Wat zijn de rechten en de plichten van een pastor? In de Belgische wetgeving wordt hierover slechts weinig gezegd. Alles berust op artikel 19 van de Belgische grondwet, dat zegt:
“De vrijheid van eredienst, de vrije openbare uitoefening ervan, alsmede de vrijheid om op elk gebied zijn mening te uiten, zijn gewaarborgd, behoudens de bestraffing van de misdrijven die ter gelegenheid van het gebruikmaken van die vrijheden worden gepleegd.”
Voor de verzorgingsinstellingen wordt dit nogmaals herhaald in het Vlaams Decreet van 25 februari 1997 betreffende de integrale kwaliteitszorg in de verzorgingsinstellingen:
“Een verzorgingsinstelling is, overeenkomstig haar opdracht, aan iedere patiënt of cliënt verplicht, zonder onderscheid van leeftijd of geslacht, van ideologische, filosofische of godsdienstige overtuiging en zonder onderscheid van de vermogenstoestand van de betrokkene, verantwoorde zorg of bijstand te verstrekken en hem op een respectvolle manier te behandelen of te begeleiden.”
De geestelijke en morele bijstand in ziekenhuizen is geregeld in het K.B. van 23 oktober 1964 ter bepaling van de normen die door ziekenhuizen en hun diensten moeten worden nageleefd. Het ziekenhuis werd verplicht om toegang te verlenen aan de bedienaren van de eredienst op verzoek van de patiënt. Dit Koninklijk Besluit werd gewijzigd bij K.B. van 12 januari 1970 waarbij die toelating ook aan lekenraadgevers (nu moreel consulenten genoemd) werd gegeven.
De “Omzendbrief De Saegher” van 5 april 1973 lichtte deze wettelijke bepaling nader toe. Iedere patiënt heeft het recht op bijstand van een bedienaar of vertegenwoordiger van een erkende eredienst (katholieke, protestantse, joodse, orthodoxe (vanaf 1997) en islamitische (vanaf 1997) eredienst) of van een lekenraadgever.
Bij de concrete toepassing hiervan wordt uitgegaan van de individuele vrijheid van de patiënt. Hiertoe krijgt de patiënt bij de ziekenhuisopname een formulier waarin hij/zij over zijn/haar rechten wordt ingelicht. Hierop staan ook alle namen en adressen van de personen die voor levensbeschouwelijke bijstand ter beschikking staan van het ziekenhuis. De patiënt kan een verklaring naar wens invullen en ondertekenen. Deze wordt in een gesloten omslag aan de ziekenhuisdirectie bezorgd.
De bedienaars of vertegenwoordigers van de erediensten en de lekenraadgevers mogen de patiënt op ieder ogenblik en zonder opgelegde tijdsbeperking bezoeken. Wanneer de patiënt echter uitdrukkelijk om een bepaalde persoon gevraagd heeft, dienen andere personen zich van elk bezoek te onthouden.
Ook wanneer de patiënt verklaard heeft geen bezoek te willen ontvangen, dient men dit te respecteren. De bedienaars of vertegenwoordigers van de verschillende erediensten en de moreel consulenten worden aangewezen door de organen van de verschillende religieuze en levensbeschouwelijke instanties die door het ministerie van justitie op dat ogenblik als terzake bevoegd erkend worden.
In de psychiatrische ziekenhuizen is dezelfde regeling van kracht als in de algemene ziekenhuizen. Daarnaast moet rekening gehouden worden met de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke en de uitvoeringsbesluiten van deze wet. Volgens artikel 32 moet iedere geesteszieke behandeld worden met eerbied voor zijn vrijheid van mening, voor zijn godsdienstige en filosofische overtuiging en op zulke wijze dat zijn lichamelijke en geestelijke gezondheid, zijn sociale en gezinscontacten alsmede zijn culturele ontplooiing in de hand worden gewerkt. De niet-naleving van deze bepaling wordt strafrechterlijk gesanctioneerd.
In de psychiatrische verzorgingstehuizen geldt de Omzendbrief De Saegher niet, maar het Koninklijk Besluit van 10 juli 1990 bepaalt dat de volledige vrijheid van levensbeschouwing, godsdienst en politieke overtuiging aan iedereen dient te worden gewaarborgd. Ditzelfde geldt voor de centra voor beschut wonen.
De geestelijke en morele bijstand in rust- en verzorgingstehuizen is geregeld door het Koninklijk Besluit van 2 december 1982. Hierin staat dat de keuzevrijheid van de verzorgingsbehoevenden gegarandeerd moet worden. Daarbij wordt de tekst van het K.B. omtrent de ziekenhuizen hernomen.
Minister Busquin heeft bij Ministriële Omzendbrief van 19 december 1990 uitvoering gegeven aan dit K.B., analoog aan de Omzendbrief De Saegher. Een belangrijk verschil hierin is dat er in deze regeling geen externe financiering voorzien wordt voor de betaling van de aalmoezeniers of moreel consulenten.
Er wordt wel bepaald dat de bedienaren van de eredienst en de lekenraadgevers, die door de zorgbehoevenden gevraagd worden, ongehinderd toegang hebben tot de inrichting. Zij vinden er voor het vervullen van hun taak de geschikte sfeer en faciliteiten. Volledige vrijheid van levensbeschouwing, godsdienst en politieke overtuiging wordt aan iedereen gewaarborgd. Het huishoudelijk reglement moet aan iedere bewoner de vrijheid laten zijn ideologische, filosofische of religieuze overtuiging te beleven.
Inzake de organisatie en de financiering van de geestelijke of morele bijstand in de gehandicaptenzorg zijn er geen specifieke voorschriften. Er wordt enkel bepaald dat de ideologische, filosofische of godsdienstige overtuiging geëerbiedigd moet worden. De uitbouw van deze bijstand valt onder de verantwoordelijkheid van de instelling.
In de wet van 1965 betreffende de jeugdbescherming staat geschreven dat de gerechtelijke en administratieve overheden en al wie medewerking dient te verlenen voor de uitvoering van deze wet, de godsdienstige en wijsgerige overtuigingen van de gezinnen waartoe deze minderjarigen behoren, moeten eerbiedigen. Dit geldt ook voor de particuliere instellingen. Voor deze instellingen is vastgesteld welke aspecten voor toelagen in aanmerking komen. Zo zit in de overheidsbijdrage een klein bedrag bedoeld voor levensbeschouwelijke verzorging.

Samengevat kunnen we stellen dat in alle sectoren de plicht bestaat om de vrijheid van de godsdienstige en filosofische overtuigingen van de patiënten, cliënten of bewoners te respecteren. Dit impliceert echter niet dat de instellingen verplicht zijn om een pastorale dienst of een personeelsformatie van levensbeschouwelijke verzorging uit te bouwen.
Katholieke gezondheidsinstellingen zullen omwille van hun specificiteit aan de pastorale zorgverlening een ruimere invulling geven dan wat wettelijk verplicht is. Het bisdom en de directie zijn samen verantwoordelijk voor de personeelsomkadering van de pastorale dienst. De directie benoemt pastorale werk(st)ers op voorstel van het bisdom. Zorgnet Vlaanderen (het vroegere VVI) stelt een referentienorm van 1 voltijdse pastoraal werk(st)er per 200 bedden. In de praktijk blijkt deze norm veelal niet gerealiseerd.
Het arbeidsrechterlijke statuut van de pastoraal werk(st)ers hangt af van de instelling waarin zij werkzaam zijn. In katholieke instellingen zijn pastores veelal verbonden met de inrichtende macht via een arbeidsovereenkomst, waarbij zij direct of indirect worden vergoed door de instelling.
Het VVI (het huidige Zorgnet Vlaanderen) stelde eind jaren negentig een vernieuwd statuut op voor pastores in algemene ziekenhuizen, psychiatrische ziekenhuizen en in een rusthuis, rust- en verzorgingstehuis – serviceflat. In de openbare gezondheids- en welzijnsinstellingen zijn de vertegenwoordigers van de erediensten en de moreel consulenten doorgaans niet arbeidsrechterlijk verbonden aan de instelling, maar verlenen zij diensten op vraag van de patiënten, cliënten of bewoners, waarvoor zij een eenvormige prestatievergoeding ontvangen.
Vrij naar: P. DE POOTER, De rechtspositie van erkende erediensten en levensbeschouwingen in staat en maatschappij, Larcier, Gent, 2003, p. 448-480.