levende God. Apk 7, 1-3; Apk 14, 1 & Apk 22, 4) In zijn naam zullen zij beschermd en bewaard worden. Zij zijn onderscheiden van hen die het merkteken van het beest, bron van alle kwaad dragen. (Apk 13, 16-17) God drukt zijn stempel op allen die Hem lief zijn, allen die kostbaar zijn in zijn ogen. Daarin brengt de bijbel de geborgenheid, vaak te midden van onveiligheid tot uidrukking. Het doelt op het geraakt-zijn tot het werkelijke leven; zo is de mens in staat Gods plannen in diens naam te ontvouwen. (vgl. Joh 6,27; Rom 4, 11; 1 Kor 1, 22 & Ef 1, 13) In de na-nieuwtestamentische brief 2 Clemens duidt het zegel de doop; de dopeling is eigendom en beschermeling van de heer (2 Clem 7, 8 & 2 Clem 8, 6)”
Overgenomen uit: C.J. DEN HEYER & P. SCHELLING, Symbolen in de bijbel. Woorden en hun betekenis, Meinema, Zoetermeer, 2000, p. 556.
Een ander symbool is de palmtak.
“Zwaaien met palmtakken gold als een teken van vreugde en blijdschap. Het volgende verhaal kan dat illustreren. Na de succesvolle opstand van de Makkabeeën in 164 v.C. bleef de burcht ten nooorden van het tempelcomplex nog geruime tijd in handen van Syrische troepen. Eerst in de lente van 141 v.C. slagen de Joden er in onder aanvoering van Simon, de Hasmoneër, de burcht te veroveren en de syriërs te verdrijven uit geheel Jeruzalem: ‘En op de drieëntwintigste dag van de tweede maand van het jaar honderdeenenzeventig hielden de Judeërs er hun intocht onder gejuich en het wuiven van palmtakken, onder het spelen van citers, cimbalen en lieren, en onder het zingen van lof- en dankliederen, want een grote vijand was uit Israël verdreven’ (1 Makk 13, 51). (...) In het laatste bijbelboek worden de palmatakken opnieuw genoemd als feestelijk teken.”
Overgenomen uit: C.J. DEN HEYER & P. SCHELLING, Symbolen in de bijbel. Woorden en hun betekenis, Meinema, Zoetermeer, 2000, p. 353.
Tot slot is er nog het symbool van het lam.
“Een lammetje in de wei roept steevast gevoelens van vertedering op. Het symboliseert het prille voorjaar. De winterkou is nog maar nauwelijks verdwenen, in de nachtr vriest het soms een paar graden, overdag valt bij een scherpe noordwestelijke wind hagel of natte sneeuw. Onder die kille omstandigheden lijkt het jonge leven extra kwetsbaar. Het aandoenlijke, onschuldige lammetje staat wankelend op z’n kleine smalle pootjes. Het dreigt elk moment weer te vallen. Het is volstrekt weerloos e n afhankelijk, een gemakkelijke prooi voor roofdieren en grote roofvogels. De enige plek waar het bescherming en warmte kan zoeken, is het moederschaap.” (...)
In het boek ‘openbaring’ staat het Griekse woord ‘arnion. Er bestaat discussie onder de exegeten over de betekenis van dit woord. Meestal wordt het vertaald met ‘lam’, maar mogelijk is het ook als ‘ram’ te vertalen.
“Evenals het schaap is ook het lam bij uitstek geschikt om te dienen als lsymbool van weersloosheid en van kwetsbaarheid van het menselijk bestaan. Zonder de bescherming van het moederschaap en van een herder heeft het lam weinig kans om te overleven. In het nieuwe testament wordt het lam een enkele maal gebruikt als een beeld voor de volgelingen van Jezus en de leden van de christelijke gemeente. (Lc 10, 3 & Joh 21, 15) Een schaap kan zich niet of nauwelijks verdedigen en dat geldt in nog sterkere mate voor het lam. Het wordt in de bijbel dan ook gebruikt in verband met het lijden van mensen en het lijden van de Knecht des Heren” (Jer 11,19 & Jes 53, 6-7)
Het ligt voor de hand dat in het Nieuwe Testament een verbinding wordt gelegd tussen de Knecht des Heren van Jesaja 53 en het lijden en sterven van Jezus (Hand 5, 32).
In het johannesevangelie wordt Jezus tweemaal het lam van God genoemd. Dit lijkt een helder beeld, maar het kan zowel verwijzen naar het ritueel van Grote Verzoendag, waarbij de bok een teken van verzoening is, of naar het pesachritueel, waarbij het lam geslacht wordt.
In het boek ‘Openbaring’ is de vertaling problematisch. Over het algemeen kiest men voor ‘lam’. Men twijfelt over deze vertaling omdat in Apk 17, 14 wordt gesproken over “een strijd die het lam zal voeren en waarin het zal overwinnen. Een dergelijke krijgshaftige taal past niet bij het beeld van een weerloos lam. Om die reden kiezen sommigen voor de vertaling ‘ram’: de aanvoerder van de kudde, de ‘belhamel’ die aan het hoofd gaat en wie de schapen en lammeren veelal blindelings volgen.”
Bron: C.J. DEN HEYER & P. SCHELLING, Symbolen in de bijbel. Woorden en hun betekenis, Meinema, Zoetermeer, 2000, p. 262-264.
Deze lezing wijst erop dat ook wij reeds kinderen van God zijn en dat wij ook eens ten volle God kunnen verheerlijken.
Bron: J.LAMBERTS, Volksgebruiken in de loop van het liturgisch jaar, Uitgeverij Altiora Averbode, Averbode, 2001, p. 167.
|
[1] Bedenk toch hoe groot de liefde is die de Vader ons heeft geschonken! Wij worden kinderen van God genoemd, en dat zijn we ook. Dat de wereld ons niet kent, komt doordat de wereld hem niet kent. [2] Geliefde broeders en zusters, wij zijn nu al kinderen van God. Wat we zullen zijn is nog niet geopenbaard, maar we weten dat we aan Hem gelijk zullen zijn wanneer Hij zal verschijnen, want dan zien we Hem zoals hij is. [3] Ieder die dit vol vertrouwen van Hem verwacht maakt zich rein, zoals ook Jezus rein is. (De nieuwe Bijbelvertaling) |
De acht zaligsprekingen uit de bergrede tonen ons de weg die we moeten gaan naar deze uiteindelijke heerlijkheid. Het is de weg die ook de heiligen die we vieren zijn gegaan, het is de weg die de Heer zelf ons is voorgegaan.
Bron: J.LAMBERTS, Volksgebruiken in de loop van het liturgisch jaar, Uitgeverij Altiora Averbode, Averbode, 2001, p.168.
| [1] Bij het zien van deze menigte ging Hij de berg op, en toen Hij was gaan zitten, kwamen zijn leerlingen bij Hem. [2] Hij nam het woord en onderrichtte hen met deze toespraak: [3] ‘Gelukkig die arm van geest zijn, want hun behoort het koninkrijk der hemelen. [4] Gelukkig die verdriet hebben, want zij zullen getroost worden. [5] Gelukkig die zachtmoedig zijn, want zij zullen het land erven. [6] Gelukkig die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden. [7] Gelukkig die barmhartig zijn, want zij zullen barmhartigheid ondervinden. [8] Gelukkig die zuiver van hart zijn, want zij zullen God zien. [9] Gelukkig die vrede brengen, want zij zullen kinderen van God genoemd worden. [10] Gelukkig die vervolgd worden vanwege de gerechtigheid, want hun behoort het koninkrijk der hemelen. [11] Gelukkig zijn jullie, als ze jullie uitschelden en vervolgen en je van allerlei kwaad betichten vanwege Mij. [12] Wees blij en juich, want in de hemel wacht jullie een rijke beloning. (Willibrordvertaling) |