Mariapoëzie

Maria was ook een inspiratiebron voor vele dichters. Hieronder volgt slechts een selectie van hun werk:

Albe

De engel aarzelde

De engel aarzelde
een korte stond,
ontroering sloot
zijn gezegende mond
en in zijn licht
stond hij verblind :
Hij zocht een vrouw
en vond een kind,
dat naar hem opkeek,
argeloos rein,
en te verbaasd
om moeder te zijn.
Hij sprak de boodschap
met fluisterende mond
toen hij van vreugde
de woorden vond.

Van alle tijden

Van alle tijden
uitverkoren
zijt Gij de roze
zonder doren.

Zijn milde hand
leidde uw groei,
Zijn adem was
uw warmte en bloei.

Hij zag de dauw
zwaar als de traan
stil glinsteren
in uw blaân

en wist dat Gij
van zijn smart
de doren droeg
diep in het hart.

Gelijk de roze
van bloed en doren
waart Gij, Maria,
uitverkoren.
 

naar boven

August Cuppens

Daar bloeide eene Lelie
met zuiverlijke pracht,
voor eeuwen en tijden
in’t diepst van Gods gedacht...
Zij was toch zo schoone!
Zij bloeide toch zoo blank!
Er looft Haar naar weerde
noch mensch, noch eng’lenzang!

Vandaag is die Lelie,
zoo menige eeuw verbeid
op aarde gesproten
in reine heerlijkheid.
’t Zijt Gij, o Maria,
o Lelie, eeuwig schoon,
Gods Bruid en Gods Dochter
en Moeder van Gods Zoon!

Al de engelen chooren
begroeten heden de aard’:
zij heeft hun, o wonder!
Een Koninging gebaard!
O hemelsche Lelie,
Gij zijt onze eeuw’ge Roem,
Gij zijt van de wereld
de vlekkeloze Bloem!

naar boven

Chris de Graaff

Maria, gij en anders geen
die hier nog helpen kan,
geen die de bitt’re stromen van
mijn tranen nu nog stelpen kan
geen bidt voor mijn ontkomen, dan
Maria, gij alleen.

naar boven

Gabriël Smit

Aankomst

U komt, U danst over de bergen,
niemand kan U nog zien,
een kleine lichtvis in de bloedrivier
van een jonge vrouw.

U komt, ik ben zo blij, over
een lang, leeg land van eeuwen
haal ik adem naar U, springt
mijn verlangen met U mee.

Maak haast, laat de bezige handen
van uw moeder er dadelijk zijn, laat
ze helpen, de kamers liggen
vol stof, ramen zijn blind.

De tuin is verwilderd, die U voorgaat
legt straks de bijl aan de wortels,
maar kom, kom over de bergen,
razend snel korten de dagen.

Ik ben zo blij, uw komen wordt zijn,
uw moeder staat aan het begin
van de veldweg, - o Elisabeth, als
een kinderstem vonkt de morgenster
 

naar boven

Guido Gezelle

O Maria die daar staat,
gij zijt goed en ik ben kwaad
wilt gij mijne arme ziele gedinken
'k zal u een Ave Maria schinken

O Maria, gij die weet
dat mijn herte u is besteed
wilt gij mijne arme ziele gedinken
'k zal u een Ave Maria schinken

O Maria, die mij ziet,
gij hebt alles, ik heb niets
wilt gij mijne arme ziele gedinken
'k zal u een Ave Maria schinken

O Maria, in uw schoot
ligt mijn hert, van deugden bloot
wilt gij mijne arme ziele gedinken
'k zal u een Ave Maria schinken

O Maria, overluid
spreek ik mijn beloften uit
wilt gij mijne arme ziele gedinken
'k zal u een Ave Maria schinken

O Maria, in den strijd
toogt dat gij ons moeder zijt
wilt gij mijne arme ziele gedinken
'k zal u een Ave Maria schinken

naar boven

Hubert van Herreweghen

Wees gegroet

Een somber moe en angstig man, 
zo simpel als hij bidden kan: 
Maria, wees gegroet.

Gij glimlacht daar ge in licht gewaad 
in felle zon glanzen staat
want gij zijt mild en goed.

En ‘k glimlach naar het ogenlicht
dat teer maakt uw verdroomd gezicht
en mij vertrouwen doet.

Glimlachend zien we elkander aan,
geef dat ik zo voor u mag staan
eens, en voorgoed.

Maria, wees gegroet.

naar boven

Jacapone da Todi

Stabat Mater Dolorosa
Iuxta Crucem Lacrimosa
Dum pendebat Filius

Quis est homo qui non fleret
Matrem Christi si videret
In tanto supplicio

De Bedroefde Moeder
Stond in Tranen bij het Kruis
Waar haar Zoon aan hing

Wie is de Mens die niet zou wenen
Bij het zien van Christus’ Moeder
In een dergelijke smeking

naar boven

Jowan De Kever

Als om een bruid
spreid ik om de bloemen van mijn beelden.
Gij glimlacht, en besluit
wat iedre bruid in al haar weelden
wagen zou: de armen uit-
gespreid, vangt Gij mijn moegespeelde
dromen op en sluit
aan ’t hart dit lied van nooit geheelde
pijn, terwijl mijn fluit,
die al dit lange hunkren deelde,
zwijgt. Gij zijt mijn bruid

naar boven

Justus de Harduijn

Maria tot haar zuigende kind
Waartoe doch maakt uw mondeken rein
Mijn lief, nu zulk bedrijf ?
En waartoe doch uw handekens klein
Duimelen alzo stijf
Op het albaster van mijn borst ?
Zoud’ het wel zijn, peis ik, van dorst ?

Maar of ’t daarom nog ware gedaan :
Gij weet wel dat een maagd,
Hoe rijp, hoe rond haar boezemkes staan,
Geen melk of sponn’ en draagt :
Hoe kan ik geven dan de bust,
Die nooit en wist van ’s werelds lust ?

Nu dan, o liefste mondeken rood,
Nu dan, o lipkens zoet,
En doet niet meer alzulk enen nood,
Want ’t is verloren moed.
’t Is al om niet dat gij doch rekt,
’t Is al om niet dat gij doch trekt.

Neen, neen, mijn lieveken, neen komt aan,
Ten is u maar geproefd,
Neen, mondeken, komt wilt u verzaân,
Gij weet wat u behoeft,
Gij weet doch wel hoe dat al gaat,
Gij weet hoe ’t met uw Moeder staat.

Gij weet dat zij is vrouw en maagd,
Gij weet, dat zij alleen
Voor u twee volle boezemkens draagt,
Gij weet dat anders geen,
O, groten God van dezen Al,
Beter u op-koesteren zal.
Schoon boven alle schone,
hoe mag ’t geschiên (hoe is het mogelijk ?),
dat gij dus (aldus) hangt ten tone
voor alle liên ?

Dat gij dus hangt genageld,
vlak in den wind,
beregend en behageld,
mijn liefste Kind ?

Gij die ’t al hebt geschapen,
wat vreemd bestier !
Hebt gij geen plek om slapen
elders dan hier ?

Wee mij, bedrukte moeder !
wee mij, wat raad ?
als ’t nu, o mijn Behoeder,
met U zo gaat !

Ach, Simeon vol waarden,
ach, ach, o smart !
Nu gaan uw zeven zwaarden
dwars door mijn hart.
 

naar boven

Maurice Gilliams

De boodschap

Toen zij werd aangeraakt door woorden,
die waren vingren van de Heilige Geest,
is door haar lijf een pijn geschoten
en de engel liet haar moederziel alleen.

Zij is haar lichaam zacht gaan strelen ,
zij was de kleine tere en hier binnen
droeg ze ’t diamanten, harde goed
dat haar beschrijnen en doorsnijden moest.

« Ach, laat mij ánders zijn ontroerd,
toekomend kruis, geween en wonden ;
dat proeve in mij het mondeken ál zoetigheid,
mijn minnewijn, ach, donker sap van pijn. »

Zij heeft zich zelve vastgeklemd
met een kracht van waanzin en verwijt ;
maar wonderbaar waren hare handen,
bijna zonder lichamelijkheid.

Piëta

Nu sluit zij met ijs van haar stilzwijgendheid
de ganse gaping tussen geest en lijf,
tot zij geworden is de blinde starende
in eenzaamheid, Jezus, waar zij U bereikt.
 

naar boven

Kris Gelaude

Maria. Een baken in de nacht

Zij wist nog helder van het teer begin.
Van huis uit de verwachting meegekregen,
lachte zij onbevangen de belofte tegemoet.
Ze zag zich al met kinderen.
De schoot gezegend,
zogend aan de zijde van hun vader.
En dromen van een goed bestaan.
Tot ze werd aangeraakt.
Een bries van vleugels was het.
En niets meer zoals voordien.

Want staande in een goddelijke stroming
moeder worden,
is anders dan gedroomd.
Is loslaten en meegenomen worden
en zelf niet zien waarheen.
En kwetsbaar worden, soms te zeer.
Maar blijven ook,
met vragen en met leegte. Reeds groot zijn
en nog groter worden in vertrouwen.
Dat heeft het kind haar steeds opnieuw geleerd.

Doorstroomd werd haar gemoed
van het onnoembare gevoel dat Hij,
hun zoon, licht van hun ogen weliswaar,
niet zonder meer hun kind was.
Hoewel zomaar een jongen
met een naam van hier,
maar met de hemel in zijn hoofd.
Zij volgde hem.
Zij liet hem worden wie hij worden moest.
En luisterde,
stond sprakeloos, verloren in de massa.
Zijn woord heeft zij gekoesterd en gedragen.
En het eindeloos herhaald.
Tot het haar eigen vlees en bloed werd.

Die keuze heeft het kruis
midden haar huis geplant.
Haar blik in het gebroken lichaam
van haar zoon gespijkerd.
Maar ze is opgestaan
om naar de plek waar alles doodgelopen was,
terug te gaan, tesamen met de vrouwen.
Zij zag de tekenen, de holte van het graf,
het breekbaar licht
dat anders viel en de stenen bleek opzij te rollen.
Geen wonderen.
Maar woorden die tot leven kwamen.
Zij die ze kende,
misschien duizend malen overwogen had,
zou ze weer adem inblazen.
Alles voor de vergetelheid behouden.
Zou door een vuur gaan als het moest.

En tot het einde van haar dagen
doen wat moeders doen.
Toevlucht zijn, zwijgende nabije.
En generaties later nog,
zoals een baken in de nacht,
thuisbrengen
machtelozen, zoekenden en kleinen.

naar boven