Wettelijk kader
Wetgeving omtrent pastorale zorg
Wat zijn de rechten en de plichten van een pastor? In de Belgische wetgeving wordt hierover slechts weinig gezegd. Alles berust op artikel 19 van de Belgische grondwet, dat zegt:
“De vrijheid van eredienst, de vrije openbare uitoefening ervan, alsmede de vrijheid om op elk gebied zijn mening te uiten, zijn gewaarborgd, behoudens de bestraffing van de misdrijven die ter gelegenheid van het gebruikmaken van die vrijheden worden gepleegd.”
Voor de verzorgingsinstellingen wordt dit nogmaals herhaald in het Vlaams Decreet van 25 februari 1997 betreffende de integrale kwaliteitszorg in de verzorgingsinstellingen:
“Een verzorgingsinstelling is, overeenkomstig haar opdracht, aan iedere patiënt of cliënt verplicht, zonder onderscheid van leeftijd of geslacht, van ideologische, filosofische of godsdienstige overtuiging en zonder onderscheid van de vermogenstoestand van de betrokkene, verantwoorde zorg of bijstand te verstrekken en hem op een respectvolle manier te behandelen of te begeleiden.”
1. Algemene ziekenhuizen
De geestelijke en morele bijstand in ziekenhuizen is geregeld in het K.B. van 23 oktober 1964 ter bepaling van de normen die door ziekenhuizen en hun diensten moeten worden nageleefd. Het ziekenhuis werd verplicht om toegang te verlenen aan de bedienaren van de eredienst op verzoek van de patiënt. Dit Koninklijk Besluit werd gewijzigd bij K.B. van 12 januari 1970 waarbij die toelating ook aan lekenraadgevers (nu moreel consulenten genoemd) werd gegeven.
De “Omzendbrief De Saegher” van 5 april 1973 lichtte deze wettelijke bepaling nader toe. Iedere patiënt heeft het recht op bijstand van een bedienaar of vertegenwoordiger van een erkende eredienst (katholieke, protestantse, joodse, orthodoxe (vanaf 1997) en islamitische (vanaf 1997) eredienst) of van een lekenraadgever.
Bij de concrete toepassing hiervan wordt uitgegaan van de individuele vrijheid van de patiënt. Hiertoe krijgt de patiënt bij de ziekenhuisopname een formulier waarin hij/zij over zijn/haar rechten wordt ingelicht. Hierop staan ook alle namen en adressen van de personen die voor levensbeschouwelijke bijstand ter beschikking staan van het ziekenhuis. De patiënt kan een verklaring naar wens invullen en ondertekenen. Deze wordt in een gesloten omslag aan de ziekenhuisdirectie bezorgd.
De bedienaars of vertegenwoordigers van de erediensten en de lekenraadgevers mogen de patiënt op ieder ogenblik en zonder opgelegde tijdsbeperking bezoeken. Wanneer de patiënt echter uitdrukkelijk om een bepaalde persoon gevraagd heeft, dienen andere personen zich van elk bezoek te onthouden.
Ook wanneer de patiënt verklaard heeft geen bezoek te willen ontvangen, dient men dit te respecteren. De bedienaars of vertegenwoordigers van de verschillende erediensten en de moreel consulenten worden aangewezen door de organen van de verschillende religieuze en levensbeschouwelijke instanties die door het ministerie van justitie op dat ogenblik als terzake bevoegd erkend worden.
2. Geestelijke gezondheidszorg
In de psychiatrische ziekenhuizen is dezelfde regeling van kracht als in de algemene ziekenhuizen. Daarnaast moet rekening gehouden worden met de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke en de uitvoeringsbesluiten van deze wet. Volgens artikel 32 moet iedere geesteszieke behandeld worden met eerbied voor zijn vrijheid van mening, voor zijn godsdienstige en filosofische overtuiging en op zulke wijze dat zijn lichamelijke en geestelijke gezondheid, zijn sociale en gezinscontacten alsmede zijn culturele ontplooiing in de hand worden gewerkt. De niet-naleving van deze bepaling wordt strafrechterlijk gesanctioneerd.
In de psychiatrische verzorgingstehuizen geldt de Omzendbrief De Saegher niet, maar het Koninklijk Besluit van 10 juli 1990 bepaalt dat de volledige vrijheid van levensbeschouwing, godsdienst en politieke overtuiging aan iedereen dient te worden gewaarborgd. Ditzelfde geldt voor de centra voor beschut wonen.
3. Ouderenzorg
De geestelijke en morele bijstand in rust- en verzorgingstehuizen is geregeld door het Koninklijk Besluit van 2 december 1982. Hierin staat dat de keuzevrijheid van de verzorgingsbehoevenden gegarandeerd moet worden. Daarbij wordt de tekst van het K.B. omtrent de ziekenhuizen hernomen.
Minister Busquin heeft bij Ministriële Omzendbrief van 19 december 1990 uitvoering gegeven aan dit K.B., analoog aan de Omzendbrief De Saegher. Een belangrijk verschil hierin is dat er in deze regeling geen externe financiering voorzien wordt voor de betaling van de aalmoezeniers of moreel consulenten.
Er wordt wel bepaald dat de bedienaren van de eredienst en de lekenraadgevers, die door de zorgbehoevenden gevraagd worden, ongehinderd toegang hebben tot de inrichting. Zij vinden er voor het vervullen van hun taak de geschikte sfeer en faciliteiten. Volledige vrijheid van levensbeschouwing, godsdienst en politieke overtuiging wordt aan iedereen gewaarborgd. Het huishoudelijk reglement moet aan iedere bewoner de vrijheid laten zijn ideologische, filosofische of religieuze overtuiging te beleven.
4. Voorzieningen voor personen met een handicap
Inzake de organisatie en de financiering van de geestelijke of morele bijstand in de gehandicaptenzorg zijn er geen specifieke voorschriften. Er wordt enkel bepaald dat de ideologische, filosofische of godsdienstige overtuiging geëerbiedigd moet worden. De uitbouw van deze bijstand valt onder de verantwoordelijkheid van de instelling.
5. Bijzondere jeugdzorg
In de wet van 1965 betreffende de jeugdbescherming staat geschreven dat de gerechtelijke en administratieve overheden en al wie medewerking dient te verlenen voor de uitvoering van deze wet, de godsdienstige en wijsgerige overtuigingen van de gezinnen waartoe deze minderjarigen behoren, moeten eerbiedigen. Dit geldt ook voor de particuliere instellingen. Voor deze instellingen is vastgesteld welke aspecten voor toelagen in aanmerking komen. Zo zit in de overheidsbijdrage een klein bedrag bedoeld voor levensbeschouwelijke verzorging.

Het arbeidsrechterlijk statuut van pastores
Samengevat kunnen we stellen dat in alle sectoren de plicht bestaat om de vrijheid van de godsdienstige en filosofische overtuigingen van de patiënten, cliënten of bewoners te respecteren. Dit impliceert echter niet dat de instellingen verplicht zijn om een pastorale dienst of een personeelsformatie van levensbeschouwelijke verzorging uit te bouwen.
Katholieke gezondheidsinstellingen zullen omwille van hun specificiteit aan de pastorale zorgverlening een ruimere invulling geven dan wat wettelijk verplicht is. Het bisdom en de directie zijn samen verantwoordelijk voor de personeelsomkadering van de pastorale dienst. De directie benoemt pastorale werk(st)ers op voorstel van het bisdom. Zorgnet Vlaanderen (het vroegere VVI) stelt een referentienorm van 1 voltijdse pastoraal werk(st)er per 200 bedden. In de praktijk blijkt deze norm veelal niet gerealiseerd.
Het arbeidsrechterlijke statuut van de pastoraal werk(st)ers hangt af van de instelling waarin zij werkzaam zijn. In katholieke instellingen zijn pastores veelal verbonden met de inrichtende macht via een arbeidsovereenkomst, waarbij zij direct of indirect worden vergoed door de instelling.
Het VVI (het huidige Zorgnet Vlaanderen) stelde eind jaren negentig een vernieuwd statuut op voor pastores in algemene ziekenhuizen, psychiatrische ziekenhuizen en in een rusthuis, rust- en verzorgingstehuis – serviceflat. In de openbare gezondheids- en welzijnsinstellingen zijn de vertegenwoordigers van de erediensten en de moreel consulenten doorgaans niet arbeidsrechterlijk verbonden aan de instelling, maar verlenen zij diensten op vraag van de patiënten, cliënten of bewoners, waarvoor zij een eenvormige prestatievergoeding ontvangen.
Vrij naar: P. DE POOTER, De rechtspositie van erkende erediensten en levensbeschouwingen in staat en maatschappij, Larcier, Gent, 2003, p. 448-480.
Het beroepsgeheim
De staat voorziet in regels omtrent het beroepsgeheim. In het strafwetboek staan alle bepalingen waaraan personen gebonden aan een beroepsgeheim zich moeten houden. Het is een complex kluwen aan regelgeving. Hieronder zetten we de belangrijkste op een rijtje.
Voor een uitgebreide juridische behandeling van het beroepsgeheim in de zorg- en welzijnssector, zie: I. VAN DER STRAETE EN J. PUT, Beroepsgeheim en hulpverlening, Brugge, Die Keure, 2005.
- In artikel 458 van het strafwetboek opgenomen uitzonderingen
- Door rechtspraak erkende uitzonderingen
- Aangifterecht in geval van mishandeling en seksuele delinquentie ten aanzien van minderjarigen
- Beschikking over beroepsgeheim
1. In artikel 458 van het strafwetboek opgenomen uitzonderingen
“Geneesheren, heelkundigen, officieren van gezondheid, apothekers, vroedvrouwen en alle andere personen die uit hoofde van staat of hun beroep kennis dragen van geheimen die hun zijn toevertrouwd, en deze bekendmaken buiten het geval dat zij geroepen worden om in recht of voor een parlementaire onderzoekscommissie getuigenis af te leggen en buiten het geval dat de wet hen verplicht die geheimen bekend te maken, worden gestraft met een gevangenissstraf van acht dagen tot zes maanden en met geldboete van honderd euro tot vijhonderd euro.”
Er zijn twee gevallen in deze wet opgenomen, waarbij personen met een beroepsgeheim de geheimhoudingsplicht mogen doorbreken.
1.1. Getuigenis voor de rechtbank
De eerste uitzondering heeft betrekking op een getuigenis voor een rechter. In dit geval heeft de persoon met een beroepsgeheim het recht om een geheim bekend te maken. Dit recht houdt in dat de persoon niet vervolgd kan worden wegens schending van het beroepsgeheim, maar dit ontslaat hem of haar niet van de plicht om zich te houden aan de deontologie van zijn beroepsgroep. Hij of zij loopt bijgevolg nog altijd het risico van een tuchtsanctie. Het spreekrecht geldt niet ten aanzien van de politie of het parket. Daarnaast heeft die persoon ook het recht om te zwijgen. Een getuige kan niet verplicht worden om zijn of haar beroepsgeheim te doorbreken. Dit wil echter niet zeggen dat de persoon niet moet komen getuigen. Iemand die wordt opgeroepen om te getuigen moet hierop ingaan, ook al is hij of zij van plan om het beroepsgeheim in te roepen.
1.2. Wettelijke verplichting tot bekendmaken
De tweede uitzondering beroept zich op wetten die mensen met een beroepgeheim verplicht om bepaalde zaken bekend te maken: dit wordt de wettelijke verplichting tot bekendmaken genoemd. Hieronder hoort de aangifteverplichting bij de wettelijke overheid. Dit houdt in dat bepaalde strafbare feiten schriftelijk of mondeling aangegeven moeten worden. De aangifte moet gebeuren bij de procureur des Konings of aan andere instanties die bevoegd zijn om strafvervolgingen uit te voeren.
1.2.1. De aangifteplicht
De aangifteverplichting staat in een spanningsverhouding met het beroepsgeheim. Waar het beroepsgeheim dient om bepaalde zaken geheim te houden, wil de aangifteverplichting deze geheimen net openbaar maken. In wat volgt bespreken we de aangifteverplichting en wat de verhouding daarmee is met het beroepsgeheim. Onder juristen is er discussie over de term verplichting: verplicht dit wetsartikel werkelijk de houder van het beroepsgeheim om het geheim bekend te maken of gaat het eerder om een toelating om dit te doen? Juristen neigen eerder naar het tweede. Er bestaan verschillende soorten aangifteplichten
Iedereen die getuige is geweest van een aanslag, zowel tegen de openbare veiligheid, als op iemand leven of eigendom, moet daarvan aangifte doen bij de procureur des Konings. Dit is in de eerste plaats een morele plicht, waarvan het niet nakomen niet juridisch gesanctioneerd kan worden, behalve in het geval van schuldig verzuim. (cf infra) Iemand die door deze feiten schade heeft geleden kan de getuige wel burgerrechelijk aansprakelijk stellen. Belangrijk hierbij is dat de persoon de feiten de visu heeft vastgesteld.
De bijzondere of ambtelijke aangifteplicht
Iedere gestelde overheid, iedere openbare officier of ambtenaar die in de uitoefening van zijn ambt kennis krijgt van een misdaad of wanbedrijf is verplicht om dit aan te geven bij de procureur des Konings. Het verschil met de algemene aangifteplicht is dat hij of zij niet rechtstreeks getuige moet geweest zijn van het misdrijven, maar dat het dus ook kan gaan over feiten waarvan hij of zij gehoord heeft door het slachtoffer of derden. Iedereen die wordt tewerkgesteld door de overheid is gehouden aan deze verplichting. Ook hierbij gaat het weer om een morele verplichting en gelden dezelfde bepalingen als bij de algemene aangifteplicht.
De bijzondere plicht tot aangifte van misdrijven voor geneesheren
De arts moet misdrijven aangeven waarvan de patiënt het slachtoffer is, maar dit geldt niet wanneer de patiënt dader is. In dit laatste geval primeert het beroepsgeheim.
Aangifteplicht versus geheimhoudingsplicht
De vraag die nu rijst, is of deze aangifteplicht primeert op de geheimhoudingsplicht. Wat de ambtelijke aangifteplicht betreft, is er veel discussie onder juristen. Hulpverleners die voor de overheid werken zijn gehouden aan de ambtelijke aangifteplicht en het beroepsgeheim. De meeste juristen neigen er echter naar om het beroepsgeheim te laten primeren op de ambtelijke aangifteplicht. Dit wil niet zeggen dat zij alles geheim kunnen houden, met name wanneer zij belast zijn met een mandaat in opdracht van een gerechtelijke instantie, zijn zij verplicht om melding te doen van strafbare feiten. Wat betreft de aangifteplicht van artsen is de situatie wel duidelijk. Deze doet namelijk geen afbreuk aan het beroepsgeheim.
1.2.2. Bekendmaken aan een gerechtelijke instantie ter uitvoering van een hulpverleningsplicht
Iemand maakt zich schuldig aan schuldig verzuim als hij of zij het nalaat hulp te verlenen of te verschaffen aan iemand die in groot gevaar verkeert. Dit geldt zowel wanneer de hulpverlener zelf die toestand heeft vernomen als wanneer de toestand wordt beschreven door degene die zijn of haar hulp inroept. Het gaat over een feitelijke toestand van groot gevaar waarin de mens verkeert, ongeacht de oorzaak van dit gevaar. Het gaat hierbij zowel om het beschermen van de fysieke als de psychische integriteit van het slachtoffer.
Schuldig verzuim wordt besproken in Artikel 422bis van het Strafwetboek
“Met gevangenisstraf van acht dagen tot (een jaar) en met geldboete van vijftig euro tot vijfhonderd euro of met een van die straffen alleen wordt gestraft hij die verzuimt hulp te verlenen of te verschaffen aan iemand die in groot gevaar verkeert, hetzij hij zelf diens toestand heeft vastgesteld, hetzij die toestand hem is beschreven door degenen die zijn hulp inroepen. Voor het misdrijf is vereist dat de verzuimer kon helpen zonder ernstig gevaar voor zichzelf of voor anderen. Heeft de verzuimer niet persoonlijk het gevaar vastgesteld waarin de hulpbehoevende verkeerde, dan kan hij niet worden gestraft, indien hij op grond van de omstandigheden waarin hij werd verzocht te helpen, kon geloven dat het verzoek niet ernstig was of dat er gevaar aan verbonden was.”
Wanneer spreekt men van schuldig verzuim?
- Als de hulpverlener kon helpen zonder ernstig gevaar voor zichzelf of anderen. Er wordt geen heldenmoed gevraagd.
- Als de hulpverlener op de hoogte was van het groot gevaar. Hij of zij hoeft daar geen getuige van te zijn. Het is voldoende dat hij of zij de gevolgen ziet of dat iemand hem of haar de gevaarstoestand beschrijft. Die iemand hoeft niet noodzakelijk het slachtoffer te zijn.
- Als de gevaarssituatie telefonisch aan de hulpverlener wordt gemeld, zijn er enkel richtlijnen voor de arts. De arts moet actief informatie inwinnen om de ernst van het gevaar adequaat te kunnen inschatten. In geval van twijfel moet hij of zij zich ter plaatse begeven.
- Als de hulpverlener, die op de hoogte was van groot gevaar, geen hulp verleende, hetzij persoonlijk, hetzij door tussenkomst van een derde. Wie de hulp van een derde inroept, moet zich ervan vergewissen dat er gevolg werd gegeven aan zijn oproep.
Bij kindermisbruik wordt aan de hulpverleners aangeraden om contact op te nemen met het Vertrouwenscentrum Kindermishandeling (www.kindermisbruik.be). Dit centrum kan zich een beeld vormen van de ernst en de dringendheid van de melding en helpt jou mee zoeken naar een oplossing.
Schuldig verzuim houdt in dat men nalaat om de hulp te bieden, dat de geboden hulp achteraf niet doeltreffend was, is niet voldoende om het schuldig verzuim te noemen. Artikel 422bis geldt voor iedereen, maar van een professionele hulpverlener wordt meer verwacht dan van een gewone burger.
Hulpverleningsplicht versus geheimhoudingsplicht
In gevallen van kindermishandeling kan de hulpverlener, als hij of zij geen andere oplossing ziet, de feiten melden aan het parket. Dit aangifterecht is de ultieme remedie, wanneer de veiligheid van het kind op geen enkele andere manier kan worden gegarandeerd.
Wanneer het echter gaat over meerderjarige slachtoffers, dan hangt het af van wie de cliënt is van de hulpverlener.
- Als enkel het slachtoffer een cliënt is van de hulpverlener, dan mag de hulpverlener het beroepsgeheim doorbreken (na weloverwogen beslissing). De hulpverlener hoeft echter niet onmiddellijk naar het parket te stappen. Het beroepsgeheim hoeft niet doorbroken worden als het gevaar op een andere manier afgewend kan worden. Dan kan het volstaan dat de hulpverlener een collega of een andere hulp- of zorgverlener contacteert. Als hij of zij dit niet doet, kan hij of zij beschuldigd worden van schuldig verzuim. Een andere manier om het beroepsgeheim veilig te stellen, is door het slachtoffer te overtuigen om zelf contact op te nemen met de politie.
- Wat moet er gebeuren als de dader een cliënt van de hulpverlener is en de hulpverlener geen hulpverleningsrelatie heeft met het slachtoffer? In principe is de hulpverlener dan gehouden aan het beroepsgeheim, maar hij of zij kan wel proberen op de dader in te praten waardoor het gevaar voor het slachtoffer wijkt. In uitzonderlijke gevallen zou hij de noodtoestand (interne link) kunnen inroepen, maar hieraan zijn zeer strenge voorwaarden verbonden. Enkel wanneer de hulpverlener hiermee een ernstig en dreigend gevaar voor anderen wil afwenden, kan hij of zij zijn of haar beroepsgeheim schenden. Met andere woorden de hulpverlener mag zijn of haar beroepsgeheim niet schenden met het oog op de vervolging van de dader, maar enkel om een actueel gevaar voor het slachtoffer af te wenden.
- Als zowel dader als slachtoffer een cliënt van de hulpverlener zijn, dan is het aan te raden om het slachtoffer maximaal te beveiligen. De hulpverlener kan trachten om de dader en/of het slachtoffer te overtuigen om zelf de misdaad aan te geven.? waarover?. Hij of zij kan ook de hulp van andere hulpverleners inroepen. Pas wanneer alle mogelijkheden van de hulpverlening uitgeput zijn, dan kan de hulpverlener zich beroepen op de noodtoestand als rechtsgrond om de feiten aan te geven bij de politie.
2. Door de rechtspraak erkende uitzonderingen
2.1. Noodtoestand
De noodtoestand is een situatie waarin het overtreden van strafrechtelijke bepalingen het enige middel is om andere, meer belangrijke rechtsgoederen of belangen te vrijwaren. Door het inroepen van een noodtoestand verdwijnt het strafbaar karakter van het bekendmaken van een geheim. Uiteraard is het inroepen van een noodtoestand aan een aantal voorwaarden onderworpen.
- Er is een onmiddellijke noodzakelijkheid met het vrijwaren van het te beschermen belang. Met andere woorden, de noodtoestand kan niet ingeroepen worden wanneer er geen gevaar meer is voor het slachtoffer of wanneer de bedreiging van het rechtsgoed niet zeker, actueel, ernstig en noodzakelijk is.
- Het rechtsgoed dat wordt bedreigd en dat men wil beschermen moet van een hogere of minstens gelijke waarde zijn dan het rechtsgoed dat men wil schenden. De fysieke integriteit is het hoogste rechtsgoed.
- Het rechtsgoed kan niet op een andere wijze worden gevrijwaard.
Het inroepen van de noodtoestand om het schenden van het beroepsgeheim te rechtvaardigen is enkel toegelaten in acute gevaarsituaties. Het oordeel hierover wordt overgelaten aan de drager van het beroepsgeheim, die een persoonlijke evaluatie van de feiten moet maken, hierbij rekening houdend met alle omstandigheden. Het is pas wanneer er een klacht komt wegens schending van het beroepsgeheim dat een rechter hierover oordeelt. Omdat het dikwijls gaat over ingewikkelde en delicate situaties van ernstig seksueel misbruik werd artikel 458bis ingesteld (cf infra).
2.2. Aangifte van strafbare feiten waarvan de cliënt het slachtoffer is
Het doel van het beroepsgeheim is het beschermen van de cliënt. Daarom verbiedt het beroepsgeheim ook enkel om feiten te verklappen die aanleiding kunnen geven tot strafrechtelijke vervolging van de cliënt. Het is echter wel toegelaten om feiten waarvan de cliënt slachtoffer is, aan te geven. Het gaat hierbij enkel om aangifte bij gerechtelijke autoriteiten. Deze uitzondering is echter niet zo eenvoudig als het lijkt. In gevallen van kindermishandeling is het dikwijls niet eenvoudig om uit te maken of de dader een cliënt is. In het geval van kinderen wordt er immers vaak contextueel en gezinsgericht gewerkt. Omdat kindermisbruik vaak een intrafamilaal karakter heeft, komen hulpverleners vaak met zowel dader als slachtoffer in aanraking. Daarom werd artikel 458bis in het strafwetboek opgenomen (cf infra). Soms acht de hulpverlener het wenselijk om de feiten toch niet te melden aan de politie, bijvoorbeeld om het vertrouwen van het slachtoffer, die hem of haar gevraagd heeft om de feiten niet te melden, niet te schenden.
2.3. Verdediging in rechte
Wanneer een door het beroepsgeheim gebonden hulpverlener door zijn cliënt voor de rechtbank wordt gebracht omwille van een vermeende beroepsfout of een misdrijf in de uitoefening van zijn beroep, mag hij het geheim door breken. Ook mag hij, met het oog op zijn verdediging, deze vertrouwelijke informatie delen met derden: zijn advocaten, de magistraten, de door de rechtbank aangestelde deskundigen, het Openbaar Ministerie en de tegenpartij. Dit is omdat het recht op verdediging de voorrang heeft op het beroepsgeheim. Als hulpverlener kan je je enkel op dit recht op verdediging beroepen als je voor de rechtbank vervolgd wordt. Omwille van de openbaarheid van de zitting, mag de hulpverlener enkel de geheimen, die hij kan gebruiken in het kader van zijn verdediging, prijsgeven.
Juristen zijn het niet eens over de vraag of een hulpverlener, die zijn cliënt voor de rechtbank daagt, geheimen over de cliënt mag prijsgeven.
2.4. Mededeling aan een disciplinaire overheid
Het beroepsgeheim kan nooit worden ingeroepen tegen disciplinaire overheden. Voor artsen is de Orde van Geneesheren en voor advocaten is dit de orde van Advocaten. Omwille van zijn of haar deontologie is de beroepsbeoefenaar loyauteit en eerlijkheid verschuldigd ten aanzien van zijn disciplinaire overheid. Om adequaat toezicht te kunnen uitoefenen, moeten ze hun leden kunnen verplichten gegevens mee te delen die gedekt zijn door het beroepsgeheim.
2.5. Dwaling als schulduitsluitingsgrond
Schulduitsluitingsgronden zijn omstandigheden die meebrengen dat het misdrijf niet aan de dader kan worden verweten. Dwaling wordt hieronder gerekend en betekent dat de dader een verkeerd begrip heeft van de feiten of van de strafbaarheid van zijn gedraging. Omdat het beroepsgeheim een kluwen van wetten is, is het in theorie mogelijk voor een hulpverlener, die schending van het beroepsgeheim wordt verweten, om dwaling in te roepen als schulduitsluitingsgrond. Dwaling als schulduitsluitingsgrond is gebonden aan twee voorwaarden:
- De hulpverlener mag zelf geen fout begaan hebben bij zijn vergissing of onbegrip omtrent het beroepsgeheim. Dit is slechts het geval als iedere gemiddelde, redelijke en vooruitziende persoon de dwaling ook zou hebben begaan.
- De dwaling moet betrekking hebben op een constitutief element van het misdrijf, dus in dit geval zal de discussie toegespitst worden op de vraag of een gegeven als een geheim kan worden beschouwd dan wel of een bepaalde gedraging als bekendmaking moet worden gekwalificeerd
3. Aangifterecht in geval van mishandeling en seksuele delinquentie tav minderjarigen (Artikel 458bis Strafwetboek)
De schending van de integriteit van de mens is de hoogte rechtswaarde in ons land, maar in combinatie met het beroepsgeheim kan dit tot gewetensconflicten leiden. Dit waardenconflict stelt zich des te scherper bij kindermishandeling, omdat de persoon wiens integriteit bedreigd wordt, minderjarig is. Dit gaf aanleiding tot de invoering van artikel 458 bis in het strafwetboek:
Eenieder, die uit hoofde van zijn staat of beroep houder is van geheimen en die hierdoor kennis heeft van een misdrijf zoals omschreven in de artikelen 372 tot 377, 392 tot 394, 396-405ter, 409, 423, 425 en 426, gepleegd op een minderjarige kan, onverminderd de verplichtingen hem opgelegd door artikel 422bis, het misdrijf ter kennis brengen van de procureur des Konings, op voorwaarde dat hij het slachtoffer heeft onderzocht of door het slachtoffer in vertrouwen werd genomen, er een ernstig en dreigend gevaar bestaat voor de psychische of fysieke integriteit van de betrokkene en hij deze integriteit zelf of met hulp van anderen niet kan beschermen.
De misdrijven die een persoon ter kennis mag brengen aan de procureur des Konings ondanks zijn beroepsgeheim zijn de volgende:
- Aanranding van de eerbaarheid en verkrachting
- Doodslag
- Opzettelijk doden en opzettelijk toebrengen van lichamelijke letsels
- Genitale verminking bij personen van het vrouwelijke geslacht
- Het verlaten of in een behoeftige toestand achterlaten van kinderen of onbekwamen
- Het onthouden van voedsel of verzorging aan minderjarigen en onbekwamen
Maar dit is aan bepaalde juridische regels onderworpen. We zetten ze even op een rijtje:
- Het slachtoffer moet minderjarig zijn (zonder leeftijdsgrens);
- Er moet een ernstig en dreigend (actueel) gevaar zijn;
- De drager van het beroepsgeheim moet ten persoonlijken titel kennis hebben gekregen van een van deze misdrijven
- Men moet het slachtoffer zelf hebben onderzocht of men moet door het slachtoffer in vertrouwen zijn genomen. Het beroepsgeheim kan niet ongestraft worden opgeheven als de hulpverlener de informatie over het misdrijf enkel via familie of een kennis van het slachtoffer verneemt. De feiten moeten door het slachtoffer zelf daadwerkelijk worden bevestigd of meegedeeld
- Men is niet in staat om zelf of met hulp van anderen de psychische of de fysieke integriteit van de minderjarige te garanderen (toepassing van het subsidiariteitsbeginsel);
- Een eventuele melding dient te gebeuren aan de procureur des Konings.
Bemerk hierbij dat het om een aangifterecht gaat, maar niet om een plicht. In de Frans- en Duitstalige gemeenschap gaat het om een meldingsplicht.
4. Beschikking over het beroepsgeheim
Schendt een hulpverlener, die met instemming van de cliënt vertrouwelijke informatie doorgeeft aan derden, zijn of haar beroepsgeheim? Er is veel discussie onder juristen over deze vraag. Sommige juristen vinden dat de cliënt de hulpverlener niet kan ontslaan van het beroepsgeheim, omdat dit het maatschappelijk belang van het beroepgeheim ondermijnt. Volgens Isabelle Van der Straete en Johan Put hoeft dit niet noodzakelijk zo te zijn. Artikel 458 beschermt in eerste instantie de private belangen van de cliënt. Dit is essentieel voor hun vertrouwensrelatie. Dit heeft ook een maatschappelijke relevantie, want het resulteert in een algemeen vertrouwen in de beroepsgroep. Dit draagt bij tot de goede werking van maatschappelijke voorzieningen als de gezondheids- en welzijnszorg en de rechtsbijstand. Dit maatschappelijk belang staat echter niet op zichzelf. Noch het vertrouwen van de cliënt, noch het vertrouwen van de maatschappij wordt geschonden wanneer een hulpverlener met toestemming van de cliënt informatie onthult die valt onder het beroepsgeheim.
Als een hulpverlener door zijn cliënt wordt ontslagen van de geheimhoudingsplicht, dan mag hij of zij de vertrouwelijke informatie doorgeven zonder dat hij blootgesteld wordt aan strafvervolging. Hij of zij mag dit zelfs niet weigeren, precies omwille van het beroepsgeheim. Het beroepsgeheim beschermt de privacy van de cliënt, maar het recht op privacy heeft niet alleen een beschermende werking. Het vertoont ook een aspect van vrijheid en zelfbeschiking. De cliënt moet gerespecteerd worden in zijn of haar autonomie door hem of haar zelf te laten bepalen welke gegevens hij of zij prijsgeeft.
Bron: I. VAN DER STRAETE EN J. PUT, Beroepsgeheim en hulpverlening, Brugge, Die Keure, 2005.






